© Sébastien Hendrickx

‘Kunst zou een machine kunnen worden die situaties genereert’

Jan Ritsema: een dartele anarchist van in de zeventig

In 2005 kocht de Nederlandse regisseur Jan Ritsema een oud klooster in een afgelegen Frans dorpje en richtte er het Performing Arts Forum (PAF) op. De residentieplek groeide uit tot een belangrijk kruispunt voor podiumkunstenaars, schrijvers en filosofen, en met een duizendtal residenten per jaar tot een van de meest grootschalige experimenten in artistieke zelforganisatie. Recent opende Ritsema een nieuwe plek in de Estse bossen: Massia. ‘Daar hoef ik niets maar kan ik alles.’  

De opstartfase van Massia doet Jan Ritsema terugdenken aan de begintijd van PAF, nu 12 jaar geleden: “Toen ik het klooster kocht, was ik 60 jaar. Alleen zou ik het nooit hebben gehaald, daarvoor was het veel te groot, maar liefst 6.500 vierkante meter; we werkten bovendien zonder subsidie. Bojana Cvejic stelde voor om al onze collega’s uit te nodigen en samen na te denken over wat we met het gebouw konden doen. Een dertigtal mensen kwam daar toen op af, tussen Kerstmis en Nieuwjaar.”

ETC Van bij het begin wilde het PAF meer zijn dan louter een goed geoliede artistieke residentieplek. Wat was jullie ambitie?

Jan Ritsema: We zagen het als een politiek experiment en beslisten geen selectiemechanisme te hanteren: iedereen die er wilde werken, kon er terecht. Daarnaast was de hamvraag: hoe kunnen we een omgeving creëren die ervoor zorgt dat mensen anders met elkaar omgaan, zonder dat er een ideologie of cultuur heerst die vertelt wat goed en slecht handelen is, en allerhande verplichtingen oplegt? Eigenlijk is dat een situationistisch ideaal. In de jaren 1950 en 1960 trachtten Guy Debord en co. ook situaties te scheppen die menselijk gedrag ten goede konden veranderen.

Wij vroegen ons af hoe een uitnodiging om een gemeenschappelijke ruimte te delen gemakkelijk en aantrekkelijk kon zijn, zoals bij een rotonde: iedereen schuift daar automatisch in, bijna zonder het te merken. De keuken van het PAF is een eenvoudig voorbeeld. Daar maken jaarlijks honderden mensen gebruik van. Restjes kun je daar in een gemeenschappelijke koelkast stoppen, waar ze meer kans hebben om opgegeten te worden in plaats van te rotten. Een paar dagen later ben je blij om de restjes van anderen te kunnen eten. Je deelt je bezittingen niet omdat het moet; het overkomt je als het ware.

ETC Het PAF heeft, net als Massia, zo goed als geen staf. Wat zorgt ervoor dat deze ‘situaties’ duurzaam zijn en niet ontaarden in chaos?

J.R. Belangrijk zijn de drie eenvoudige regels waarop het dagelijkse sociale verkeer steunt. De eerste is: don’t leave traces. Natuurlijk is het onmogelijk om helemaal geen sporen na te laten, maar je tracht in ieder geval zoveel mogelijk achter je op te ruimen.Twee: make it possible for others. Dat betekent niet dat je het daarom onmogelijk voor jezelf moet maken, dat je jezelf zou moeten wegcijferen. Het gaat erom dat als je iets mogelijk maakt voor jezelf, je het niet onmogelijk maakt voor de ander. De derde regel is: the do-er decides. Er heerst dus geen democratie. Wie de situatie actief vormgeeft, heeft steeds de overhand. Als je niet akkoord bent en je een beslissing ongedaan wilt maken, moet je ze ont-doen. Iemand heeft de muren rood geverfd en jij vindt dat verschrikkelijk? Dan zit er niets anders op dan zelf die muren in een andere kleur te schilderen.

© Sébastien Hendrickx

ETC Die anarchistische visie lijkt te botsen met je verleden als theaterregisseur. Doorgaans is dat toch een guur die de touwtjes strak in handen heeft?

J.R. Ik was minder dat soort regisseur. In 1987 vroeg Gerardjan Rijnders me om mee deel uit te maken van het artistieke team van Toneelgroep Amsterdam, wat toen een nieuw gezelschap was, ontstaan uit de fusie van Toneelgroep Centrum en het Publiekstheater. Ik maakte er Edward II van Christopher Marlowe met alle mannen van het ensemble, en binnen de kortste keren brak de revolutie uit. De spelers waren namelijk iemand gewend die hen vertelde wat ze moesten doen, en dat deed ik niet. Ik vind dat mensen het zelf moeten uitvinden. Als ze doen wat ik zeg, dan ben ik niet meer geïnteresseerd. Ze moeten er zelf op komen – of beter: wij moeten dat samen doen. Maar dat strookte niet met de heersende cultuur.

Ik heb ook een paar keer geprobeerd om totaal ongeorganiseerde voorstellingen te maken. Weak Dance Strong Questions (2001), een dansduet met Jonathan Burrows, was er zo een. We wilden zo weinig mogelijk regels en sturing. Ook de typische spelregels van dansimprovisatie – aantrekken en afstoten enzovoort –gingen we uit de weg. Tijdens de voorstelling waren Jonathan en ik op onszelf én samen, zonder dat we duidelijk de ene of de andere positie innamen. Als toeschouwer zag je dat tussengebied.

ETC Je artistieke loopbaan telt vele gedaanteverwisselingen. Naast regisseur was je ook actief als theaterdocent, boekhandelaar en uitgever. Op latere leeftijd werd je danser, en nu richt je residentieplekken op voor kunstenaars. Loopt er een rode draad doorheen al die praktijken?

J.R. Ik ben vaak ondergedoken, heb dikwijls geprobeerd ervoor te zorgen dat ik niet traceerbaar was. Ik hield van de beweeglijkheid daarvan, maar het had ook iets lafs. Al die verschillende activiteiten – je kunt ze niet echt beroepen noemen – bezaten toch een zekere samenhang, geloof ik. Ze draaiden allemaal op een of andere manier rond empowerment.

“Bij Toneelgroep Amsterdam brak binnen de kortste keren de revolutie uit. De spelers waren iemand gewend die hen vertelde wat ze moesten doen.”

Het is mijn overtuiging dat mensen veel aardiger en slimmer zijn dan ze zichzelf meestal laten behandelen. Vaak wordt met hen omgegaan als met kinderen die je dingen moet voorzeggen: voor het rode licht moet je stoppen, en als het op groen springt moet je doorrijden! Of ze worden behandeld als misdadigers die van elkaar stelen of elkaar een dolk in de rug steken. In de International Theatre & Film Bookshop, de uitgeverij en boekenwinkel die ik opstartte op het Leidseplein in Amsterdam, werkten dramaturgiestudenten die wat wilden bijverdienen. Ik liet hen steeds de vrijheid en verantwoordelijkheid om zichzelf als groep te organiseren, om zelf te zien wie wanneer werkte, wie om een of andere reden plots vervanging nodig had enzovoort.

ETC Als regisseur was je erg actief in de jaren 1980 en 1990, eerst in Nederland maar later steeds meer in het Brusselse Kaaitheater. Wat kenmerkte je theatervoorstellingen?

J.R. Vreemd genoeg vond ik het theater niet zo leuk. Het gros van de stukken draaide rond listen en bedrog, rond hoe gemeen mensen zijn voor elkaar. En die verhalen wilde ik helemaal niet vertellen. De manier waarop gespeeld werd, vond ik dan weer vaak te bombastisch.
Ik zei tegen de acteurs: ‘Doe maar normaal. Je hoeft Hamlet niet neer te zetten als dat twijfelende jongetje. Hij is zoals jij, ik en iedereen: we hebben duizend gezichten, en die duizend gezichten zitten ook in Hamlet.’

In mijn voorstellingen lag de klemtoon op de tekst en minder op het toneelbeeld. Decor was een ondersteunend element – meestal was het wat abstract, niet concreet interpreteerbaar als een naturalistische situatie. Ik had een voorliefde voor ‘moeilijke teksten’, teksten waarvan men beweert dat ze onspeelbaar zijn. Zoals Kopnaad van Stefan Hertmans, het werk van James Joyce, Heiner Müller. Hoewel je als toeschouwer de moeilijkheidsgraad van die teksten aanvoelde, kreeg je toch de indruk ze te begrijpen.

“Het heeft zin om jezelf regelmatig af te vragen of je niet te zeer in jezelf bent gaan geloven. Dat lijkt me een teken van sterkte.”

ETC Wat bracht je tot de dans?

J.R. Mijn sterk ontwikkelde spiegelneuronen. Die maken me steeds erg toegankelijk voor wat zich om me heen afspeelt. Toen P.A.R.T.S. in 1995 van start ging, begon ik er les te geven als theaterdocent. Met al die dansers om me heen dacht ik plots: ‘Ja, dat kan ik ook.’ Mezelf heb ik altijd beschouwd als een toerist in de dans en ik vond dat erg aangenaam. Het zorgde ervoor dat ik minder hoefde af te rekenen met professionele standaarden. Ik probeerde iets te maken wat ik eigenlijk niet kon maken, en in mijn dansvoorstellingen zag je dat eigenlijk: een man die niet ongracieus was, een zeker talent had voor dans maar geen techniek; hij wilde het heel graag maar kon het niet echt. Mensen moesten daarom huilen: het was het summum van tragiek. Iemand als Sisyphus een steen de berg zien opduwen, die steeds weer terug naar beneden rolt.

ETC Twee jaar geleden verkocht je het PAF aan vijftig anderen. Bezitten zij elk een deel van het gebouw?

J.R. Neen, iedereen bezit 2 procent van alles. Geen effectieve vierkante meters dus. Het PAF is een politiek initiatief, zoals ik al zei. Ik vind het erg waardevol om te zien dat vijftig mensen willen investeren, niet in hun eigen hoekje maar in een situatie die zowel voor hen toegankelijk is als voor vele anderen. De eigenaars komen van overal ter wereld; de discussies over de verkoop van het PAF worden dus op al die plekken gevoerd. Met een groepje van tien heb je bovendien een grotere kans op machtsonevenwicht en ruzie. Het is heel wat moeilijker om 49 anderen je mening op te dringen. De verkoop diende om het hele project mogelijk te blijven maken. Ondertussen ben ik in de zeventig en heb ik al een serieuze ziektegeschiedenis achter me. Had ik het PAF niet verkocht, dan zou bij mijn overlijden een groot deel in het bezit komen van de Franse staat.

© Sébastien Hendrickx

ETC Dit jaar opende je een nieuwe plek in een leegstaand school- gebouw in Estland. Wat is je wens voor Massia?

J.R. Volgens mij heb je best geen wensen; die zijn het begin van het einde. Ik geloof dat Massia een bijzondere plek is. Ze maakt me wensloos. Ik hoef er niets maar kan alles…Tegelijk ben ik erg geconcentreerd. Rondom liggen bossen, beschermde natuurgebieden. Het kan werken. We zullen wel zien wat het wordt. The do-er decides. Degenen die er iets van willen maken, zullen er het hunne van maken. Dat is de consequentie van zelforganisatie.

ETC Eind december organiseert het PAF een nieuwe ontmoeting over de eigen toekomst, twaalf jaar na die eerste. Het model van zelforganisatie impliceert dat de collectief gecreëerde ‘situatie’ voortdurend kan en moet worden bijgeschaafd. De voorbije jaren waren er klachten over impliciete en explicietere vormen van misogynie en racisme. Wat liep er precies fout? Hoe zie je de organisatorische toekomst van het PAF en Massia?

J.R. Het heeft zin om jezelf regelmatig af te vragen of je niet vastgelopen bent, of te zeer in jezelf bent gaan geloven. Dat is een reden om die ‘Winter Update Meeting’ te houden. Daarnaast zijn we ons ervan bewust dat de relatief ongeorganiseerde structuur van het PAF, zonder veel regelgeving en zonder vormen van geïnstitutionaliseerde bescherming en toezicht, ook voor problemen kan zorgen. De vrijheid gaat dan met zichzelf aan de haal. Verschillen op het vlak van gender, ras, leeftijd en competentie kunnen leiden tot relaties van dominantie, zoals we die ook in de bredere samenleving aantreffen. Vaak gebeuren die dingen zonder dat mensen er zich goed van bewust zijn dat ze anderen uitsluiten of onveilige en ongemakkelijke situaties creëren voor sommige residenten. Het klopt ook dat het PAF bevolkt wordt door een blanke, hoogopgeleide gemeenschap, met alle beperkingen van dien, en dat willen we aankaarten. Niet door het met regels en toezicht snel te fiksen, maar door die kennis te integreren. Het lijkt me een teken van sterkte wanneer een organisatie zich dat soort dingen openlijk afvraagt.
Tijdens de meeting willen we ook zien hoe we de zelforganisatie nog een stapje verder kunnen brengen. Hoe kunnen we een gemeenschappelijke gemeenschap creëren – om het woord ‘collectief’ te vermijden – met een grote mate van laagdrempelige toegankelijkheid, waarin iedere gebruiker op lichtvoetige wijze, zonder regels en taken, het ding, het geheel, open en levendig onderhoudt? Als we een antwoord op die vraag vinden, dan kan het PAF echt een voorbeeld zijn voor anderen, wat het altijd al wilde zijn.

ETC Hoe zie je je eigen toekomst? Ben je nog van plan om voorstellingen te maken?

J.R. Jonathan Burrows en ik willen de draad van onze samenwerking weer oppikken: binnenkort beginnen we aan een nieuwe dansvoorstelling. Anderzijds vind ik kunst toch een beetje obsoleet aan het worden. Misschien wordt ze na verloop van tijd wel zoiets als het PAF. In het begin heb ik geprobeerd om het PAF voor te stellen alsof het een kunstproject van me was, een grote voorstelling die ik organiseerde waar mensen konden instappen en allerlei dingen konden doen. Ik hoopte zo wat subsidie te kunnen krijgen, maar daar trapte natuurlijk niemand in. Volgens Jacques Rancière is kunst politiek, niet omdat ze een politiek onderwerp behandelt maar omdat ze perspectieven opent. Ze kan mensen iets anders laten zien, denken en doen dan ze gewend zijn. Ik geloof dat kunst nieuwe rollen kan opnemen in de samenleving door allianties te smeden met de wetenschap. Bij zowel wetenschappers als kunstenaars ligt verbeelding aan de basis van hun beroep. Als we nu eens iets vrijer met dat voorstellingsvermogen konden omspringen… Kunst zou een instrument, een machine kunnen worden die situaties genereert. De manier waarop die machine georganiseerd wordt, zou kunstzinnig want niet-functioneel zijn. Mogelijk ligt daar een nieuwe route.

gesprek
Leestijd 8 — 11 minuten

Sébastien Hendrickx

Sébastien Hendrickx is schrijver en freelance dramaturg. Hij maakt deel uit van de kleine redactie van Etcetera.