© Koen Broos

Lotte Vrancken

Leestijd 5 — 8 minuten

O ironie

Hoe KVS slachtoffer werd van het debat dat het zelf op gang wou trekken

Donderdagavond 8 maart zag de Keniaanse theatermaker Ogutu Muraya Het leven en de werken van Leopold II in de KVS Bol, een heropvoering van een voorstelling die vijftien jaar geleden in première ging. Diep gechoqueerd omwille van het racisme dat hij ervoer, pakte hij een dag later zijn spullen. De voorstelling die hij dat weekend bij KVS zou spelen werd op zijn vraag afgelast. Niet alleen Muraya was gekwetst, ook heel wat andere (zwarte en witte) stemmen lieten bij KVS weten dat ze met dit soort voorstellingen niet gediend zijn.

Dat terwijl Raven Ruëll, de regisseur van Leopold II, evenals de cast zichzelf allesbehalve als neokolonialen of racisten beschouwen. De makers wilden net een bijdrage leveren aan de dekolonisatie, een missie die KVS hoog in het vaandel draagt. Hoe kan het dat zoveel mensen gechoqueerd waren, ondanks de goede intenties van de makers? Waarschijnlijk zat ironie er voor iets tussen.

De ambiguïteit van een bananenrok

Over de betekenis van ironie bestaat (een steeds lichtjes verschuivende) consensus: het is een stijlfiguur waarbij de bedoelde boodschap niet dezelfde is als degene die expliciet wordt uitgesproken of getoond. Ironie ligt op de grens tussen wat gezegd en niet gezegd wordt, en daar kan al eens wrevel en onbegrip rond ontstaan.

In A Rhetoric of Irony uit 1978 stelde literatuurwetenschapper Wayne C. Booth dat iets ironisch kan worden begrepen als het ‘straight forward hints’ naar ironie bevat (zoals een ironische toon bijvoorbeeld) of een uiting is van een ‘violation of knowledge’ (als er zaken worden gecommuniceerd die onmogelijk waar kunnen zijn). ‘Meta-ironische tekens’ tonen aan dat ironie zal komen en bereiden een publiek er dus op voor. Denk in onze dagelijkse omgang aan het handgebaar dat aanhalingstekens uitbeeldt en ons zo te kennen geeft dat we wat gezegd wordt met een korreltje zout moeten nemen. ‘Structurele ironische tekens’ dragen op hun beurt bij aan een grond waarop ironie kan gedijen. Zo kunnen een uitvergroting of minimalisering van een situatie, een plotse wissel in het taalregister, een stijlclash, een ostentatieve contradictie, letterlijkheid of simplificatie de belletjes doen afgaan.

Aan de hand van Booths inzichten zouden we verschillende elementen in de voorstelling van Ruëll kunnen decoderen als ironisch. Het belangrijkste argument van de regisseur in respons op de hetze is dat élk personage een uitvergroting is van de werkelijkheid, en dan voornamelijk van de sociale positie die het bekleedt. De personages zijn stuk voor stuk simplificaties, die herhaaldelijk dezelfde fouten maken. Ook de ‘Afrikaanse kostuums’ zoals het gehaakte kleed of de bananenrok zouden als ironisch kunnen worden gekaderd aangezien het stijlclashes zijn met de andere kostuums in het stuk.

Toch begeeft het stuk zich hier op glad ijs. Het gehaakte pakje en de bananenrok staan binnen de voorstelling in relatie tot de gebruikte blackfaces, en aan die koloniale cultuuruiting hangt een enorm ingewikkelde intertekstualiteit vast. Dit symbool heeft zo’n specifieke betekenis, dat het in het geval van de blackface de vraag is of er überhaupt twijfel kan bestaan bij de betekenis ervan, en of het dus nog als ironisch kan worden ingezet. Voor veel mensen staat de blackface symbool voor koloniale onderdrukking. De relatie tussen symbool en betekenis is zo dens dat er geen plaats meer is voor een niet-impliciete boodschap die ironie is.

Uw ironie is de mijne niet

In Leopold II kunnen we heel wat aanzetten tot ironie ontwaren, en laten we er niet aan twijfelen dat de voltallige ploeg de voorstelling als een satire bedoelde. Een andere literatuurwetenschapper, Linda Hutcheon, maakt echter een cruciaal onderscheid. Zij stelt dat ironie niet enkel afhangt van de intentie van de ironicus maar ook van die van zijn publiek. Zoals elk communicatieproces omvat ook het proces dat ironie in gang zet een zender en een ontvanger. Beiden moeten de intentie hebben om iets als ironisch te interpreteren – ironie is dus niet a priori aanwezig.

Ze passeert enkel rimpelloos wanneer de twee partijen tot een zelfde ‘discursieve gemeenschap’ behoren. In de Romantiek was de idee populair dat ironie een elite schiep, van zij die begrepen versus zij die dat niet deden. Hutcheon gaat hier tegenin. Ironie creëert volgens haar geen nieuwe groepen, maar gedijt in al bestaande discursieve gemeenschappen. De leden van een discursieve gemeenschap delen dezelfde doelen en visies, waarover ze communiceren met eigen communicatienormen. Individuen kunnen tot verschillende discursieve groepen tegelijk behoren, maar niet elke groep is voor elk individu even belangrijk. Ik behoor  bijvoorbeeld tot de discursieve groep van studenten kunstwetenschappen,  die van de inwoners van Gent en van fans van  Romeo Elvis. Die drie zaken zijn niet even belangrijk voor mij. Afhankelijk van waarmee ik word geconfronteerd, zullen verschillende discursieve gemeenschappen en hun communicatienormen in mij worden aangesproken. Via deze zal ik een boodschap decoderen, en dus ook decoderen of iets ironisch is of niet.
In een theaterzaal maakt iedereen deel uit van een gemeenschap die de theatrale codes en conventies aanvaardt en begrijpt dat wat op scène gebeurt fictie is. Dit collectieve bewustzijn maakt deze bijzondere kunstvorm mogelijk. Daarnaast kan het echter voorvallen dat de makers en toeschouwers tot verschillende discursieve gemeenschappen behoren. Daardoor zal niet iedereen de tekens die door de makers als ironisch zijn bedoeld, als ironisch interpreteren.

Hutcheon noemt dit ‘the edge of irony’ en het is net op die edge dat Leopold II balanceert. Het gevoelige thema maakt van de voorstelling bovendien een extra moeilijke evenwichtsoefening.

Leopold II anno 2018

Is er maatschappelijk gezien dan zoveel veranderd sinds 2003, toen het stuk bij de première geen noemenswaardig protest uitlokte? Wat voor KVS veranderd is, zijn de de discursieve gemeenschappen die het aanspreekt. Het stadstheater werkt hard aan een publiek dat de diversiteit van de grootstad weerspiegelt. Dan kan het niet verbazen dat er mensen in de zaal zitten die wat sommigen als ironisch bedoelen zelf als beledigend ervaren. De vraag is of dit stuk, ook anno 2018, in een ander theater evenveel commotie had veroorzaakt. Of had het enkel een lovende recensie gekregen omwille van de tour de force van het acteerwerk en de prachtig geschreven tekst van Hugo Claus?

Zelf zag ik de voorstelling in Het Toneelhuis, in een zaal vol witte mensen, op een avond met opvallend veel theatermakers in de zaal. De hele voorstelling lang werd smakelijk gelachen. Hutcheon zou er niet van opkijken: spelers en publiek deelden namelijk een aantal dominante discursieve gemeenschappen met elkaar. De vriend naast me verdiept zich, net als ik, in postkoloniale studies, en het viel me op hoe vaak we op dezelfde momenten bedenkelijk keken. Blijkbaar was het postkoloniale denken voor ons een dominant discours geworden, waardoor sommige tekens in onze ogen geen ambigue betekenis meer bezaten, of we sommige ironische hints misschien hadden gemist.

Moeten we vandaag met elke mogelijke gevoeligheid van elke mogelijke gemeenschap rekening houden? Misschien niet. Toch kan er worden gewerkt aan een bewustzijn dat mensen sommige dingen nu niet eenmaal op dezelfde manier lezen. En dat sommige discoursen maatschappelijk dominanter zijn dan andere. Het is bijzonder pijnlijk om te zien dat zowel de makers als het beledigde publiek eigenlijk hetzelfde doel delen, namelijk dekolonisering en de creatie van een meer diverse en egalitaire samenleving. De ene leest een code anders dan de andere. Dit is geen kwestie van gelijk. Beide partijen zijn waarachtig in hun lezing.

Hoe anno 2018 bruggen slaan? Het lijkt de kunst te zijn om ironie meer en meer te situeren in die discursieve gemeenschappen waar de meeste toeschouwers in de zaal toe behoren, zoals die van de theaterganger of de stadsmens. Zo kunnen we ervoor zorgen dat ironie niet datgene is waar het lang voor werd versleten, als een elitair taalspel dat heel duidelijk een onderscheid maakt tussen een in- en een outcrowd.

opinie
Leestijd 5 — 8 minuten

Lotte Vrancken

Lotte Vrancken is 3e Bachelor-student Theaterwetenschappen aan de Universiteit Gent en loopt stage bij KVS.

opinie