Etcetera Magazine. Tijdschrift voor podiumkunsten.

De subsidieloterij

Loterij

De subsidieloterij

Kristof Jonckheere

De subsidieloterij

 

Kristof Jonckheere, artistiek coördinator van kunstencentrum BUDA (Kortrijk), besloot onlangs om uit de poule van beoordelaars te stappen, die cultuurminister Sven Gatz moet adviseren om afgewogen subsidiebeslissingen te nemen. Hieronder kan u lezen waarom.

 

Het zal je maar overkomen. 

Na 12 jaar hard, integer en grotendeels on(der)betaald werken aan een bescheiden maar ontzettend uitgepuurd en pertinent oeuvre, dien je als individuele kunstenaar een aanvraag in om de theatervoorstelling te maken die dat hele traject afsluit. De eerste keer beslissen de beoordelaars dat je project artistiek 'zeer goed' (lees: ‘grootste onderscheiding') is en zakelijk 'goed' (lees: 'onderscheiding'). Helaas eist de minister op dat moment tweemaal 'zeer goed' als voorwaarde om middelen te krijgen. De tweede keer beslissen de beoordelaars over datzelfde dossier dat het zakelijk 'zeer goed' is geworden (wegens financieel beter uitgewerkt), maar artistiek slechts 'goed' (en dus plots 'minder waardevol’). Pech, want de minister beslist dat voor deze ronde een 'voldoende' al genoeg is op zakelijk vlak (wat je vorige keer al had), maar dat artistiek wel 'zeer goed' moet zijn (wat je vorige keer ook had) om middelen te kunnen krijgen. Besluit: nul op het rekest. Het overkwam Leentje Vandenbussche. Na een geslaagde slow art-cyclus met voorstellingen, beeldend werk en boeken rond 'niets', 'alles', 'de dood' en 'iets', werd haar afsluitende theaterproductie Iets anders onlangs niet gehonoreerd. En dat terwijl de beoordelaars, zo bleek uit hun advies, haar werk wél hoog waarderen…

 

Zou het kunnen dat dit beoordelingssysteem steeds meer op een loterij begint te lijken?

 

Systeemfouten

 

In elk geval groeit het ongenoegen bij elke nieuwe subsidieronde. Niet enkel onder de kunstenaars, gezelschappen en organisaties, maar ook onder de beoordelaars zelf. Al heb ik omwille van tijdsgebrek binnen het nieuwe beoordelingssysteem maar één ronde aan den lijve meegemaakt, in die korte tijd kwamen toch een aantal systeemfouten aan de oppervlakte:

 

-         De ‘formattering’ van de aanvraagdossiers zorgt voor een grotere uniformiteit, waardoor het Agentschap de verschillende aanvragen gemakkelijker tegen elkaar kan afwegen. De intenties zijn nobel, maar voor de aanvragers is de vorm zo dwingend, dat die een logische opbouw van hun artistiek verhaal in de weg staat. De eigenlijke inhoud van een project wordt nu verbannen naar de bijlagen. Daarnaast krijgen de beoordelaars dossiers op hun bord vol weinigzeggende ballast, en vol gelijklopende antwoorden op vragen die niet voor elke kunstenaar of organisatie even relevant zijn.

 

-         Structureel gesubsidieerden werden vroeger voor twee of vier jaar ondersteund. Nu is het vijf jaar of niks. Het afbouwen van een soepele in- en uitstroom voor structurele werkingssubsidies, maakt dat alle ‘gebuisden’ van de voorbije structurele ronde nu meerjarige projecten indienen. Daardoor neemt de druk binnen die te kleine projectenpot nog toe, en worden de kansen voor nieuwe instromers quasi tot nul herleid.

 

-         Het Agentschap is de enige speler die nog zicht heeft op het volledige landschap. Bijgevolg neemt de invloed ervan op de besluitvorming sterk toe. De zakelijke adviezen wegen zwaarder door dan vroeger. Ze worden bovendien door individuele ambtenaren opgesteld, waardoor ze de toetsing door een bredere groep ontlopen. In september 2016 verwees het Agentschap een projectsubsidiedossier door naar de volgende ronde (januari 2017) ‘omdat het erg ruim op tijd was ingediend.’ Het gevolg is wel dat die maker in kwestie slechts in mei 2017 - een paar weken voor de aanvang van zijn project - te horen zal krijgen of het gehonoreerd wordt, en dus of er middelen zijn om vanaf juni 2017 een ploeg (in dit geval zeven à acht personen) te engageren voor het creatieproces. Maar ondertussen vragen we wel de nodige professionaliteit van kunstenaars?

 

Het probleem van de wisselende commissies

 

Het grootste mankement binnen het huidige beoordelingssysteem blijft de keuze voor steeds wisselende commissies. De motivatie om niet langer te werken met vaste commissies (de theatercommissie, de danscommissie, de muziekcommissie, etc…) was om meer objectiviteit te garanderen. Op zich was die bezorgdheid natuurlijk terecht. Alleen blijkt de keuze nu meer nadelen te bezitten dan voordelen:

 

1. Er is geen kader. Het werken met een groter aantal beoordelaars in steeds andere samenstellingen haalt het bredere kader weg, en daarmee de ‘gedeelde verantwoordelijkheid’ van de beoordelaars en hun commissie ten opzichte van het veld. Zo kan een commissie zich buigen over een specifiek aantal (bijvoorbeeld theater)dossiers, terwijl in het lokaal ernaast een andere commissie gelijkaardige theaterdossiers behandelt. Er is geen overleg tussen beide groepen, en er wordt ook geen ‘discours’ of ‘visie’ opgebouwd over welk soort landschap we met zijn allen willen. Misschien geeft deze commissie een dossier een onvoldoende, terwijl het bij de beoordelaars next door net heel goed zou kunnen scoren. Er kán tussen beoordelaars die zicht voortdurend in een andere constellatie bevinden, geen gesprek ontstaan dat het veld overschouwt. Dat gebeurde vroeger wel. Zowat een vierde van de tijd die ik tussen 2008 en 2012 in de theatercommissie doorbracht, ging naar het afwegen van dossiers ten opzichte van elkaar en van het landschap. Dat leverde boeiende, soms hevige discussies op, maar was een voortdurende, meerstemmige oefening in het gezamenlijk kennis en visie opbouwen. Die bredere blik (en verantwoordelijkheid) wordt nu verengd tot het aantal individuele dossiers dat je toegewezen krijgt.

 

2. Er is geen eenheid. Dat gebrek aan een gezamenlijk opgebouwd kader zet de deur open voor net méér in plaats van minder puur persoonlijke, subjectieve beoordelingen. Je beweegt je nu eenmaal wat vrijer in een tijdelijke commissie dan in één waarvan je weet dat die de volgende vier jaar ongewijzigd blijft. In elke nieuw samengestelde commissie is het steeds zoeken naar wie welke kijkervaring en expertise heeft. De ene beoordelaar leest ook anders dan de andere. Sommigen focussen strikt op wat er staat; anderen nemen ook de ‘de context’ mee. Dat laatste is in het voordeel van de artiest die niet zo goed dossiers kan schrijven, maar wel al jaren pertinent werk maakt. Bij steeds wisselende commissies gaat de groepsdynamiek van het moment sterker doorwegen. Wie het dan goed gezegd krijgt, weegt.

 

3. Er is geen maatstaf. Wat leidt tot een grotere willekeur, zoals de case Leentje Vandenbussche nog maar eens aantoont. Waar de ene commissie een artistiek plan als ‘zeer goed’ evalueert, is dat voor een andere commissie gewoon ‘goed’ (en dus niet subsidiabel). Dat blijft bizar, en is in Nederland bijvoorbeeld onmogelijk. Een zelfde dossier dat voor de tweede keer ingediend wordt, kan er artistiek niet in waarde zakken.

 

4. Er is geen contact. Wisselende commissies hebben geen eigen gezicht. Wie moeten kunstenaars of organisaties aanspreken als ze voor of na een beoordelingsronde nog vragen hebben? Vroeger richtten ze zich tot de voorzitter, en werden vervolgens al dan niet door de commissie uitgenodigd om het gesprek aan te gaan. Nu zijn ook de voorzitters tijdelijk, enkel aangesteld voor die ene ronde, en eerder als procesbegeleider dan als expert in een specifiek vakgebied. Rest een lijst van meer dan 200 beoordelaars. Probeer dan maar als individuele kunstenaar, die vragen heeft of zich mis begrepen voelt, een dialoog aan te knopen.

 

Neen. Ik twijfel niet aan de ernst, de inzet en het engagement waarmee de beoordelaars aan de slag blijven gaan. Het volume werk is niet te onderschatten, en is met het nieuwe beoordelingssysteem alleen nog maar toegenomen. Het is lovenswaardig dat zoveel mensen van binnen en buiten de sector zoveel tijd en energie investeren in een systeem waarvan quasi iedereen in the end toch ongelukkig wordt. Dat is zonde. ‘Iedereen kan zetelen,’ zo heet de website van de Vlaamse overheid voor kandidaat-beoordelaars. De vraag die er aan vast hangt: ‘maar voor hoelang?’. Wat mezelf betreft: ik verlaat het schip, deactiveer mijn beschikbaarheid als beoordelaar en ga even aan wal staan. Mooi uitzicht, trouwens. En in goed gezelschap. Naast mij staan al verbazend veel van de allerbeste stuurlui.