Elektra

Julie Van den Berghe / NTGent – Elektra

De tragische materie staat als een huis, nog steeds goed voor diepgaande reflectie over schuld en vergeving, over menselijke zwakheid, over bloed dat kruipt waar het niet gaan kan. Clichés zo hoog als een huis, maar Van den Berghe trekt ze binnen het DNA van de tragedie naar zich toe en legt zelfbewust haar eigen accenten. Ze doet dat met straffe beelden die geloofwaardig de grote scène vullen; daarbovenop morrelt ze via de muziek aan de klassieke dramaturgie – alvast een pak gedurfder dan wat veel van haar collega-grotezaalregisseurs doen.

‘Never trust the teller, trust the tale’. Het wantrouwen dat de Amerikaanse schrijver D.H. Lawrence koesterde tegenover makers die hun eigen werk uitleggen was diepgeworteld. Het citaat is zonder meer van toepassing op Elektra, de jongste voorstelling van regisseur Julie Van den Berghe bij NTGent en het Nationale Toneel. De voorstelling is welsprekender dan zijn maker. Ik zie in Elektra een persoonlijke interpretatie van de oude tragedie én een interessante poging om de benauwende vormvereisten van een repertoirestuk voor een grote zaal open te breken. Maar blijkbaar zie ik verkeerd: in een interview met de regisseur lees ik dat de voorstelling gaat over de rol van vrouwen in de revolutie, de Islamitische Staat en religieus extremisme. Hotte actuele topics. Zo hot, dat ze waarschijnlijk waren verdampt nog voor ze mij in de zaal hadden bereikt. ‘The proper function of the critic is to save the tale form the artist who created it’, zei Lawrence nog. Ziehier mijn reddingspoging. Wanneer zal eindelijk de hardnekkige misvatting verdwijnen dat het ‘actualiseren’ van een voorstelling die per definitie relevant maakt? Waarom durft theater vandaag niet genoeg te hebben aan het openbreken van zijn vorm? Waarom mag een drama nooit een keertje gewoon zichzelf zijn?

Terug naar het stadium vóór de interpretatieve vervuiling, terug naar the tale. Van den Berghes versie werd geschreven in samenwerking met dramaturg Bernard Dewulf en zoekt grond in de versies van de drie grote Griekse tragediedichters (een Elektra van Sophokles en Euripides, de Oresteia van Aischylos), aangevuld met materiaal afkomstig uit verschillende bronnen. De grote lijnen van het drama werden bewaard: het offer van Elektra’s zus Iphigeneia door de Griekse koning Agamemnoon, de onverzoenlijke haat die dit bij zijn vrouw Klytaimnestra teweegbrengt, het vertrek van de Grieken naar Troje, de terugkeer van de ‘helden’ en de moord op Agamemnon door Klytaimnestra en haar minnaar, de wraak van Orestes op zijn moeder. En, onuitgesproken, alles wat voor en na komt: de vloek van stamvader Tantalos die al generaties lang doorsijpelt in het huis van Atreus, waardoor moord en wraak hand over hand overnemen – tot die nefaste cyclus uiteindelijk doorbroken wordt door het vrijspreken van Orestes in de Atheense rechtbank (in Aischylos’ Eumeniden). Geen wonder dat ook Van den Berghes Elektra (Lien Wildemeersch) maar na drie kwartier haar eerste woord spreekt: zij draagt weliswaar de titelrol, maar eigenlijk is zij – net als haar moeder – niet meer dan een klein scharniertje in een raderwerk van lotsbestemmingen dat groter is dan zijzelf. Misschien is dat het ritmische getik van staal op staal dat we horen bij aanvang van Elektra: de mythologische machine, of in meer immanente vorm: de zware passen van soldatenlaarzen, het gedreun van het slagveld.

Want om oorlog gaat het, zij het niet om de Trojaanse. Van den Berghe interpreteert Elektra in de eerste plaats als een battle of the sexes. Het zijn de vrouwen die met moeite de monumentale muren van het paleis (een ontwerp van Niek Kortekaas) op hun plaats sleuren, op zoek naar iets wat lijkt op een thuis, terwijl de mannen diezelfde muren ongeduldig uit beeld duwen, echtgenotes noch dochters ontziend. Wanneer de muren wijken ontstaat er een lege, kale ruimte. Waar de mensen wijken hebben de goddelijke machten vrij spel, of dat is toch wat de mannen zichzelf en hun naasten wijsmaken – eigenlijk hebben ze gewoon meer plaats nodig voor hun ego. Oorlog is kut. Maar oorlog is ook cut. En soms is een kut de inzet van dat cutten. Wie denkt dat het hier om de schaking van Helena van Troje gaat heeft het mis, want in Dewulfs versie heeft deze Griekse schoonheid niet eens voet in Troje gezet. De mannen doen het dus enkel om hun plekje in die geschiedenis te verzekeren, want ‘wie wil stralen, moet branden’, zegt Menelaos (Servé Hermans). De vrouwen vragen zich intussen af wat ze in godsnaam met ‘de geschiedenis’ van doen hebben. En wee de vrouw die het waagt zélf de loop ervan te willen bepalen, zoals Klytaimnestra (Chris Thys) – zij bekoopt dat met haar leven. Want haar grootste misdaad, onaanvaardbaar in de ogen van goden én mannen, is haar hybris: haar verlangen naar zelfbeschikking. Daar kan Elektra overigens nog een puntje aan zuigen: moeder handelt, terwijl de heldin in kwestie machteloos om haar broer roept.

Van den Berghe toont overtuigend hoe vrouwen en dochters maar getolereerd worden op voorwaarde dat ze functioneel blijven: als object van lust, als broedmachine, als huwelijksgeschenk, als offer. Het zijn de mannen die bij thuiskomst als honden ruiken aan het geslacht van hun vrouw – om hen daarna even honds weer in bezit te nemen. De verhouding tussen man en vrouw is bij Van den Berghe fundamenteel gewelddadig, wat overigens niet betekent dat de vrouwen vrij zijn van wreedheid. De naïeve zusjes Iphigeneia en Chrysothemis (Lien Wildemeersch/Anne-Chris Schulting) vormen de uitzondering: als Siamese tweelingen in één kleedje slikken de gezagsgetrouwe bloedjes het verhaaltje over de wil van de goden. Elektra heeft een ander temperament: stuurs, ongehoorzaam, woedend in elke vezel van haar lijf. Liever versmoort ze zelf haar lievelingskonijntje dan dat ze haar moeder de kans geeft het diertje als drukkingsmiddel tegen haar te gebruiken. Het is een prachtige anekdote – meer hebben we niet nodig om te begrijpen wie Elektra is.

Anderzijds is er ook de clash of the generations. Elektra haat haar moeder om voor de hand liggende redenen (de moord op haar vader), maar daarnaast speelt ook de gewrongen verhouding van een puber met haar moeder. Dit opstandige punkmeisje kan niet heen om een moeder die meer op haar lijkt dan haar lief is. Een moeder tot wie ze enkel al omwille van haar geslacht veroordeeld is, want wanneer vader na tien jaar thuiskomt roept hij enkel om zijn zoon. Van den Berghe en Dewulf laten deze tiener spreken in woedende spoken word, in snijdende slam poetry. Als regisseur is Van den Berghe op haar best wanneer ze de familieverhoudingen schetst in sobere maar sprekende beelden, die voldoende ruimte laten voor de eigen verbeelding. Moeder en dochter, elk in een ander raamkozijn: de een wentelt haar beweeglijke tienerlichaam machteloos tussen de spanten, verlangend naar de komst van haar broer; de ander zit in de etalage, als de hoer waarvoor haar dochter haar houdt, wachtend op haar vonnis. Daartegenover staan beelden die té evident zijn, zoals de smeltende bruidstaart vooraan op scène, of de hooggehangen bruidsjurk die de schuld van de vader – Iphigeneia werd naar haar dood gelokt met een huwelijksbelofte – onafgebroken aanwezig stelt. Naar het einde toe worden moeder en dochter kwetsbaar, maar dan is het al te laat. Haat baart haat, ook in een gezin: de moeder is niet in staat om liefde te geven, de dochter is niet in staat om anders te worden dan haar moeder.

Tot hier gaat het allemaal over een trefzekere maar klassieke invulling van een klassiek verhaal – met een gedegen interpretatie die zich vertaalt in knappe beelden en een uitgekiende acteursregie. Waar Van den Berghe echt een stap mee zet is met het gebruik van muziek. Een uitstekend blazerstrio (Kwinten Mordijck, Gregory Van Seghbroeck, Jan Alfredo van Moer) speelt in deze Elektra stoorzender op alle niveaus. Het marcheert vrolijk doorheen scènes en bedrijven, het doorbreekt de vierde wand, het werkt nu eens illustratief (de trompet voorspelt de komst van de fatale wind), dan weer strijkt het tegen de emotie in (de bijna irritante opluistering van Agamemnons ‘gelukkige thuiskomst’). Basistoon van de muziek is de dissonant. Het driemanschap creëert bijna opdringerig een eigen spanningsboog, haaks op die van het verhaal – de muziek lijkt de onafwendbare afwikkeling van de tragedie alsnog te willen verstoren, een beetje zoals een stuurs kind dat het rationale discours van zijn ouders onderbreekt door de vingers in de oren te steken en luid ‘la la la’ te zingen. De aanwezigheid van de muzikanten is soms functioneel maar vaker nog prettig vervreemdend. Dit is het (kamer)orkest van de Titanic, dat er ons onverstoorbaar voortspelend op wijst hoe absurd de eeuwigdurende herhaling van moord en bloed is. And the band played on.

‘Ik begrijp niet dat een jonge vrouw vandaag kiest voor dit stuk’, zei mijn gezelschap na afloop van Elektra. Ik begrijp het wel: de tragische materie staat als een huis, nog steeds goed voor diepgaande reflectie over schuld en vergeving, over menselijke zwakheid, over bloed dat kruipt waar het niet gaan kan. Clichés zo hoog als een huis, maar Van den Berghe trekt ze binnen het DNA van de tragedie naar zich toe en legt zelfbewust haar eigen accenten. Ze doet dat met straffe beelden die geloofwaardig de grote scène vullen; daarbovenop morrelt ze via de muziek aan de klassieke dramaturgie – alvast een pak gedurfder dan wat veel van haar collega-grotezaalregisseurs doen. Pijnlijke uitschuiver is de ongerijmde zijsprong naar de vrouwenbesnijdenis, als zou Elektra onder toezicht van haar moeder genitaal zijn verminkt – kut is oorlog, remember –, een gebeurtenis waaraan haar diepgewortelde haat ontspringt. Het kost niet veel moeite om dat gegeven terzijde te zetten: het is nauwelijks ingebed in de dramaturgie, het doet in het verhaal aan als een faux pas.

Achteraf blijkt de vrouwenbesnijdenis niet zomaar een loswapperend lijntje te zijn, maar te passen in een hedendaags verhaal over vrouwen ten aanzien van Islamitische Staat, de brandhaarden van vandaag, religieus extremisme. Ik heb dat allemaal niet gezien in Elektra, het werd me onthuld in een interview met De Morgen. Wie moet ik nu geloven: Julie Van den Berghe of Elektra van Julie Van den Berghe? En waarom heeft Julie Van den Berghe over die thematieken niet gewoon een nieuw stuk gemaakt, als dat de essentie is van wat ze wilde vertellen?

Omdat je met zo’n onderwerp de grote zaal niet vult, allicht. Maar het is een illusie dat je de actualiteit op een geloofwaardige manier over een Griekse tragedie kunt schilderen, als een flinterdun laagje plakkaatverf: het DNA van die tragische dramaturgie is te sterk, het vecht zich door alle modieuze hedendaagsheid een weg naar de oppervlakte. En waarom zou je die couche überhaupt proberen leggen? Vanwaar die angst dat het origineel niet voldoende zou zijn? Een schutlaagje ‘nu’ maakt een voorstelling niet ‘relevanter’, hoogstens diffuser.

Elektra van Julie Van den Berghe staat er. De stem van de voorstelling hoeft in interviews en dramaturgisch leaflets niet overschreeuwd te worden door een secundair discours. Wat hier ontbreekt is de noodzakelijke complicité tussen maker en kunstwerk, het vaste geloof van de maker in wat het kunstwerk zélf te zeggen heeft. Een basisvertrouwen, dat de voorstelling toelaat op eigen kracht te spreken. Waardoor de maker er rustig het zwijgen kan toedoen.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.