Kris Verdonck / A two dogs company & LOD Muziektheater – Bosch Beach

Naar aanleiding van het Jeroen Bosch-jaar zette LOD Muziektheater een opera over zijn werk op het getouw. De Portugese componist Vasco Mendonça schreef de muziek waarvoor Dimitri Verhulst het libretto leverde. De regie is in handen van Kris Verdonck. Uitgangspunt: een vakantieresort op Lampedusa als hedendaagse vorm voor de helse, surrealistische wereld van Bosch’ schilderijen. Op papier klinkt het als een intrigerende combinatie, maar op het podium pakt de saus niet.

Het succes van all-in vakantieresorts berust op een simpel mechanisme van selectieve ontkenning, of zelfs cognitieve dissociatie. Je moet er als klant niet al te lang rondkijken om te zien dat dit luilekkerland van ongelimiteerd vreten, zuipen en achter de wijven zitten maar kan bestaan door de uitbuiting van het personeel dat zwijgt en slaaft. Dat wordt nauwelijks, zelfs helemaal niet verholen. De uitbuiting is slechts onzichtbaar omdat de klanten ze niet willen zien. Alsof dat hun deel van de afspraak is: wij doen alsof alles hier vrijheid en blijheid is. Want inderdaad zijn ook de klanten, de heren en dames van deze tuinen der lusten, vrijwillige gevangenen van de instelling. Hun polsbandje markeert hen eens ze het resort verlaten als leden van de drie- of viersterrengroep. Ze zijn net even noodzakelijk voor het functioneren van de organisatie als het officiële personeel. Iedereen dient hier de machine, maar elk op zijn manier. De klanten als ingehuurde figuranten, die in het gewone leven zelf slaaf zijn, maar dan doorgaans – zo ervaren ze dat toch zelf – van het betere soort.

Het stramien – want van een verhaal kan je eigenlijk niet spreken – van Bosch Beach is op zo’n holiday resort gecalqueerd. Een stel mannen komt het podium op, wat later gevolgd door een vrouw. Hun woorden laten er geen twijfel over bestaan wat ze op deze plaats zoeken: ‘Zwemmen tussen de memmen’ etc. Het libretto van Dimitri Verhulst bulkt van dat soort vulgariteiten. Andere activiteiten: neuken, zuipen, dansen en schransen. Met op de achtergrond het voortdurende besef dat dit tijdverdrijf een parenthese, een eclips is in een slopend kantoorbestaan, geregeerd door stress en budgetten. Voor liefde en verbondenheid is hier geen tijd, het drietal laat zelfs de plichtmatige uitwisseling van adressen achterwege als het feest voorbij is.

Alleen bakken ze het hier wel erg bruin, want het eiland waar ze zich terugtrokken heet Lampedusa. De ene bodybag na de andere ploft er op het podium neer. Maar ja, wat kan je daaraan doen, vragen de drie bezoekers zich af? Niets toch, behalve een beetje lalala zingen? Een beetje dansen en spelen? Selectieve blindheid, inderdaad. Die strekt zich ook uit tot het personeel, dat hen lijdzaam bedient en achter hun rug het podium opdweilt. Hoe vreemd dat personeel ook is. Drie mascottes zonder stem, gehuld in zilverachtig-zwart glanzende pakken. De ene met drie koppen op zijn schouders, de andere met een hoofd als een alien, de derde als een cadavre exquis met een olifantenslurf. Deze drie ‘personages’ zijn overduidelijk geïnspireerd op de hellebewoners in schilderijen van Jeroen Bosch: mensen gevangen in bizarre constructies die als kerkers rond hun lichamen sluiten en ze tot monsters maken. Al blijven ze beaat glimlachen. Zoals het hotelpersoneel hier.

Maar deze wezens zijn minstens even sterk verwant aan de mascottes die opdoken in Untitled (2014) van Kris Verdonck. Ook daar had de scenografie met zijn rijkelijke donkere materialen en eeuwig aanwezige loungemuziek veel weg van een luxehotel. Of een geflipt pretpark. Het enige personage in dit stuk was immers een mascotte zoals je ze in Disneyland ziet. De zilverige Mickey Mouse van dienst probeerde ook hier met de moed der wanhoop, in zijn al te zware en hete pak, het publiek te amuseren, maar legde het loodje. Toch veroorzaakte dat slechts een kleine rimpeling, een nauwelijks ernstig te nemen storing van de gedempt extatische sfeer van het stuk. Meteen namen machines het triomfantelijk over van de mascotte. De mens met grote M werd hier ten grave gedragen in een subliem spektakel van zinloos prachtige, barokke machinerieën.

Bosch Beach kan je beschouwen als het helse hiernamaals waar die Mens daarna heen gaat, met dank aan de verbeelding van Jeroen Bosch. Dat hiernamaals situeert zich echter niet in een Hemel of Hel, maar op Aarde, als een toestand waarin allen, zonder onderscheid, betrokken zijn in een rollenspel dat een onpersoonlijke, technologische organisatie in stand houdt. Als de kiosk waarrond de vakantiegangers hangen, muteert tot een fantastische architectuur – een griezelige reuzenplant zoals er vijf staan in Bosch’ Tuin der lusten – dan zie je een haast perfecte parallel met de zinloos op en neer bewegende fallussen in Untitled. Voor de echt slechte verstaanders flakkeren op de achtergrond ondertussen de vlammen van brandende steden. Het Aleppo dat de drenkelingen op Lampedusa ontvluchtten om in een andere, posthistorische hel te belanden.

Tot zover echter het goede nieuws. Maar… In Untitled schiepen ritme, scenografie, muziek, en kostuums een landerige verveling, die irriteerde en zelfs kwelde door zijn foute ‘vrolijkheid’. Het werd nooit menselijk. In Bosch Beach zit Verdonck echter niet alleen aan de knoppen, maar is er ook het libretto van Verhulst en de opera van Vasco Mendonça. Die moet uiteraard gezongen worden, en dus krijg je naast de drie lugubere mascottes ook drie zangers. Die leggen zich duidelijk niet neer bij hun rol als zetstukken in een macabere poppenkast. Ze willen er voor zichzelf staan, en ze willen zich niet belachelijk maken. Net dat leidt tot belachelijke situaties. Als de drie uit de kleren gaan om elkaar te lijf te gaan, dan staan ze er in naaktkostuums, die schamele uitweg voor een regisseur die niet weet hoe je een naaktscène kan vermijden, maar zijn performers er niet toe kan bewegen om naakt te gaan. Dat voelt absurd aan. Je hoeft dat niet te doen – seks op het podium stelt, net als moord, nog steeds een notoir probleem van representatie – maar als je dan zo nodig wil, moet je wel voluit gaan. Door deze vreemde poespas daarentegen, verdampt de werkelijke betekenis van zo’n scènes: dat deze personages eigenlijk dood zijn op het ogenblik dat ze van zichzelf denken dat ze de ware geneugten van het leven ervaren.

Even problematisch is de muziek van Mendonça. Al van bij het eerste lijk dat uit de lucht valt verdubbelt hij het drama door zware percussie en donkere kopers. Daar blijft het niet bij: elke gelegenheid neemt hij te baat om de actie op het podium dubbel en dik te onderstrepen. Bij een sambafeestje of disco avond schettert en schreeuwt het orkest, maar in al zijn kunstigheid wordt die muziek niet half zo spannend en opzwepend als echte disco en samba. Waardoor het gedoe van de personages van de weeromstuit nog ongeloofwaardiger wordt. De muziek zet de actie niet onder spanning, maar voorziet ze enkel van uitroeptekens. Bij het vijfde uitroepteken heb je het wel gehad. Blijven over: eindeloos voortkabbelende melismen die de brutale tekstflarden van Verhulst verkunstigen. Ze dienen enkel de pronkzucht van de zangers, niet de harde boodschap van het stuk.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis.