Etcetera Magazine. Tijdschrift voor podiumkunsten.

Another One – Maxim Storms & Lobke Leirens

Another One, © Maxim Storms & Lobke Leirens

Another One – Maxim Storms & Lobke Leirens

Evelyne Coussens

Another One – Maxim Storms & Lobke Leirens

 

‘If you break my heart, I’ll break yours too.’ Twee personages, voor eeuwig opgesloten in tijdloosheid, in gezelschap van elkaars liefdevolle haat. Another one van Maxim Storms en Lobke Leirens is een voorstelling om van te huiveren.

 

In een prachtig essay in De Groene Amsterdammer zet auteur Willem Jan Otten uiteen hoe voor de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges de eeuwigheid een ervaring is – geen opeenstapeling van nooit eindigende seconden, minuten of uren, maar juist een weerstand tegen dat verloop, een weerlegging van de tijd tot een tijdloosheid die op die manier stolt tot een fysieke ruimte.* In zo’n toestand van tijdloosheid, in zo’n ruimte van eeuwigheid bevinden zich de personages uit Another One, de tweede voorstelling van de jonge theatermakers Maxim Storms en Lobke Leirens. Het creëren van zo’n unheimische ruimte is een verdienste op zich, want daarmee springt Another One verder dan het anekdotische verhaaltje waarin veel jonge theatermakers zich vastrijden: Leirens en Storms gaan voor het universele gebaar. Een tweede verdienste schuilt in de manier waarop ze deze tijdruimte tot stand brengen: niet door slim décor- of lichtwerk (waarmee niets wordt gezegd over de kwaliteit daarvan), maar door het repetitief scanderen van de tijd, door elke handeling, dialoog of dramatische actie terug te brengen tot een vorm van ritme, in die mate dat Another One bijna een beeldend concert wordt. Denk aan de manier waarop een rituele, repetitieve percussie je in een bewustzijnstoestand brengt waarin niet alleen je perceptie van tijd maar ook die van ruimte vervaagt. Zoiets.

 

Wat er concreet in Another One gebeurt, is haast te banaal om te vertellen: we krijgen inzicht in de verhouding tussen een oude man en een oude vrouw, waarbij liefde en haat, afhankelijkheid en vrijheidsdrang strijden om de bovenhand. Het gaat er uiteraard niet om wat er gebeurt, wel hoe het gebeurt, en Leirens en Storms hanteren een fysieke speelstijl die spontaan doet denken aan het wrang-absurdistische universum van Daniil Charms. Hun lichamen lijken vreemd aan de wereld, out of place: ze schuifelen trekkebenend over de scène of trachten te gaan zitten op denkbeeldige stoelen. Alsof de coördinatie van hun ledematen het laat afweten, alsook hun innerlijke kompas – ze lopen blind door een sneeuwstorm. De associatie is niet vreemd, want de kale scène bevat enkel een eenvoudige tipi links, een rijdend platform met twee stoelen en een medicijnkastje als tafeltje rechts, en een wit grondzeil – alsof het koppel rondscharrelt in een (mentale?) ijzige toendra. Het begin is een lange openingsdans: over de witte vlakte draaien ze rondjes rond elkaar, elkaar af en toe en passant even aanrakend, als om zich ervan te vergewissen dat de ander er nog wel degelijk is. Zij draagt een bontje, hij een gekleed jasje en deftige schoenen – dit zijn geen marginalen, maar bourgeois. Ze worden in al hun hulpeloosheid ook niet belachelijk gemaakt: zelfs wanneer hij plat op zijn gat valt, behoudt hij zijn waardigheid.

 

En dan begint het spel, hun spel, hun spelletjes. Een onschuldig kaartspel – het eindeloze, ritmische delen van de kaarten is een choreografie op zich – mondt uit in een agressieve scène waarin zij zich met een bevelend ‘another one!’ meester maakt van al zijn kaarten. Zijn wraak laat niet lang op zich wachten: na de absurd attente vraag om even haar bril af te zetten, slaat hij haar keihard en ritmisch op de wang. Another one? Yes, stamelt zij. Even later is zij het weer die hem met al haar kracht tegen de muur gooit, dreun na dreun. Het wordt duidelijk dat deze afwisseling van mentale en fysieke vernedering ten volle geïnstitutionaliseerd is tussen hen, het is een figuur geworden, een geijkte manier van omgaan met elkaar. Een routineuze en ritmische invulling van de tijd, die zich maar niet écht wil laten verdrijven. Wat zullen ze nu bedenken? Een wedstrijdje ‘adem inhouden’ misschien? Hij proest, hijgt, krijgt bijna een hartaanval. Elke interactie tussen hen heeft te maken met vernedering, pijn, dood. Zelfs de schaarse tekenen van affectie – waarbij ze elkaar dragen of omhelzen – zijn dubbelzinnig: de wilde aanhankelijkheid waarmee ze op elkaar afvliegen draagt een bezitterig geweld in zich.

 

Slechts twee maal verplaatsen Leirens en Storms hun personages van de witte gestolde tijdruimte naar een andere setting. In het eerste geval lijkt het te gaan om een dimensie van voorbewuste tijd, misschien een eeuwenoude herinnering. De tipi baadt in een warme, oranje gloed en vanachter het bouwsel verschijnt, met snelle trippelpasjes, een wezentje dat zich nog het best laat omschrijven als een koddig klein beertje. Even later schrijdt zij naar voren, met een hoofdtooi die haar dubbel zo rijzig maakt: oervrouw, moedergodin. Het beertje stuitert om haar heen en biedt haar zijn liefdesoffer aan, zoals een kat een dode muis op de mat legt. Geen dode muis krijgt zij, maar een duif – verheugd blijft hij om haar heen drentelen, om te zien hoe ze zijn cadeau ontvangt. Met duidelijke weerzin trekt ze de kop van het beest van het lijfje en verslindt ze het vlees, rauw, tot de bloedige hompen langs haar kin naar beneden glijden. Is de scène een droom, een re-enactment, een herinnering of simpelweg opnieuw een spel? En waarom spelen ze deze spelletjes eigenlijk? Om het leven met elkaar draaglijk te maken? Is het de verveling van de eeuwigheid die hen ertoe aanzet wreed te zijn, zodat ze hun bloed voelen stromen – ook al wijzen hun witte gezichten misschien op de dood die hen al onder de leden zit?

 

Op zich is het natuurlijk geen nieuw gegeven. Iedereen kent wellicht zo’n koppel waarbij de liefdesverhouding is verdampt tot een wreed wederkerig mechanisme van zalven en slaan – omdat de verstrengeling de onloochenbare aanwezigheid van de ander bevestigt, en dat dit de angst verdrijft voor eenzaamheid (zoveel erger dan pijn). Waar Another One misschien te kort schiet is in de diversiteit van de interacties: je ziet een binaire verhouding die heen en weer tikt tussen liefde en afkeer, terwijl er meer schakeringen zijn aan zo’n intense verhouding. Het mooie van Another One is wel dat (opnieuw refererend aan Ottens artikel over Borges) de makers je net als de Argentijnse schrijver het mechanisme tonen alsof je het voor de eerste keer ziet – of toch minstens alsof je voor het eerst beseft welke afschuwelijke, destructieve vorm het ‘eeuwige’ samenzijn kan aannemen. Dat Leirens en Storms daarin slagen is te danken aan de uiterst secure manier waarop ze het bewegingsmateriaal hebben ontwikkeld, de beheersing van hun lichaamstaal, de precisie waarmee de weinige woorden worden geformuleerd, de zorgzaamheid van de visuele details, de sobere juistheid van zowel de muziek als van de muzikaliteit van Another One in zijn geheel. Dit spelen met tijd, lichaam en ruimte is pure mime (de witte gezichten kunnen ook verwijzen naar de oorspronkelijke Franse pantomime), in een meesterschap dat ik tot nu toe enkel in Nederland zag, in het werk van Jetse Batelaan.

 

In de slotscène proberen de oude man en vrouw, in het volle zaallicht en met een stoel tot vlak bij het publiek gezeten, de stilzwijgende ‘publieksvragen’ over hun verhouding te beantwoorden – een beetje schutterig, want er wordt hen gevraagd iets te benoemen dat doorgaat voor ‘abnormaal’ maar volstrekt eigen is aan hun realiteit. En zelfs in aanwezigheid van een derde partij kent hun wreedheid geen grenzen. ‘She looks at herself as some kind of mother,’ zegt hij lijzig, ‘but she’s no mother.’ Zij huilt. Hoe onverbrekelijk trouw ze tenslotte zijn aan de wreedheid en dus aan elkaar, blijkt wanneer ze zachtjes samen beginnen te zingen: ‘If you break my heart, I’ll break yours too.’ Voor eeuwig opgesloten in tijdloosheid, in gezelschap van elkaars liefdevolle haat. Om van te huiveren.

 

*Otten, Willem Jan, ‘Borges’ trouw aan de eeuwigheid’, in: De Groene Amsterdammer, 25 januari.