Abattoir Fermé, ‘A Brief History of Hell’ ©Stef Lernous

Maak alleen wat je écht wil maken

Een statement voor het nieuwe theaterseizoen

1. Ik was zestien toen mijn beste vriendin Ingrid me de waarheid vertelde. Ik was er niet klaar voor en vond wat ze zei hard en choquerend. Het schudde mijn hele zijn door elkaar omdat ik wist dat ze gelijk had. ‘Niet iedereen kan je vriend zijn.’

Ik was een behoorlijk nerdy puber en heb toen, als reactie, adreskaartjes laten printen met daarop ‘parttime gynaecoloog’ en ‘vriend’. Het eerste was een grap, ‘vriend’ was welgemeend. Wanneer ik iemand in de kleine Mechelse gemeenschap een visitekaartje gaf, bleek de grap aan te slaan, maar zodra ze ‘vriend’ lazen werd ik ‘die rare dikke’. Een paar maanden later heb ik de kaartjes de vuilbak ingepleurd.

Twintig jaar geleden ben ik theater beginnen maken.
Na de eerste vijf jaar ging ik wat eten met Marleen, die me het tweede beste advies gaf dat ik ooit van iemand heb gekregen. Het is een credo dat ik in een nepkoperen plaatje heb laten etsen en in de bovenste lade van mijn bureau heb geschroefd. Marleen zei: ‘Maak eens iets
dat je echt wilt maken.’ In alle eenvoud ligt daar de wapenspreuk van elke kunstenaar.

De voorstelling die ik toen heb gemaakt, heet Moe maar op en dolend. Een stuk zonder tekst over een man die in een berghut woont, samen met een meisje die in een hele kleine koffer slaapt. Een vrouw maakt graag een berg van klei aan tafel. Het meisje uit de koffer komt op auditie en mag in de berg wonen. De man houdt van auto-asfyxie en pakt zijn hoofd in met plastic. Er is veel witte talk op scène. De soundscore is een donker soort drone. Het was een bijwijlen macabere voorstelling die grotendeels de beeldtaal van Abattoir Fermé heeft bepaald en anderen blijft inspireren.

2. Toen ik met toneel begon, dacht ik dat het hele theaterveld een gesprek had met elkaar. En dat we niets anders gingen doen dan samen maken, maken en maken én daarnaast praten over maken. Over acteren, over wat licht is en wat decor kan zijn, over hoe je maakt en waarom je dat zo doet. Over kunststromingen, over lijnen en kleuren en woorden, over het groteske en het hyper-reële, over poppen, maskers en over eten. Over hoeThomas Bernhard overroepen is enTsjechov nog steeds fantastisch, over dat Dürrenmatt niet langer te spelen valt en over waarom er zo weinig metTopor wordt gedaan. En over dit of dat obscure stuk dat nooit is opgevoerd en wat als we nu eens dit zouden durven doen en is het geen idee dat…?

Ik moet bekennen dat ik zulke gesprekken de afgelopen twee decennia zelden intens heb gevoerd. Wanneer ik wat te ver buiten de lijntjes durf te kleuren – richting magie, bezweringen, bijgeloof, de plek waar ideeën vandaan komen of de werking van meditatie – dan zie ik collegae ongemakkelijk worden en wat knikken en word ik weer ‘die rare dikke’. Een écht gesprek blijkt niet meer mogelijk omdat we niet langer dezelfde taal spreken.

3. De maker, de raap, de muzikant, de decorbouwer, de lichtontwerper: ooit deelden ze eenzelfde taal. Die taal van de kunst, van het voelen. Het is een rijke taal met interessante dialecten die, op haar best, universeel is. Een taal van beelden, klanken, symbolen en bewegingen die niet in de actualiteit, maar naast de zorgen van de wereld staat, en er tegelijkertijd tegen opgewassen is. Het is een cultuuroverschrijdende communicatie die we elkaar terug moeten aanleren. Het verwerven ervan is een werk van lange adem – een jargon dat je gaandeweg, al lerend moet veroveren.

‘Magie’ wordt in de vroegste beschrijvingen ‘de kunst’ genoemd. Om magie te kunnen beoefenen, moet je een taal veroveren: je leert de kunst om symbolen, beelden of woorden naar je hand te zetten. Een spreuk is het manipuleren van een reeks woorden om tot een verandering van bewustzijn te komen.

In onze tijd is het de artiest of kunstenaar die het dichtst in de buurt komt bij wat een magiër of sjamaan ooit was. Maar sinds de verlichting zijn we ons gaan afzetten tegen het spirituele, en samen met de snelheid waarmee de laatste twintig jaar informatie wordt gewonnen, ontstaat het gebrek aan een capaciteit om die data betekenisvol te verwerken. We zien de kracht niet meer die inherent is aan een ‘spreuk’, en onderschatten de mogelijke impact van het kunstwerk, dat (wanneer het goed is uitgevoerd) het bewustzijn van de toeschouwer transformeert.

Bij vele makers is een beeld ontstaan dat schrijven en theater maken vormen van entertainment zijn, verdoving waarmee we een uur de tijd vullen en een publiek onderhouden.Te veel werk dat vandaag wordt geproduceerd, is van korte adem: het mist kaders, subtekst en diepte. Mettertijd is de afstand tussen ‘wat er gezegd wordt’ en ‘wat er niet gezegd wordt’ nauwer geworden en blijft jammergenoeg vaak die eerste laag over.

Ook een begrip als ‘geëngageerd zijn’ heeft andere beteke- nissen gekregen. Ik heb het gevoel dat we daar kleine pleis- ters op gapende wonden aan het plakken zijn – door politiek correct te willen zijn, door vlakke voorstellingen te maken over weliswaar urgente problematieken, door opdrachten in te kleuren die ‘van bovenaf’ worden ingegeven. Maar ‘maken wat je écht wilt maken’ impliceert dat je je tijd niet moet verdoen aan iets dat je niet echt wilt maken.
En: iets wat je écht wilt maken, moet ook écht steengoed zijn. Daar ligt de essentie, het belang, de verantwoordelijkheid en de lat, zowel voor jonge als ervaren makers.

4. Ik geloof sterk in de individuele begeleiding van jong talent, want zij zijn de toekomst. Dat doe je stap voor stap, en zolang als nodig. Elke maker heeft zijn eigen tempo, maar dat tempo ligt meestal heel wat lager dan wat de logica van het podiumkunstenveld vandaag dicteert; waar vroeger drie maanden repetitietijd de norm was, is dat nu vaak zes weken.

“Te veel werk dat vandaag wordt geproduceerd, is van korte adem: het mist kaders, subtekst en diepte.”

De eerste stap van begeleiding is aan een jonge maker duidelijk maken dat ze niet in de mal(lemolen) hoeven te passen.Talent, devotie en tijd zijn de parameters, niet de vraag of een maker in dit of dat format past. Begeleiding betekent dus niet: binnenstappen op een toonmoment, feedback geven en een week later nog eens gaan kijken. Niet: presentatieplekken die elk hun eigen nouveauté willen die liefst een regelmatige output genereert.

5. Het is in de dialoog met een publiek dat kunstenaars de moed vinden om nieuwe, interessante en spannende stukken te maken. Het is niet aan de artiest om het publiek (laat staan een overheid) te geven wat het wil. Als het publiek zou weten wat het wil, dan was het zelf kunstenaar.

Ik ben ervan overtuigd dat wanneer je een publiek het vertrouwen geeft dat het oké is om de formats los te laten die hen decennialang in de strot zijn geduwd, dat het publiek ‘mee’ is met voorstellingen die verder of dieper gaan. Met stukken die zich bedienen van een combinatie van middelen die ongezien of ongehoord is, zodat toeschouwers en culturen tot ver over ‘s lands grenzen met open mond en ogen zitten te kijken naar what-the- fuck-is-me-dat-nu-weer. Waar men dingen voelt uit een verleden of waarbij iets wordt aangeraakt wat tot dan onaangeroerd is gebleven. Daar begint het: in een staat van onthutsing waarin je niets verstaat maar veel begrijpt, en waarin je je opgetrokken muren even laat vallen.

6. Nog steeds hoop ik vrienden met iedereen te zijn. Als artiesten samen aan hetzelfde zeel trekken, zijn
er geen grenzen aan wat we kunnen realiseren. Dit is een uitnodiging om voorbij de persoonlijke project- of trajectbevraging te denken. Om dieper te graven naar de kern van wat het betekent om kunstenaar te zijn

en om in dialoog te gaan en te blijven met elkaar,
met een nieuwe generatie makers en met een publiek. Door alleen te maken wat je écht wilt maken.

statement
Leestijd 5 — 8 minuten