Milo Rau / IIPM / CAMPO – Five easy pieces

Just kids

Laat ons wel wezen. Milo Rau wordt niet voor niets de meest spannende Europese regisseur van het moment genoemd. Onder de naam IIPM (International Institute of Political Murder) behandelde de Zwitserse theatermaker reeds de genocide in Congo (Hate Radio, 2014), het proces van Ceaucescu (The Last Days of the Ceaucescus, 2010), de oorlog in Syrië en het failliet van het oude Europa (The Civil Wars, 2014), of de drijfveren van de Noorse terrorist Anders Brevik (Brevik’s Statement, 2013). Zijn voorstellingen worden vaak aangeduid met de term ‘politiek documentairetheater’ en zijn de neerslag van maandenlang onderzoek ter plaatse. Rau werkt regelmatig volgens het procedé van de re-enactment en bedient zich van wisselende formats zoals de performance-lecture, het radiohoorspel, of het naspelen van processen met échte rechters en advocaten. Zijn werk veroorzaakt steevast opschudding in de media en de maatschappelijk-politieke context die het omringt en behandelt. De ophef rond zijn werk gaat datzelfde werk zelfs vaak vooraf. Zo ook voor Five Easy Pieces, Rau’s antwoord op de vraag van CAMPO om een voorstelling te maken met kinderen. Het Gentse kunstencentrum heeft een uitstekende reputatie wat betreft theaterproducties met kinderen voor volwassenen en toerde in het verleden door Europa met That Night Follows Day (2006, CAMPO & Tim Etchells)en Before your very eyes (2010, CAMPO & Gobsquad). Milo Rau besloot een voorstelling te maken over de zaak Dutroux. De aanleiding hiervoor lag in het Brusselse werkproces van The Civil Wars. Op Rau’s vraag wanneer ze zich het laatst Belg hadden gevoeld, antwoordden de acteurs toen: “tijdens de Witte Mars in 1996 –de grote betoging tegen de eigen regering, in het kader van de zaak Dutroux.”[i] Bij nader onderzoek bleek de zaak Dutroux inderdaad een kruispunt waar verschillende lijnen elkaar ontmoeten: “Dutroux, die opgroeide in Congo, die zijn misdaden beging in het uitgestorven mijngebied rond Charleroi, van wie het proces bijna tot de instorting van België leidde en tot een rebellie van de burgersamenleving tegen de corrupte elites – dat is bijna een allegorie op de neergang van de Westerse koloniale en industriële machten.”[ii]Bovendien sloot de inhoudelijke keuze voor de zaak Dutroux perfect aan bij de inherente machtsrelatie van het werken met kinderen: “Theater met kinderen voor volwassenen komt –op een artistiek niveau en uiteraard metaforisch gesproken- overeen met wat pedofilie is in een menselijke relatie. Het is geen wederzijds verantwoordelijke liefdesrelatie, maar een eenzijdige machtsrelatie, waar het zwakkere deel, de kinderen dus, het gewoon moeten ondergaan.”[iii]

Five easy pieces

Zoals de titel doet vermoeden is de voorstelling opgedeeld in vijf hoofdstukken, naar analogie met de korte pianoleerstukken die Igor Stravinsky honderd jaar geleden componeerde voor zijn kinderen. En naar analogie met de leerstukken van Brecht uit de jaren dertig. Elk hoofdstuk heeft een titel, afwisselend verwijzend naar de zaak Dutroux (Alone in the night), de specificiteit van het werkproces (Wat is acteren?), en uiteindelijk naar het ineenhaken van die verschillende sporen (Essay over onderwerping en Wat zijn wolken?).

Op scène staan Rachel (8), Maurice (13), Pepijn (13), Willem (10), Polly (10), Elle Liza (12), Winne (11) en Peter Seynaeve als coach/begeleider. In een korte proloog in verhoor-stijl maken we kennis met elk van de zeven kinderen. Seynaeve vraagt hen naar hun talenten (zingen!, accordeon!, piano!, dansen!) en eigenaardigheden (‘Ik heb de lever van een dood kind’, zegt Winne trots). Reeds in die eerste tien minuten doen de kinderen een aantal uitspraken van formaat over theater, de dood en vrijheid, zij het steeds met een gecalculeerde lichtvoetigheid. De sfeer zit goed, de mensen lachen. Er is zelfs applaus.

Het eerste hoofdstuk begint met de onafhankelijkheidsverklaring van Congo, die wordt (na)gespeeld door een aantal volwassen acteurs op een scherm. De kinderen spelen op hun beurt de acteurs na. Hun bewegingen zijn net te laat, hun lippen net out of sync. In die verdubbeling toont het toneelspel zich als schalks kinderspel en de regie zich als geheel van opgelegde afspraken. Weten deze kinderen wat ze aan het zeggen zijn? Kennen ze de reikwijdte van de iconische gebaren die ze gretig na-apen? Of is het enkel een spel, en daardoor net des te gruwelijker? Of in de woorden van Peter Seynaeve: “Theater is niet altijd eerlijk, Rachel, theater is wreed.”

Het is die ambiguïteit waar Five Easy Pieces de hele voorstelling mee speelt: de vermeende authenticiteit van de kinderen wordt in scène gezet, materiaal uit het repetitieproces wordt gethematiseerd, de kinderen zijn zichzelf, spelen zichzelf en hun eigen doodsoorzaak. Met veel spelplezier doen ze de acteurs op het scherm na en maken ze ‘echte’ mensen uit de zaak Dutroux tot theaterpersonages die hen gaandeweg steeds dichter op de huid zitten. Wat aanvankelijk begint als een grotesk rollenspel, doorspekt met tekstboekvoorbeelden van Brechtiaanse vervreemding, wordt naarmate de hoofdstukken elkaar opvolgen steeds wranger en naturalistischer. En dat alles onder het toeziend oog van een camera, bediend door Seynaeve. Het levert bloedstollende ‘oefeningen in acteren’op: Maurice in de zetel als vader Victor Dutroux, met teveel schmink en een vet aangezette raspende hoest. En kleine, breekbare Rachel in haar onderhemdje op een rafelige matras. Ze speelt Sabine die de brieven voorleest die ze aan haar ouders schreef in de kelder van Dutroux. Seynaeve becommentarieert haar spel, zij vergeet haar tekst. De hapering in haar stem en de stiltes in haar tekstzegging zweven tussen technisch mankement en rauw drama. Of nog: Pepijn en Polly op de zetel als de ouders Lejeune op de avond van het fatale telefoontje, close-up voor de camera van Seynaeve en tegelijkertijd geprojecteerd op het scherm achteraan de scène. Seynaeve reikt Pepijn zelfs een tear stick aan wanneer het huilen niet meteen lukt. Ondanks de minutieus gekozen vervreemdingsmanoeuvres wordt het steeds stiller in de zaal. Een dergelijk diep-menselijk verdriet dwingt identificatie af, willens nillens. Of rillen we om het gemak waarmee dit trauma zich tot verhaal laat maken? Om de vaardigheid waarmee Rau het traumatische gat -dat de affaire Dutroux in onze collectieve verbeelding sloeg- tracht te helen terwijl hij tegelijkertijd de perversiteit van die helende identificatie blootlegt?

Brecht en het leerstuk

Het Duitse, oerdegelijke decorontwerp van draaiende sets-op-de-set, de helder leesbare en intelligente dramaturgie, het buitelende spel van documentair materiaal en meta-fictie, van identificatie en vervreemding, een strakke Peter Seynaeve en de bijna mathematisch-ordenende inzet van Satie’s Gymnopédies. Dit is straf, goed gemaakt theater. Rau weet ten allen tijde perfect wat hij doet. De regie voelt vaak als een keurslijf waarin die kleine lichamen zich moeten schikken, maar ook dat klopt perfect met de thematiek van macht en pedofiel geweld. Het is bijna irritant, want zo’n sluitend en perfect systeem. En dat is misschien ook wat we Rau aarzelend kunnen aanrekenen: Five easy pieces geeft haar geheim finaal niet prijs, want uiteindelijk stelen niet de kinderen, noch een ‘politieke’ kruising van de slim uitgezette dramaturgische lijnen de show, maar de regie. Die regie is redelijk geniaal, maar bevestigt constant zichzelf en spreidt zo haar eigen genialiteit tentoon. Ze incorporeert elk tegenargument, elke hapering en slorpt elke mogelijke ruimte op waarin ik mij als toeschouwer kan en mag bewegen. En dat is toch frappant voor een voorstelling die bewust de emanciperende mechanismen van het Brechtiaanse leerstuk inzet. Ik vraag me af wie hier iets moet leren, wie er aangespoord wordt om zich te emanciperen? En waarvan? Brecht schreef daar zelf over: Het leerstuk leert doordat het gespeeld, niet doordat het gezien wordt.”[iv] Het is dus niet bedoeld voor een publiek van toeschouwers, “maar enkel en alleen voor de paar jonge mensen die de moeite nemen om het in te studeren. Ieder van hen moet telkens van rol verwisselen en achtereenvolgens de rol van de aangeklaagde, de aanklager, de getuigen, de rechter innemen. Zodoende kan iedereen zich voor de discussie oefenen (…).” [v]

Nu is Five easy pieces natuurlijk geen echt leerstuk, maar een theaterproductie van Milo Rau en het International Institute of Political Murder. Een voorstelling ook die in première ging op één van de meest prestigieuze theaterfestivals van Europa. Voor een publiek dus. De vraag blijft dus: waarin schuilt de politieke kracht van deze voorstelling? Er wordt vaak beweerd dat de koppeling van het persoonlijke (het leven van Marc Dutroux en zijn slachtoffers én het leven van de kinderen op scène) aan het breder maatschappelijke (het Belgische koloniale verleden en het geweld van het regisseren) Rau’s voorstellingen politiek maakt. Maar die koppeling blijft anekdotisch en de poging tot het verbinden van micro- en macro-niveau voelt (net zoals in The Civil Wars trouwens) gekunsteld aan.

Waarschijnlijk was dit een leerrijke en mogelijks zelfs emanciperende ervaring voor de kinderen op scène. Maar de zichzelf bevestigende regie weet te veel. De voorstelling wordt daardoor zelf een leerstuk op meta-niveau: een meesterlijke stijloefening van een regisseur die zich de werking van de leerstukken van Brecht heeft eigen gemaakt. Five easy pieces stelt het kijken en het regisseren zodanig centraal dat de pedagogische relatie niet enkel wordt gelokaliseerd in de verhouding regisseur-kinderen, maar ook in de verhouding regisseur-publiek. En daarmee veroordeelt Rau niet alleen ons, maar ook zichzelf tot een positie waarin verbeelden (‘theater maken’) geen actieve handeling is, maar een passief spel van kijken en bekeken worden. Daaruit vloeit een voorstelling voort die de melancholieke staat opmaakt van een zieke natie die haar kinderen laat opgroeien in een wereld die lijdt aan zichzelf. En de volwassen kijken toe, wat kunnen ze anders.

Gezien op 14 mei in Théâtre Varia in het kader van het Kunstenfestivaldesarts

 


[i] Milo Rau in gesprek met dramaturg Stefan Blaske, programmaboekje Kunstenfestivaldesarts 2016, p. 6.

[ii] Milo Rau in gesprek met dramaturg Stefan Blaske, programmaboekje Kunstenfestivaldesarts 2016, p. 6.

[iii] Milo Rau in gesprek met dramaturg Stefan Balske, programmaboekje Kunstenfestivaldesarts 2016, p. 7.

[iv] Brecht, B. Over de theorie van het leerstuk, 1938. In: Theatereksperiment en politiek 1972: 37.

[v] Brecht, Bertolt. ‘Gesprek over “Die Massnahme”.’ 1956. In: Theatereksperiment en politiek 1972: 38.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

Bauke Lievens

Bauke Lievens is dramaturge en circusmaker. Tevens is ze verbonden als docent en onderzoeker aan de Opleiding Drama van KASK School of Arts en is ze
 lid van de grote redactie van Etcetera.