Maxim Storms – Brother Blue

Wat Maxim Storms in zijn solo Brother Blue presenteert zou je een ‘theatraal psychogram’ kunnen noemen: een mentaal canvas dat is samengesteld uit brokjes taal, geluid, dans, licht, ruimte. Dat patchwork, een bijeengescharreld geestesportret, valt langzaam uiteen tot een staat van zelfverlies.

Storms, vijf jaar geleden afgestudeerd aan het Gentse KASK, slaagt erin het banale spannend te maken, alleen al door de manier waarop hij zijn lichaam in de ruimte positioneert. Sleutelbeeld in Brother Blue is het moment dat hij aan de rand gaat staan van de enorme ‘schans’ die van op de grond van de zaal tot in de nok reikt – het is zijn enige decorstuk trouwens, deze ‘ijsschots’. Met dat kleine, beweeglijke lichaam van hem helt hij voorover, tot voorbij de rand, daar waar stabiliteit verdwijnt en de mens aan het glijden gaat richting niemandsland. Het is het enige ‘verhaal’ dat Brother Blue vertelt: dat van een mentale realiteit die verkruimelt, gefragmenteerd raakt, tot de protagonist zichzelf niet meer vertrouwt. O ja, en er is een concrete aanleiding: iemand heeft zijn staart gestolen.

Bij aanvang staat Storms zelf te kijken naar wat hij zijn ‘bad mountain’ noemt, de blauwwitte ijsschots die lijkt op te lichten in het ochtendgloren. Hij draagt een donkere pruik, zijn gezicht is blauw geschilderd en op zijn borst draagt hij een borstschild waarop hij ritmisch slaat met een stok. Hij trippelt het witte vlak op, als een pauwtje parmantig zijn staartveren achter zich aan wapperend. Zijn lichaamstaal is een hybride kruising van mime, clownerie, commedia dell’arte en butoh – vast staat dat het een geritualiseerde lichaamstaal in, waarin elke emotie (verlegenheid, opwinding, verslagenheid, woede) op een extreem expressieve manier wordt veruitwendigd. Ook de klanken die hij uitstoot krijgen haast vorm, het zijn ei zo na klankbeelden – je ziet de ronde ‘o’ die hij uitstoot zo in een tekstballonnetje boven zijn hoofd zweven.

Ritme is de hartenklop van Brother Blue. Storms speelt in op de korte soundbites van een klankband, maar het is onduidelijk of dit sporadische gehamer en gezang zich in zijn hoofd dan wel in de ‘realiteit’ afspeelt. Het is rough footage, eenvoudige percussie en vocale geluidssnippers, door studiegenoot Linde Carrijn opgenomen in Storms’ badkamer en keuken. Maar de klank is meer dan illustratie, integendeel, ze functioneert als decor: samen met het lichtplan structureert de soundscape niet alleen de tijd maar ook de ruimte, in dit geval: het mentale landschap waarin Storms zich beweegt, en dat zich eigenlijk binnenin zijn hoofd bevindt. Als je erover nadenkt is het opmerkelijk hoe vanzelfsprekend Storms zich al deze disciplines toe-eigent, zonder er overigens meesterschap over te claimen: hij schrijft maar is geen schrijver, danst maar is geen danser, drumt maar is geen muzikant. Hij plukt als vanzelfsprekend uit de kunsten wat hij nodig heeft om te vertellen wat hij wilt vertellen.

Wat is dat dan? Van een plotje moet Brother Blue het inderdaad niet hebben, en dat maakt het werk van Storms (ook samen met kompanen als Lobke Leirens of Katrien Valckenaers) in deze babbelzieke tijden des te verfrissender. Het betekent uiteraard niet dat er niets gebeurt. Brother Blue is een traag verglijdende toestand, waarbij de vijand die zich voor de protagonist aanvankelijk ergens out there lijkt te bevinden (‘Something’s going on out there’) steeds meer gaat samenvallen met the enemy within. De oorlog die om hem heen zou woeden isoleert hem en vuurt de paranoia aan, het verlies van zijn staart bewijst dat ‘ze’ achter hem aan zitten. De terugkerende aanspreking ‘Dear brother’ roept even het beeld op van twee kleine jongens, verwikkeld in een te verregaande spelfantasie – maar die geruststellende interpretatie vervliegt snel. Als dit al kinderspel is, dan toch van het gevaarlijk volwassen soort: ‘Dear brother/The day got lost. We lost it all/Wind became fire/Fire became silence/Tell me/Who’s blood is it on my face?’

Er valt in die zin weinig te lachen met Brother Blue, al werd Storms in verschillende media de Vlaamse ‘Charlie Chaplin’ of ‘Buster Keaton’ genoemd. Die vergelijking gaat een beetje mank, omdat de typerende komische lichaamstaal bij Keaton en Chaplin een naïeve, mild-menselijke tragiek dient, maar niet de beangstigende wreedheid die in Storms’ performance huist. Bij momenten is het personage van Storms kwetsbaar en hulpeloos, maar lief is hij niet, en nog minder onschuldig – hij is, zo toont het beeld dat uiteindelijk als ‘uitsmijter’ fungeert, radicaal gevaarlijk. Storms’ verschijning is onmiskenbaar grappig, maar Brother Blue is dat niet, daarvoor draagt deze voorstelling te veel stil geweld in zich.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.