Etcetera Magazine. Tijdschrift voor podiumkunsten.

Michiel Deprez / Rob Smorenberg & Fabián Santarciel de la Quintana

Piste (Michiel Deprez)

Michiel Deprez / Rob Smorenberg & Fabián Santarciel de la Quintana

Bauke Lievens

Wat de dingen kunnen, een circus-étude

Piste, Michiel Deprez – gezien 28/07 TAZ

 Een zaag, vijsmachine, ladder, stofbril, een paar emmers zaagsel en vier oude radio’s. De kleine cirkelvormige piste van de onlangs aan ACaPA (Tilburg) afgestudeerde jongleur Michiel Deprez lijkt wel een bouwwerf. Maar schijn bedriegt, zoals zo vaak in het circus. Met een minimum aan theatrale middelen transformeert Deprez de rommelige bric-à-brac esthetiek van het begin in een meditatieve ruimte. Hij lijkt plots een rijzige sjamaan in trainingskleren wanneer hij zaagsel verkruimelt van bovenop een verrolbare ladder. Stof wolkt op, op de grond vormen de wielsporen van de ladder een tweede cirkel in de cirkelvorm van de piste. Wanneer beide emmers leeg zijn, markeert Deprez vier kardinale punten met een hoopje zaagsel op de vloer. Vervolgens verbindt hij die punten, eveneens met zaagsel- en tekent zo een derde cirkel net voor onze voeten. Het doet denken aan hoe traditionele circussen een terrein markeren: op de grond wordt met houtschilfers aangeduid waar de piketten moeten komen. Zo thematiseert en deconstrueert Piste verschillende iconische elementen die we vaak associëren met het circus. Deprez jongleert niet met ballen of kegels maar met zaagsel dat tussen zijn vingers door glipt. Voor de grande finale waarin hij vijf aan touwen hangende betonnen kogels manipuleert doet hij een groen glitter jasje over zijn trainingstrui aan. Hij wandelt in en uit de cirkel, vraagt geen applaus maar kijkt ons recht in de ogen, gaat tussen het publiek zitten en kijkt samen met ons naar de ‘grande finale’ van de natuurwetten. De dramaturgie is die van de cirkelvorm: de soundscape, de publieksopstelling, de door de toeschouwers bediende lampjes die de cirkel verlichten, Deprez’ choreografie en het traject van zijn betonnen kogels – alles beschrijft dezelfde cirkel. Piste is zo zowel kwetsbaar, open als glashelder. Het lijkt een étude én een manifest van een jonge circusartiest die het duidelijk anders wil: in het circus van Deprez wordt niet het individu en diens virtuositeit en controle over het object gevierd. Nee, dit is een ‘bescheiden’ circus dat op zoek gaat naar wat misschien wel een meer hedendaagse verhouding is tot de dingen die ons omringen. Hier staat niet de circusartiest zelf centraal maar wel de co-existentie van mens en object. Zo is Deprez’ Pistegeen arena maar eerder een ruimte waarin we samen mogen kijken naar hoe iets beweegt en bewogen wordt. 

 

Kokette kwetsbaarheid

Onbenoembaar, Rob Smorenberg & Fabián Santarciel de la Quintana – gezien 28/07 TAZ

 

Een vierkante ruimte met het publiek aan vier zijden. Fel licht, jazzy muziek. Smorenberg en Santarciel verwelkomen ons, frunniken wat aan het mengpaneel en nemen elk hun plaats in achter een micro. Op scene staan twee grote speakers, één met een verdord plantje er bovenop. Verder een stoel, een rugzak en een fles water. Het heeft iets van een huiskamer, maar ook van een boksring. Beide performers vertellen schijnbaar willekeurige anekdotes waarin de samenhang zich pas na een minuut of twintig laat ontwaren. Ze spreken over hoe ze verschillen, hoe ze specialer zijn dan de ander, wat ze gemeen hebben (afkomst, achternamen, hun vaders en moeders, de buurt waar ze wonen in Amsterdam, wat ze vroeger wilden worden). Het gebruik van tekst wordt gethematiseerd (‘ik ben niet goed met tekst, ik ben een mimespeler’) en visitekaartjes van het duo Smorenberg/Santarciel worden rondgedeeld. Ook spelmatig flirten de heren met een bepaalde meta-theatraliteit: de kleinmenselijke anekdotiek wordt overtuigend ondersteund door een transparant spel dat lijkt te balanceren tussen score en improvisatie. De luchtige toon kantelt en een gevoel van competitie installeert zich. Niet alleen wat beide mannen vertellen maar ook het vertellen zelf (‘het performen’) wordt een wedstrijdje in uniciteit. Ook de toeschouwers lijken zich steeds minder op hun gemak te voelen naarmate de anekdotes intiemer worden en de spelers zichzelf steeds dichter op de huid komen te zitten. Het toneel toont zich als perverse kijkdoos en wij voelen ons een beetje beschaamd om ons kijken. Hoogtepunt van die plaatsvervangende schaamte (of het bewustzijn voyeur te zijn) is het moment waarop Smorenberg ons een litteken toont op zijn onderbuik dat hij overhield aan een preventieve teelbalverwijdering. Alsof dit moment (met het litteken voor iedereen zichtbaar) bevestigt dat al het vorige waar en echt was. Jammer genoeg slagen beide performers er (nog?) niet in om die spannende performativiteit consequent door te voeren. Wat volgt zijn een aantal handelingen die eerder refereren aan de traditie en esthetiek van performance art (tape, condooms, naaktheid, opengesmeerd voedsel, tandpasta op een paar billen, gay aerobic dance) dan aan iets wat we aan hen persoonlijk kunnen verbinden, of dat iets verborgens van hen openlegt. Het wordt als het ware een soort stijloefening in ‘realness’, waardoor de ironie nooit veraf is. Het licht wordt gedimd, het wordt terug stil en er lijkt zich een catharsis te moeten voltrekken. De schriftuur lijkt te suggereren dat de ‘echte’ kwetsbaarheid van de performers zich hier bevindt. Maar daarvoor zijn beiden te zelfbewust. Te koket. Dat is natuurlijk de paradox van het verlangen naar authenticiteit: slechts in de blik van de ander worden we echt onszelf.