© An-Sofie Kesteleyn

Charlotte De Somviele

Leestijd 9 — 12 minuten

KID. – BOG., Het Zuidelijk Toneel & Het Paleis

De volwassenheid ontmaskerd

Met KID. maakt BOG. onder de vleugels van Het Paleis twee voorstellingen voor de prijs van een: eentje voor volwassenen over kinderen, en eentje voor kinderen over volwassenen. Het collectief, dat zich met deze vijfde avondvullende productie officieus volwassen mag noemen, vindt zich door de ogen van een kind opnieuw uit.

* Charlotte (29) zag KID., een voorstelling voor volwassenen over kinderen (18+).

Of ik ook de persmap voor kinderen wil, vraagt de publiciteitsdame me met een ernstige blik? Als BOG. met een nieuw theaterconcept op de proppen komt, kan je er prat op gaan dat het tot in de kleinste puntjes is uitgewerkt. Op vraag van Het Paleis maakt het Vlaams-Nederlandse collectief van Lisa Verbelen, Judith de Joode, Benjamin Moen en Sanne Vanderbruggen voor het eerst een voorstelling voor kinderen. Het tekent de evolutie bij het Antwerpse theaterhuis, dat onder leiding van Els De Bodt de scheidslijnen tussen volwassenproducties en theater voor een jong publiek wil uitvlakken door makers uit het reguliere circuit voor jongeren te laten werken.

BOG. zou echter BOG. niet zijn als het die uitnodiging niet meteen naar haar hand zou zetten. KID. is twee voorstellingen in één, eentje voor volwassenen over kinderen en eentje voor kinderen over volwassenen. Door beide leefwerelden loopt immers, althans in onze westerse maatschappij, een fundamentele breuklijn. We gaan naar andere scholen, andere kledingwinkels, andere ziekenhuisafdelingen en theaters. We gebruiken andere woorden, krijgen de actualiteit ingelepeld via andere journaals en vallen onder een andere strafwet. Wanneer, zoals recent in Nederland, prille tieners worden beschuldigd van een moord op leeftijdsgenoten, worden sociologen en pedagogen opgeroepen om het fenomeen te verklaren als ‘hoogst uitzonderlijk’, de goegemeente gerust te stellen en de breuklijn te herstellen. Want daar is onze hele samenleving op gebouwd.

Precies die grens loopt ook dwars door KID. Scenograaf Jozef Wouters ontwierp een houten decor dat de kleine zaal van Het Paleis schuin doormidden klieft, met aan elke zijde een hoektribune. Onverbiddelijk worden de ouders bij het binnengaan gescheiden van hun kroost en aan de achterkant gedropt. Wij krijgen de backstage van de voorstelling te zien, in tegenstelling tot de kids die mogen genieten van the real entertainment. Onze coulissen zijn volgestouwd met kostuums, muziekinstrumenten, afficheborden en karaoke-schermen – props voor de echte voorstelling, waarin wij, volwassenen, af en toe zullen figureren. Tegen de wand staan drie trapjes, waarover de Joode, Verbelen en Moen (Vanderbruggen staat dit keer achter de regietafel) drie keer de oversteek zullen maken van de wereld van 8+ naar die van 18+. Noem het gerust een ‘schijnconstructie’, want hoewel de makers naar eigen zeggen geen aparte voorstelling voor de volwassenen in petto hebben, gaat KID. véél meer over ons dan de titel doet vermoeden.

© An-Sofie Kesteleyn

Volwassenen voor dummies

Veel krijgen we inderdaad niet te zien, maar te horen des te meer. Uitgedost in disneyeske dierenpakken – voor kinderen geldt more is more, toch? – klautert het trio een eerste keer over de muur. We horen hoe ze ons als een exotische diersoort voorstellen aan het kleine grut. Denk: Jambers meets David Attenborough meets In de gloria. “En dan nu de hamvraag van de avond (tromgeroffel): Wie is de volwassene? Waar woont hij, hoe ziet hij eruit?” Maar ook: hoe denkt hij, hoe heeft hij lief, hoe gaat hij om met de tijd?

Al sinds hun eerste voorstelling BOG. Een poging het leven te herstructureren (2013), probeert het gezelschap met een even analytische als poëtische blik grip te krijgen op de werkelijkheid. Dat is natuurlijk tot op zekere hoogte het verlangen van élke kunstenaar, maar tekenend voor het oeuvre van BOG. is hun bijna dwangmatige zucht naar overzicht en ordening. De taal is daarbij hun belangrijkste bondgenoot. Hun instrument om de wereld te filteren en de chaos te vatten in overzichtelijke punten en lijstjes. ‘Benoemprojecten’ omschrijven ze hun voorstellingen zelf. Gezien hun ambitie is dat best een uitdaging: BOG. wil niets minder dan de totaliteit der dingen vatten, of het nu gaat over de evolutie en vergankelijkheid van het leven, het bewustzijn en ons kritisch vermogen, het bestaan van god of die vreemde kliek die ‘volwassenen’ heet. Hun voorstellingen ontvouwen zich telkens weer als cognitive mappings. Het collectief doet grondige research, spreekt met experts en ervaringsdeskundigen, plaatst verschillende perspectieven naast elkaar en wikt en weegt grote onderwerpen langs velerlei gezichtspunten in de hoop iets van betekenis af te leiden uit de meerstemmigheid. In sommige gevallen lukt dat wonderwel zoals in hun debuut, in andere zoals in GOD. (2015) durft het gezelschap zich al eens vast te rijden in hun intellectuele caleidoscoop en vertroebelt hun categoriseringsdrift meer dan het ontsluit.

Theater als gps dus: BOG. zoomt uit op de wereld om de eigen coördinaten te bepalen. Met hun cognitieve mappings, een term gemunt door Frederic Jameson, komt het gezelschap in die zin tegemoet aan wat we volgens de postmoderne denker verloren zijn door de globalisering, met een diep gevoel van vervreemding tot gevolg: de link tussen onze lokale, persoonlijke ervaring en de structurele (economische, culturele, politieke, sociale) condities die haar bepalen. Volgens Jameson is de postmoderne mens op drift in een wereld die hij niet langer begrijpt. Cognitive mappings, zo schrijft hij, zijn daarentegen in staat “to enable a situational representation on the part of the individual subject to that vaster and properly unrepresentable totality which is the ensemble of society’s structures as a whole.”

Het oeuvre van BOG. kan je in die zin niet los zien van het feit dat alle makers in 1988 geboren zijn. Zonder afbreuk te willen doen aan hun specificiteit, tonen ze de uitdaging van de net volwassen geworden generatie Y, de screenagers, die een uitweg zoeken uit de postmoderne laissez-faire en het gebrek aan zingeving. Hoe krijgen we in godsnaam vat op de complexiteit van onze versnipperde werkelijkheid? Hoe kunnen we nog een standpunt innemen en iets van objectieve waarde creëren in een tijd die verzadigd is van tegenstrijdige informatie? Hoe kunnen we in deze global village de verhouding denken tussen onze kleine levens en de grote (waarde)systemen, rampen en problemen die onze verbeelding in hun greep houden? Uiteraard is die poging om de relatie tussen individu en systeem te herstellen, of op z’n minst behapbaar te maken, geen issue dat enkel deze generatie theatermakers bezighoudt, maar het zijn wel vragen die zij terug op de agenda hebben geplaatst na de beeldenstormers en intellectuele ironici voor hen.

De medeplichtige grijns

Ook in KID. maakt BOG. naar goede gewoonte een inventaris op, gebaseerd op gesprekken met kinderen en volwassenen, al is die hier een pak losser dan in eerdere voorstellingen. Met een intelligent observatievermogen, droogkomische kritische humor en een bijzonder aanstekelijk spel, licht BOG. de sluier van de volwassenheid op. De volwassene, die kan je herkennen aan zijn scheten die stinken naar zure bloemkool, zijn “koffiemuil”, vouwfiets, obsessie met gezond eten en cellulitis. Kuch. Maar ook aan zijn – “hoe heet die ziekte nu ook alweer, volwassenen?” – burn-out, zijn fundamentele eenzaamheid verpakt als zelfstandigheid en de tijd die hij als een onzichtbaar rugzakje met zich meedraagt. “Hoe meer herinneringen ze hebben opgestapeld, hoe sneller de tijd lijkt te gaan. Daarom zijn ze altijd zo gehaast.” Het blijft even stil aan de 18+-kant. En dan is er nog dat gekke syndroom dat hen op elk moment van de dag kan overvallen, die maffe mengeling van tristesse en vreugde om wat geweest is en nooit meer zal terugkomen. Kind genoemd worden bijvoorbeeld.

AN-Sofie Kesteleyn

De leugens en twijfels van de volwassen mens, zijn werkethiek en fysieke gebreken, zijn neoliberale dogma’s en liefdesclichés, zijn heimelijke gedachten en existentiële angsten, één voor één worden ze trefzeker ontmaskerd. Door de ogen van een kind worden we magistraal te kijk gezet voor onszelf, uitgekleed, gepersifleerd en dan weer meelijwekkend in de armen gesloten als een trieste, schattige hond. Dat de echte voorstelling zich hoofdzakelijk in je gedachten afspeelt, in het domein van het verborgene, maakt het allemaal des te spannender. Precies door de visuele confrontatie uit de weg te gaan en ons alleen maar te laten luisteren naar hun grote exposé, wakkert BOG. de suggestie voluit aan. Het is bovendien een slimme sneer naar het hele sfeertje van geheimhouding en ‘vezelarij’ waar volwassenen zich graag in wentelen in hun omgang met kinderen, bij uitstek om te verbergen dat de echte waarheid banaal is en ze zelf ook maar wat aanmodderen.

De betekenis van een goede tekst, schreef Arnon Grunberg ergens in De troost van de slapstick (2011), zit ‘m niet zozeer in wat de tekst zegt, maar in wat de tekst verraadt: over de schrijver, zijn techniek, de romanpersonages én de lezer zelf. Al vanaf het eerste moment, waarin Verbelen ons verwelkomt in witte lingerie met op strategische plekken het opschrift ‘naakt’ (verhullend en onthullend tegelijk), voel je je betrapt. Op hoe we stiekem verlangen naar bloot, maar even later slikken wanneer Moen poedelnaakt de kinderen gaat ophalen. Op hoe we de adem inhouden wanneer de spelers benoemen waar volwassenen overal haar hebben – “hier en hier en … ook hier (ieeee)” – maar hoe we ook genieten van die hele grensoverschrijdende spanning. Maar we worden ook letterlijk betrapt op onszelf, zoals wanneer de makers vragen om onze armen omhoog te doen en de kinderen aan de andere kant luid hun afgrijzen laten horen bij het ruiken van onze zweetlucht.

Stel je het resultaat voor: zestig volwassenen op een veel te kleine tribune, verbonden door één langgerekte medeplichtige grijns, door een mix van schaamte, erkenning en ontroering. Het effect is onwaarschijnlijk bevrijdend. De maskers vallen af. In een vingerknip transformeert BOG. ons terug tot kinderen, vakkundig bijgestaan door eindregisseur Jetse Batelaan die als de beste weet hoe je een publiek uit zijn kot moet lokken. Meesterlijk weet BOG. de dynamiek aan beide kanten van de wand vast te houden. Wanneer er een doos met tamboerijnen en xylofoons wordt bovengehaald waarmee we de kiddo’s al zingend door hun pauze moeten loodsen, lijkt onze backstage plots omgetoverd in een anarchistische kleuterklas. Even later stampen we als volleerde Buffalosupporters op de tribune om suspense op te wekken en tillen we als onhandige Charlie Chaplins tekstballonnen met onze meest geheime gedachten over de wand uit.

© Charlotte De Somviele

BOG. zet ons hilarisch te kakken en we figureren met plezier in deze grote ‘uitkleedoefening’. Ook Grunberg wist het al: het onmisbare effect van een goede tekst, en bij uitbreiding goed theater, is de combinatie van genot en schaamte.

Een paaltje aan de horizon

Maar BOG. gaat veel verder dan dat. Op een dieper niveau stelt het gezelschap ook de idee van volwassenheid as such in vraag. Wanneer ben je dat eindelijk, als je de maatschappelijke bepalingen even buiten beschouwing laat? Terwijl de spelers vooraan uit de doeken doen op welke plekken volwassenen het allemaal graag met elkaar doen (en met wie en in welke constellaties), flitst er een zinnetje uit De Vriendschap van Connie Palmen aan me voorbij. Als veertienjarige had ik altijd al het gevoel dat er een waarheid in besloten lag die ik pas mettertijd zou kunnen ontsluiten. “Al met al kun je gerust stellen dat je ongestoord een vrouw kunt worden, met jongens kunt vrijen, ontmaagd kunt worden, voor het eerst met een jongen naar bed kunt gaan (…) zonder een ander, rijper, wijzer of sterker mens te worden.”

BOG. hint precies op die onderhuidse maar illusoire verwachtingen die kleven aan elke mijlpaal die je als opgroeiend kind bereikt. Je eerste kus, je eerste strafstudie, je eerste joint, je eerste ‘keer’, je eerste vaste lief, je eerste eigen woonst… Telkens weer denk je, hoop je, vrees je dat die momenten je zullen inwijden in de volwassenheid, maar de geestelijke verandering is nooit zo wereldschokkend, noch fundamenteel – tenzij je misschien zelf een kind krijgt, waarvan ik nog niet kan getuigen. De poort van de volwassenheid gaat niet plots voor je open. Hoe oud je ook wordt, je blijft jezelf als kind met je meedragen, als een matroesjkapoppetje. Er zit alleen een groter lichaam omheen, met meer haar en rimpels.

Die poppetjes haalt BOG. hier weergaloos uit elkaar en maakt ze dan weer opnieuw één, met als onderliggende uitnodiging: doe niet langer alsof, beste volwassene. Want verschilt onze eenzaamheid eigenlijk zoveel van die van een kind dat zijn ouders mist of voor het eerst naar een nieuwe school gaat? Voelen we verliefdheid niet allebei fladderen in onze buik? Net dat is trouwens toch hoe opgroeien vaak gemarkeerd wordt, door het plotse inzicht dat je ouders ook maar grote kinderen zijn die het eigenlijk ook niet weten? Als aan het eind van de voorstelling de meest ‘representatieve’ volwassene uit het publiek wordt gehaald (lees: de vrouw die de grootste stinkvoeten heeft en het meest seks heeft) en zij zich als curiosum aan de kinderen mag voorstellen, legt BOG. haar niet toevallig een nonsensicale speech in de mond. De bladibla maakt gaandeweg plaats voor een prachtige conclusie: volwassenheid is géén grens die je op een bepaald moment voorgoed oversteekt, maar een paaltje aan de horizon, een eindpunt om naartoe te lopen.

BOG. houdt onder dat alles trouwens allerminst een verborgen ode aan het Syndroom van Peter Pan, een vrijgeleide om ons puberaal, onvolwassen en narcistisch te blijven gedragen en te verzaken aan onze verantwoordelijkheid. Integendeel. Volwassenheid betekent in essentie misschien wel gewoon stilstaan, zoals ‘de echte volwassene’ op het eind zegt. Stilstaan bijvoorbeeld bij het feit hoe er straks een volwassene het licht zal uitdoen, door op een knopje te drukken dat door volwassenen werd gemaakt. En hoe een volwassene straks een drankje voor je zal kopen en je naar huis zal brengen. Stilstaan bij relaties van macht en zorg dus, en hoe de opgegroeide mens nog steeds de maat der dingen is. Precies dat volwassen ‘regime’ lijkt die maatschappelijke breuklijn van 18+ in stand te moeten houden. BOG. ensceneert ze, maar laat ze met een kritisch gebaar gaandeweg verkruimelen.

Blijven groeien

Met deze energieke vijfde productie en een Nederlandse meerjarige subsidie onder de arm, mag BOG. zich officieus een ‘volwassen’ gezelschap noemen. In dat opzicht kan KID. geen mooier statement zijn. Op alle vlak zie je dat Moen, Verbelen, de Joode, Vanderbruggen en dramaturge Roos Euwe hun identiteit gevonden hebben. Hun maturiteit qua spel, muzikale schriftuur en precieze conceptuele uitwerking staat buiten kijf. Maar precies vanuit dat vertrouwen in het eigen dna, lijkt BOG. haar principes ook even te durven loslaten en ruimte te maken voor iets nieuws, net zoals ze dat in de locatievoorstelling OER. (2016) ook al deden. Het ‘rijtjesperformen’ en ‘lijstjestheater’, waarmee het collectief zich al eens in een bubbel kon terugtrekken, heeft plaatsgemaakt voor een ongelooflijke portie humor en spelplezier, voor bakken zuurstof en generositeit aan het publiek. Daaronder blijft hun menselijke observatie even scherp, de drang om te begrijpen even groot, de poëzie even raak. Het maakt van KID. boven alles één groot pleidooi om te blijven groeien, in beide richtingen tegelijk.

© Sébastien Hendrickx

* Ook Frankie (12) en Nico (11) gingen naar de voorstelling kijken, maar dan aan de andere kant. Wat zij ervan vonden, lees je hier.

KID. toert tot 6 april, in Vlaanderen en Nederland.

Alle speeldata vind je op www.hetpaleis.be

recensie
Leestijd 9 — 12 minuten

Charlotte De Somviele

Charlotte De Somviele is als onderwijsassistente verbonden aan de vakgroep Visual Poetics (UAntwerpen). Ze schrijft freelance over dans en theater voor o.a. De Standaard en is lid van de kleine redactie van Etcetera. 

recensie