Voor we mensen werden (Bart Van de Woestijne)

Matthias van de Brul / Bart Van de Woestijne

Etcetera recenseert jong werk op Theater aan Zee! Vandaag: Jan Dertaelen over Matthias van de Brul en Bart Van de Woestijne.

Gebergte – Matthias Van de brul

Het moet een van de meest gespeelde personages in de theatergeschiedenis zijn, waardoor de vraag zich dan ook onvermijdelijk opdringt: waarom opnieuw Oidipous? Waarom kiest een jonge theatermaker voor een figuur die al ontelbare keren is opgevoerd, geïnterpreteerd, geherinterpreteerd en verder uit elkaar gerafeld? Valt daar nog iets nieuw over te vertellen? Matthias Van de brul bewijst dat de mythische verhaalstof nog niet is uitgeput. In een piepkleine, bloedhete Oostendse kelder brengt hij zijn hoogst persoonlijke en originele visie op de verdoemde Griekse held. Hij schreef een monoloog die aanvangt waar Sofokles afbreekt: luttele uren nadat Oidipous te horen heeft gekregen dat hij zonder het te weten zijn eigen vader heeft vermoord en met zijn moeder is getrouwd. Zijn hele wereld stort in, hij is niet de man die hij dacht te zijn, het noodlot heeft zich voltrokken.

Maar terwijl de Oidipous van Sofokles zichzelf vervloekt, alle schuld op zijn schouders laadt en zich de ogen uitsteekt, laat Van de brul een man aan het woord die probeert zich staande te houden. Hij aanroept zijn dode ouders en confronteert hen met hun daden: in plaats van hun pasgeboren kind te beschermen, hebben ze zijn dood goedgekeurd. Nadat het orakel het gruwelijke lot van hun zoon had voorspeld, hebben ze hem afgestoten en achtergelaten voor de gieren. Een trauma van jewelste.

Oidipous is hier niet de tragische klassieke held. Hij wordt plots een jongetje dat gepest wordt op de speelplaats, dat zich eenzaam voelt en een vader mist. Zo creëert Van de brul een complexe figuur die zich wentelt in onverwerkte jeugdtrauma’s . Het is de afwijzing door zijn ouders die aan de basis ligt van zijn miserabele lot. Maar hoewel hij zijn moeder niet kan vergeven, voelt hij tegelijk een innige liefde voor haar. En hoe grimmig zijn betoog ook mag zijn, toch spreekt er een grote tederheid uit jegens de vader.

Van de brul laat de mythische proporties van Oidipous krimpen tot er een kleine, menselijke figuur overblijft. Een man die angstig en onzeker is, verbitterd en gebroken. Een man van vlees en bloed waar we begrip en medeleven voor kunnen opbrengen. Een man die twijfelt tussen haat en liefde, gemis en afkeer, rancune en vergiffenis.

De scenografie is daar mooi op afgestemd: het minuscule podium en de karige belichting accentueren het bescheiden, menselijke formaat van deze Oidipous. Geen majesteitelijke tempeltrappen of indrukwekkende berglandschappen hier, maar de claustrofobische duisternis van het schuilhol waarin hij is weggekropen. Het eindbeeld is van een raadselachtige schoonheid: plots lijkt de ruimte zich te openen en zien we hem naakt zijn weg zoeken door een schemerig landschap. Kwetsbaar maar vastbesloten. Op de vlucht maar niettemin vrij. Misschien wel herboren?

Van de brul bewijst zichzelf niet alleen met zijn intelligente interpretatie van de verraderlijk complexe mythe, maar overtuigt ook door de levendigheid van zijn spel. Moeiteloos beweegt hij zich doorheen de grillige gemoedswisselingen van zijn Oidipous, zich daarbij uitlevend in een zangerige taal vol verborgen rijmen en ritmische accenten.

Voor we mensen werden – Bart Van de Woestijne

Het klinkt als een kinderlijk eenvoudige vraag: hoe zou het zijn om te leven als een dier? Maar iedereen weet dat daar geen antwoord op bestaat. Opgesloten in onze menselijke perceptie blijft de wereld van het dier voor ons verborgen. Toch onderneemt Bart van de Woestijne een opmerkelijke poging om ons begrip een beetje op te rekken.

Op de scène staat een kauwend paard tussen een paar bussels hooi. Het dier trekt zich niets aan van de nieuwsgierige blikken van het publiek. Het kijkt onverschillig voor zich uit en eet verder. Wanneer boven de scène een eerste zin wordt geprojecteerd, klinkt er dan ook instemmend gemompel. ‘Dit is een paard’. Gedurende een uur zal er niet meer gebeuren dan dit: het paard eet rustig verder, terwijl boven het dier een reeks opmerkingen, observaties en bedenkingen wordt geprojecteerd.

Met kleine, voorzichtige stapjes beweegt Van de Woestijne zich van het voor de hand liggende (‘dit paard heeft geen bezittingen’) naar het filosofische (‘dit paard voelt geen leegte’). Terwijl het paard onveranderlijk zichzelf blijft, begint er dankzij de subtiele boventiteling in ons iets te verschuiven. Het besef groeit dat er naast onze door de ratio beheerste wereld ook een andere wereld bestaat. Een wereld waarin al onze ideeën en woorden en concepten niet meetellen. Waarin de muziek van Vivaldi’s  De vier jaargetijden geen enkele betekenis heeft (zelden klonk ‘De zomer’ zo bevreemdend als tijdens deze voorstelling). En daar ligt de kern van de zaak. Want wie zich de vraag stelt wat het is om een dier te zijn, raakt onvermijdelijk aan de vraag wat het is om mens te zijn. We worden ons bewust van ons eigen bewustzijn, en hoe nutteloos, tragisch, prachtig en indrukwekkend het is om de wereld met ideeën en concepten te bevolken. In contrast met het paard dat ‘geen grote plannen heeft’, tekenen onze materiële en existentiële beslommeringen zich pijnlijk helder af. Je beseft dat ons bewustzijn tegelijk een zegen en een vloek is. Hoe hard je het soms misschien zou willen, aan ons eigen denken zullen we nooit kunnen ontsnappen. En hoe graag we de dingen ook een naam geven, zelf blijven ze er volstrekt onverschillig voor.

Voor we mensen werden is een voorstelling die baadt in rust en traagheid. Er wordt uitgebreid de tijd genomen om ideeën te laten openbloeien en inzichten te verdiepen. Het is een onmogelijk gedachte-experiment met een duizelingwekkende impact. Daarbij verhindert de fysieke aanwezigheid van het paard dat het denken naar een te abstract niveau zou stijgen. Want uiteindelijk staat daar de grazende werkelijkheid, ‘ondoorgrondelijk, en toch zonder geheimen’.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Jan Dertaelen