Etcetera Magazine. Tijdschrift voor podiumkunsten.

Mockumentary of a contemporary saviour - Wim Vandekeybus / Ultima Vez

© Danny Willems

Mockumentary of a contemporary saviour - Wim Vandekeybus / Ultima Vez

Pieter T'Jonck

Mockumentary of a contemporary saviour begint als een overrompelend audiovisueel spektakel: lichtflitsen vanuit een schijf die boven het podium zweeft, luide zuchten die aanzwellen tot een Babylonisch koor van stemmen die de zaal overspoelen via een gesofisticeerd geluidssysteem. Als het kabaal overgetrokken is, duikt een man in peignoir - de blinde Saïd Gharbi - op. In de stilte die neerdaalt, staart hij de zaal in en knipt met zijn vingers, zoals blinden dat doen als ze de grootte van de ruimte willen peilen.

 

Hij gaat er net zo lang mee door, met een afwachtend luisterende houding, tot de zaal spontaan volgt. Zo maakt hij contact met die ‘andere wereld’ die de zaal is. Eens hij zich zo van gehoor verzekerd weet, steekt hij een rede af over hoe de goden mensen nodig hebben om zich niet te pletter te vervelen. Daartoe zadelden ze de mens op met gebreken als een vrije wil of zelfs het vermogen om het bestaan van God te ontkennen. Dat deert niet, vertrouwt Gharbi ons toe. Als het slecht gaat keren de mensen zich toch weer tot God om hulp. Godsdienst als de perfecte paranoïa.

 

Hierna gaat het stuk een heel andere kant op. Als Jason Quarles op dreigende toon vraagt met wie Gharbi wel aan het praten mag zijn, daalt de ‘vierde wand’ terug neer. Je kijkt nu naar een bizar, gesloten universum. Zes, later zeven personages uit alle hoeken van de wereld zijn naar deze plek afgevoerd door een onbekende macht om er eeuwig te overleven. Vooral de kledij van de vrouwen refereert, met felle kleuren en motieven, vaagweg aan futuristische films uit de jaren 1970 en 1980 (Vandekeybus citeert George Lucas’ THX 1138 uit 1971, een parodie op de consumptiesamenleving die tot in het absurde doorgedacht werd).

 

Dit is een menselijk terrarium, een duistere versie van de experimenten met gevoelens die Marivaux in stukken als La dispute (1744) als een luchtige klucht opvoerde. Een reusachtige hoepel opgevuld met strak gespannen doeken, een ontwerp van Meryem Bayram, vormt een kunstmatige hemel boven deze aseptische pseudowereld die steeds meer de trekken zal aannemen van een psychische, totaal fantasmatische werkelijkheid. Ze reflecteert het licht maar stijgt, daalt en kantelt ook als een onvoorspelbare dreigingsmachine die artificieel drama injecteert in deze claustrofobische doos. Rondzwervende soundscapes van Charo Calvo voegen daar akoestisch geweld aan toe, wilde stemmen uit het heelal.

 

Deze mensen, die niets gemeen hebben maar voor eeuwig tot elkaar veroordeeld zijn, blijven drama’s uit hun ‘echte’ leven eindeloos herhalen. De Chinese Lun Yiu wordt keer op keer vermoord door Flavio D’Andrea, die daarna elke keer weer verscheurd lijkt door wroeging en verdriet. De verwijzing naar de Chinese één-kind-politiek die leidde tot de moord op talloze pasgeboren meisjes valt moeilijk te missen. De Russische Maria Kolegova somt later haar talloze zeer kortstondige huwelijken op, alweer een trieste sociale realiteit in Rusland. Anabel Lopez blijft wanhopen bij de gedachte aan het pasgeboren kind dat ze moest achterlaten toen ze naar deze onderwereld overgeplant werd. In dat verhaal hoor je echo’s van de christelijke Maria-figuur, maar ook van de hoer Maria Magdalena.

 

Hier is Vandekeybus op zijn best. Hij buit bijvoorbeeld Yun Liu’s dubbele kwaliteit als gevechtskunstenares en als natuurlijke comédienne uit om haar verzet tegen D’Andrea en haar wederopstandingen aannemelijk te maken. Veel scènes in deze voorstelling, die Vandekeybus nadrukkelijk als een ‘stuk’ aankondigt, halen hun kracht zo in de eerste plaats uit de manier waarop de performers hier, onder eigen naam bovendien, in de ruimste zin van het woord persoonlijk aanwezig zijn in dit experiment.

 

De verklaring voor wat we zien volgt echter pas als een zevende figuur opduikt. De bijzonder corpulente Engelsman Daniël Copeland ploft plots zomaar ruggelings neer op het podium. In zijn oranje overall lijkt hij ontsnapt uit een strafkamp als Guantanamo. Hij heeft nieuws van de wereld daarbuiten. Volgens hem is ze krankzinnig en onbewoonbaar geworden. Als psycholoog monitorde hij er negatieve emoties van de mensen, zonder er iets aan te kunnen verhelpen. De gesloten doos die we hier zien is dus een soort vluchtoord voor enkele uitverkorenen, ook al is er weinig dat verklaart waarom net zij uitgekozen werden.

 

Psycholoog Copeland blijkt, na zijn aanvankelijke verbijstering, echter helemaal in zijn element in deze omgeving. Hij organiseert spelletjes die het bestaan van de groep zin kunnen verlenen. Een vondst, naar het einde van de voorstelling, is zo de lange scène waarin hij allen aanspoort een familie te vormen, met een kind, een hond, en zelfs een vriendelijke oom toe. In die scène sluipt al snel een zekere wreedheid. De rollen gaan door elkaar lopen tot de gezellige familie ontaardt in een strijd van allen tegen allen. Dystopische verhalen als William Goldings Lord of the Flies (1954) of Ian Mc Ewans The Cement garden (1978) resoneren hier duidelijk mee.

 

Vandekeybus borduurt echter vooral voort op één specifiek thema van Golding. In Lord of the flies verzinnen de jongeren op het vergeten eiland een ‘Beest’, een monster met quasi-goddelijke proporties, dat als een schaamlapje dient voor de kwellingen die ze elkaar aandoen. Vandekeybus doet iets gelijkaardigs met een tweede verhaallijn naast de psychologische spelletjes binnen de groep. Zoals de titel van het stuk, ‘a contemporary saviour’, en de openingsscène van Gharbi al suggereerden gaat het Vandekeybus ook om de manier waarop in een wanhopige context als deze de gedachte aan een reddende God kan opduiken. Gharbi speelt hier telkens weer de profeet – een enkele keer ook door buiten medeweten van de rest het publiek aan te spreken. Hij exploiteert daartoe het verhaal van Lopez’ verloren kind. Als dat kind uiteindelijk, als een ‘deus ex machina’ neerdaalt op het podium lijkt de belofte van een redding uit deze gesloten kamer, deze ‘huis clos’ eindelijk bewaarheid te worden.

 

De performers verlaten op dat moment hun ‘safehouse’ om de zaal in te lopen waar ze het publiek kond doen van de komst van een redder. Daarmee wordt een connectie tussen podium en zaal die Gharbi al bij het begin van de voorstelling aankondigde ook ‘realiteit’, al blijft dat ‘sluiten’ van het thema natuurlijk ook een wat retorische truc. Maar de sterke présence van de performers, die we ondertussen erg goed leerden kennen, laat dat wel werken.

 

Dramaturgisch en verhaaltechnisch blijft het stuk echter een fragiele constructie. Ondanks de medewerking van Bart Meuleman als auteur en Jerry Killick als regieassistent lopen hier net teveel mythische invloeden, biografische elementen van de performers en scenische vondsten door elkaar om alles overtuigend in elkaar te laten haken. Mockumentary of a contemporary saviour heeft zo meer iets van zowel een beeldessay als een sterke groepsimprovisatie dan van een stuk dat een duidelijk punt maakt. Een beetje jammer toch wel voor een productie die in de inzet van middelen en de kwaliteit van de respectieve bijdragen blaakt van ambitie.