Etcetera Magazine. Tijdschrift voor podiumkunsten.

Van Mozart tot Boesmans: het rijke palet van het Festival Aix-en-Provence

Van Mozart tot Boesmans: het rijke palet van het Festival Aix-en-Provence

Johan Thielemans

Het Festival van Aix-en-Provence is al zeventig jaar een belangrijke rendez-vous voor operaliefhebbers. Aanvankelijk vond het zijn  onderdak op de binnenkoer van  het aartsbisschoppelijk paleis. In het kleine theater in openlucht was Mozart de eregast.  Het  was dankzij de bekende zangers een concurrent van het Festival van Salzburg. Maar het festival is ondertussen sterk geëvolueerd. Toen Louis Erlo de leiding  overnam in 1982, breidde hij het repertoire uit tot barokopera en hedendaags werk. Bernard Fouccroulle, die in 2007 aantrad en eerder dit jaar de Leadership Award kreeg bij de Opera Awards in Londen, zette de traditie verder, maar legde eigen accenten. Dat Aix er in 2007 een grote schouwburg bij kreeg met Le Grand Théâtre de Provence (1382 zitplaatsen) liet hem toe voorstellingen met grote middelen te programmeren. Verder gaf hij vooral jong talent een plaats en liet hij een hedendaagse wind waaien door het programma.  Zo was er deze zomer naast het orkest van Parijs ook het Klangforum Wien te horen, een gereputeerd ensemble voor hedendaagse muziek. 

 

Een duistere Pinocchio

Voor het programma van 2017 gaf Fouccroulle Libertà als motto mee, en dat woord was te horen zowel bij Mozarts Don Giovanni, als bij The Rake’s Pogress van Stravinsky en Bizets Carmen. Ook de wereldcreatie Pïnocchio, een opera voor kinderen van de Franse toneelschrijver en regisseur Joël Pommerat, gaf een heel eigen invulling aan het idee 'vrijheid'. Pommerat had in 2014 al samengewerkt met de Belgische componist Philippe Boesmans voor de opera  Au Monde. Die was zo succesvol, dat Boesmans en Pommerat  graag nog eens de handen in elkaar wilden slaan. Boesmans is vooral gekend omwille van zijn erg dramatische en sombere opera’s. Nu wilde hij iets luchtiger maken en daarvoor leek een opera voor kinderen best geschikt.

Voor een nieuwe tekst had Pommerat geen tijd, maar hij stelde wel zijn eigen versie van Pinocchio voor die hij eerder in 2008 voor het theater realiseerde. Pommerat, ongetwijfeld de interessantste Franse toneelschrijver van het moment, schrijft graag zwaarmoedige stukken over arbeiders, bedienden of kapitalisten. In het afgelopen seizoen was hij nog in Brussel bij Théâtre National op bezoek met Ca ira (1) Fin de Louis, een voorbeeld van opwindend politiek theater. Daarnaast hebben sprookjes hem altijd sterk bekoord. Hij geeft deze mythische verhalen telkens een persoonlijke draai, wat vaak resulteert in nachtmerrieachtige vertellingen, doorspekt met subversieve ironie.

Het zal niemand verwonderen dat Pommerats tekst niets te maken heeft met de versie van Walt Disney, al behoort diens film tot de meesterwerken van de animatiefilm uit de beginperiode van Disneys carrière. Pommerat voelde echter meer verwantschap met de oorspronkelijke tekst van de Italiaan Collodi en de filmversie van Commencini uit 1957 omdat daar de belabberde sociale context een grote rol speelt. Pommerat zet de pop Pinocchio neer als een vervelend jong van vandaag. Hij misprijst zijn vader omdat hij arm is. Als hij later beslist om naar school te gaan, blijkt hij een voortreffelijke leerling te zijn, maar zo gauw de klas op stelten staat, laat hij zich door ‘de stoutste leerling’ meeslepen. Samen laten ze zich inschepen naar 'het eiland van alle geneugten'. Het is echter een verraderlijke plek, want van al dat ongeremd genieten, transformeert hij, net als zijn kompanen, in een ezel.

Voor Pommerat is opvoeding zeer belangrijk, en het thema van de valse vrijheid op het eiland spreekt hem geweldig aan. Foute beslissingen leiden tot domheid, en domheid tot totale uitbuiting. Pinocchio wordt als ezel meedogenloos mishandeld. Wanneer hij ten slotte in de zee belandt en opgeslokt wordt door een enorm zeemonster, vindt hij daar zijn vader terug. Pinocchio belooft om  gehoorzaam te zijn en bij zijn vader te blijven. Met zijn typische ironie laat Pommerat de vader zeggen dat hij zich geen veiliger plek kan voorstellen dan de buik van het monster.  Maar de ongehoorzame Pinocchio neemt ten slotte toch het initiatief, zodat vader en zoon door het monster worden uitgespuwd. Dat is een daad van echte vrijheid,  vindt Pommerat, want Pinocchio heeft een zelfstandige beslissing genomen. De pop Pinocchio wordt volwassen, en dus een mens van vlees en bloed.

Bij Au Monde, de eerste samenwerking tussen Boesmans en Pommerat, liet de regisseur zijn mise-en-scène van het oorspronkelijke toneelstuk waarop de opera was gebaseerd, ongewijzigd. Hetzelfde doet hij in Pinocchio, alleen heeft Pommerat de tekst gevoelig moeten inkorten. De zes operazangers nemen de verschillende rollen op zich.  Het is merkwaardig om te zien hoe Pommerat de operazangers volledig naar zijn stijl weet te kneden, zoals hij dat ook steevast doet met de leden van zijn gezelschap Compagnie Louis Brouillard dat hij in 1990 oprichtte. Telkens krijgt hij van hen een subtiele, gestileerde en realistische speelstijl los, die ver af staat van het declamatorische Franse toneel. Al zijn acteurs blinken uit in de kunst van de transformatie. En dat is ook hier het geval. Vermeldenswaardig is de absoluut briljante vertolking van de Franse bariton Stéphane Degout. Hij is eerst de wat griezelige theaterdirecteur/ verteller, en wisselt gesproken woord en zang af. Als zodanig heeft hij de hoofdrol. Maar hij is ook een schurk, een moordenaar en een circusdirecteur. Degout, uitstekend als zanger, geeft hier blijk van  een niet-alledaagse theatrale intuïtie. Een ander soort transformatie, al even typisch voor Pommerat, geldt voor actrices die van gender veranderen. Hier geldt dat voor Chloè Briot, klein van gestalte, begaafd met een soepele stem, die over het toneel rent als de beste vlegel. Dat Pommerat in een andere discipline eenzelfde magische resultaat weet te bereiken, is niet minder dan verbluffend.

Pommerats regiestijl is bovendien bijzonder persoonlijk. Hij houdt van korte taferelen die van elkaar gescheiden worden door een black out. Bij de bewerking tot operaopvoering moest hij wel een compromis sluiten: de totale duisternis werd vervangen door het neerlaten van een doek, zodat het orkest nog voldoende licht heeft om de noten te lezen. Telkens wanneer het licht opnieuw verschijnt, is de locatie veranderd, aangeduid door één voorwerp – een stoel, een boom, een  laadluik van een vrachtwagen. Voor de magische opeenvolging van objecten en licht doet Pommerat reeds twintig jaar lang een beroep op Eric Soyer, een tovenaar als scenograaf.

Bij de transitie van theater naar opera passeert men natuurlijk langs een componist. Philippe Boesmans heeft een merkwaardig parcours achter de rug. Reeds in 1983 gaf Gerard Mortier hem een eerste opdracht: Gilles de Rais. Opdrachten volgden elkaar op, want Boesmans kreeg het volle vertrouwen van Foccroulle, als toenmalige directeur van De Munt.  Ook de huidige directeur Peter de Caluwé deed op hem een beroep, en deze Pinocchio is trouwens een coproductie tussen Aix en De Munt. In deze tijd is de band van een componist met één operahuis uitzonderlijk. Als jonge componist sloot Boesmans zich eerst aan bij de post-seriële avant-garde. Maar het doctrinaire van deze beweging liet hij al vlug achter zich.

Kenmerkend voor Boesmans is zijn rijke orkestratie. Hij houdt van expressieve klankkleuren, maar hij weet ook het orkestraal geweld telkens te beteugelen om de stem alle vrijheid te laten. Nu hij met deze Pinocchio ook voor kinderen componeert, en hij zelf niets meer te bewijzen heeft, schreef Boesmans een partituur waar in de eerste plaats het schrijfplezier van afspat. Hij heeft slechts veertien instrumenten nodig om een klanktapijt  te creëren dat uitermate vol klinkt.  Toch heeft hij ervoor gekozen om allerlei geestige citaten in zijn muziek te verwerken. Soms komt een melodie van Gounod even voorbij, na de pauze hoort men een fanfare die heerlijk vals speelt. Men denkt even aan Fellini en Nino Rota. Voor de fee, gespeeld door Marie-Eve Munger, heeft Boesmans een heerlijke colloratuurpartij geschreven, die Franse critici doen denken aan Massenet, maar die voor mij onweerstaanbaar de Koningin van de Nacht uit De Toverfluit oproept. Munger als de fee, in fel uitvergroot wit kleed, zorgt voor een magisch én ironisch moment in de voorstelling, een prachtige synergie van Boesmans' en Pommerats verbeeldingen. Boesmans verwerkt in zijn opera’s graag momenten die volledig buiten zijn eigen muzikale woordenschat vallen. Hier heeft hij een beroep gedaan op  drie Belgische muzikanten  die op het toneel een zigeunerachtige muziek improviseren. Dat er een accordeon (bespeeld door de virtuoos Philippe Thuriot) aan te pas komt, geeft een extra volkse toets aan het geheel. Boesmans volgt de tekst op de voet, met een aantal korte motieven. Het wordt een stroom van buitelende invallen. Het zijn wonderlijke momenten van klank, maar de pracht heeft ook tot gevolg dat de partituur wat moet inboeten omdat er een grote spanningsboog ontbreekt. Hier en daar kon er ook wat gesnoeid worden, om de mededeling gebalder te maken.

Een sprookje kan gruwelijk én geestig zijn tegelijk. Beide kenmerken vind je zowel in  de tekst als in de muziek terug.  Dat de schrijver en de componist met zoveel toewijding en zorg een werk maken voor een jong publiek is niet de minste van de kwaliteiten van deze Pinocchio. Bij een wereldcreatie zit je natuurlijk altijd met de vraag of dit nieuwe werk een belangrijk  artistiek leven zal kennen. Dat is natuurlijk koffiedik kijken, maar ik heb het gevoel dat de tekst én de muziek zo innemend zijn, dat deze Pinocchio door vele operahuizen in de armen zal worden gesloten. Een overtuigende opera voor (grotere) kinderen, die niet altijd Hänsel und Gretel heet, is tenslotte nog altijd een zeldzaamheid. In september komt de voorstelling gelukkig naar de Munt.