Michael Bijnens: Bloedspoor / O Falso Profeto / Iris

Op Theater Aan Zee toonde de net aan het RITS afgestudeerde Michael Bijnens het zelfgeschreven drieluik Bloedspoor / O Falso Profeto / Iris: twee monologen en een film. De voorstelling speelde in de Sint-Jozefskliniek, maar niet het hospitaal, wel de ondergrondse gangen doen dienst als setting voor zijn tocht door de krochten van de samenleving.

Eerst worden de toeschouwers naar een half verdoken parking annex kelderruimte geloodst. Dozen doen er dienst als zitplaatsen. Vanuit het duister, met enkel wat rood licht en de gloed van het tv-scherm dat naast hem oplicht, begint Michael Bijnens aan Iris, het eerste deel. Aarzelend. Zijn tekst aflezend van een stapeltje papieren in zijn hand. Het titelpersonage Iris is een luxe-hoer en vriendin van zijn moeder. Over haar leven en werk gaat de tekst. En over hoe hij Iris en haar milieu drie weken lang probeert te filmen. Tot zijn moeder hem met een onverwachte, nachtelijke autorit uit dat (haar) prostitutiemilieu weghaalt om hem voor mogelijke wraakacties en ander onheil te behoeden. Hij omschrijft die escapade als een rit door een onderaardse tunnel waarbij de wereld ‘volledig vacuüm [lijkt] getrokken. De lucht niet vervuild, zelfs niet door één enkel atoom, in zekere zin is zij afwezig. De buitenwereld is koud en gelaten. Onschuldig. Volstrekt onschuldig.’

Met een bevreemdende lichtheid en nuchtere humor vertelt Bijnens het verhaal van Iris, een hoer die eveneens blijft geloven in haar eigen onschuld. Zit het kwaad in de mens? Of in de omstandigheden? Via Iris zoekt hij een antwoord op die vraag. Terwijl hij praat, flikkert het tv-scherm naast hem onophoudelijk. Onsamenhangende beelden – net geen close-ups – van de dijen en heupen van een vrouw, van zwarte netkousen, van een stuk kanten ondergoed, van de rand van een bad (of was het een toilet?) worden afgewisseld met lange slierten snelwegverlichting, clandestien gefilmd vanuit de auto.

Net zoals die beelden blijven bewegen, nooit volledig inzoomen of uitzoomen tot ze een globaal beeld zouden kunnen schetsen, kiest Bijnens er bewust voor om bepaalde scènes en dialogen sterker uit te werken dan andere zonder een breder kader te creëren dat alles verduidelijkt. De gebeurtenissen spelen zich af in en rond een obscure villa in Stekene en in nachtclub Cinderella, maar het had om het even welk gelijkaardig etablissement aan om het even welke Vlaamse steenweg kunnen zijn.

De grens tussen wat echt gebeurd is en wat niet, wat autobiografisch is en wat hij uit literair of theatraal oogpunt uitvergroot, laat hij in het midden. Die subtiele grens tussen fictie en werkelijkheid tast hij zowel in zijn tekst af als in zijn spel dat subtiel wisselt tussen de geënsceneerde auteurslezing, de autobiografische getuigenis van een man die over zijn wedervaren in de Cinderella vertelt, en de jonge performer die weet welke rol hij speelt maar dat nog wat schoorvoetend doet.

Het resultaat is een monoloog waarin je langzaam toegang krijgt tot een wereld waar zowel warmte en intimiteit bestaan tussen moeder en zoon, maar waar de donkere onderbuik van de samenleving zijn tol eist. De rauwheid en brutaliteit, de andere wetten, en zelfs de wetteloosheid die er heersen lijken bij Michael Bijnens een parallel universum. Maar dan wel een parallel universum waarvan hij de kijker opnieuw duidelijk maakt dat het tastbaar dichtbij is. Het speelt zich allemaal onder onze neus af. En: ‘Niemand is onschuldig. Niemand niet.’

Beduusd en licht op hun ongemak komen de toeschouwers weer buiten. Zowel toon als onderwerp zijn weinig gebruikelijk in jong werk. Een andere gang leidt naar een verholen, ondergrondse parking waar een projectieruimte is geïmproviseerd. De projector floept aan, maar het beeld blijft zwart. We horen stadsgeluiden, geruis van water en een stem die in het Portugees oproept om te worden als een kind dat nog geen slechtheid kent.

De eerste beelden zijn die van Bijnens die als een Christusfiguur een kind het water in draagt, als wilde hij het dopen. Hij citeert bijbelteksten als een volleerde prediker. Waar hij dat geleerd heeft, wordt snel duidelijk: je ziet hem in een cursus ‘preaching’. We zijn in Brazilië. Naast deze evangelische kerken bezoekt de jonge maker er favela’s waar hij zowel zijn preekkunsten oefent (in het Portugees!) onder het kritisch oog van de plaatselijke bewoners, als er met hen praat over de liefde, de zin van het leven en het geloof. Het is een documentair portret van enkele bewoners die in barre omstandigheden de hoop op een beter leven en hun geloof in god niet zijn verloren. Die hoop en vooral dat onwrikbaar geloof in een god die hun bestaan onder een dak van spaanplaten duidelijk vergeten is, doet Bijnens in een toorn ontsteken die zijn gelijke niet kent. O Falso Profeto sluit af met Bijnens die als een echte prediker een litanie afsteekt. Hij predikt evenwel niet vóór God maar hij bidt voor een queeste tégen God, als bron van alle kwaad. Gedreven door een innerlijk vuur zweert hij, ingehouden, een levenslange strijd aan te binden om Hém uit te roeien. Dat goddelijk vuur en dito dimensies die Bijnens zichzelf in deze film aanmeet, roepen reminiscenties op aan Klaus Kinski in de films van Werner Herzog, aan de figuur van Schlingensief en aan Renzo Martens in Enjoy Poverty. Zo krijgt O Falso Profeto bij momenten de allure van een prille auteursdocumentaire waarin Bijnens met de bijbel in de hand op zoek gaat naar de bron van goed en kwaad. Hij geeft zichzelf er een prominente plaats in als interviewer en als personage maar dat belet hem niet om enkele favela-bewoners, wiens vertrouwen hij duidelijk gewonnen heeft, zonder een greintje misplaatst medelijden te portretteren. Meer nog, hij laat hen indirect de vraag beantwoorden of het kwade in de mens dan wel in de structuren zit.

Opnieuw verhuizen de toeschouwers naar een ander stukje kelder waarvan een hoek van boven tot beneden volgeplakt hangt met papieren. Je waant je even in A beautiful mind, de film van Ron Howard over een geniale wiskundige die langzaam schizofreen wordt en in een eindscène belaagd wordt door zijn talloze mathematische berekeningen.

Bladzijden volgekrabbeld met data, namen, stambomen, sterfdata en foto’s hangen er op en naast elkaar. Net als de eerste solo lijkt ook Bloedspoor, het laatste deel van dit drieluik, klassiek teksttheater, maar het gaat telkens om een mix van een klassieke monoloog, een tv-thrillerscenario, en een vorm van gefictionaliseerd documentair theater. In Bloedspoor legt Michael Bijnens meer familierelaties bloot. Tegelijk suggereert hij chronologische linken en verwijst hij in zijn tekst naar onopgeloste moorden, afrekeningen en dubieuze gebeurtenissen uit de Belgische politiek van de laatste decennia, zoals de Bende van Nijvel. Vernuftig verweeft hij autobiografisch materiaal met het collectief geheugen van dit land – publieke en persoonlijke getuigenissen van kleine en grote misdaden – resulterend in de vraag: wie zijn nu de echte criminelen in al deze verhalen? Zit het kwade in het systeem of in het individu? Onopvallend en nergens moraliserend kaatst hij de bal terug: wat is onze verantwoordelijkheid als individu dan?

Eind juni stond Michael Bijnens met zijn eindejaarsvoorstelling La Linea samen met enkele andere RITS-projecten in de Kaaistudio’s. Met deze theaterthriller, geïnspireerd op het drugsmilieu in Mexico, werd duidelijk dat deze net afgestudeerde dramastudent een interessante nieuwe stem binnen het theaterschrijven is, die zijn eigen teksten sober weet te ensceneren. Bloedspoor / O Falso Profeto / Iris toont dat hij de rol van auteur durft te combineren met die van performer, dat hij zowel theater als film maakt, en dat hij er niet voor terugschrikt zichzelf meteen mee te regisseren in beide mediums. Met dit drieluik gaat Bijnens, weliswaar aarzelend, voor zijn eigen universum en hij neemt er meteen ook alle rollen op zich. Faut le faire. Hij won de SABAM-theaterschrijfprijs op Theater aan Zee voor de teksten uit dit drieluik. Hopelijk blijft hij die andere rollen (regisseur, performer, filmer, interviewer, …) eveneens uitproberen, want daarin toont hij zich grillig, eigenzinnig en weet hij een diep gevoel van onbehagen te creëren.

Deze tekst is verschenen in Etcetera 134 (september 2013).

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

Karlien Vanhoonacker

Karlien Vanhoonacker werkt als artistiek coördinator voor de Pianofabriek Kunstenwerkplaats in Sint-Gillis, en is artistiek adviseur voor Spring International Performing Arts in Utrecht.