Joeri Thiry (c)

Simon Knaeps

Leestijd 6 — 9 minuten

Jong werk op TAZ#2018: buren en Khadija El Kharraz Alami

Het hieronder staande citaat van Lewis Carroll maakt deel uit van het decor van Blue Skies Forever maar zou met wat goede wil ook van toepassing kunnen zijn op het personage uit Nu ben ik Medea. Zowel buren als Khadija El Kharraz Alami gaan op zoek naar de eigen – vrouwelijke – identiteit binnen de westerse wereld. Ieder op zijn – of beter: haar – manier. De één aan de hand van een koele absurdistische performance, de andere met een persoonlijke en intense biecht. Beide voorstellingen maakten deel uit van de programmatie Jong Werk op Theater Aan Zee.

Dear, dear! How queer everything is to-day! And yesterday things went on just as usual. I wonder if I’ve been changed in the night? Let me think: was I the same when I got up this morning? I almost think I can remember feeling a little different. But if I’m not the same, the next question is, Who in the world am I? Ah, THAT’S the great puzzle! (uit Alice in Wonderland van Lewis Carroll)

Blue Skies Forever (buren)

In Blue Skies Forever tuimelen we door de rabbit hole en komen terecht in een blauw Wonderland, de fantasiewereld van kunstenaarsduo buren. Voor deze multimediale performance vertrokken Melissa Mabesoone en Oshin Albrecht vanuit hun fascinatie voor de vrouwelijke personages in het videokunstwerk Ever is Over All van Pipilotti Rist: de schijnbaar onschuldige Dorothy en de hard-boiled agente Officer – beiden uiteraard in het blauw.

Aanvankelijk is de ruimte waarin Dorothy en Officer zich bevinden, een strakke huis clos. Alle rekwisieten en decorstukken staan er met geometrische precisie op de witte vloer. Gaandeweg transformeert de scène in een dadaïstische speeltuin. De lichamen en de gesproken of gezongen tekst leggen eenzelfde parcours af als de scenografie: van strak en meticuleus naar meer fluïde en onbezonnen. Behalve die beweging van orde naar chaos is valt er niet meteen een duidelijke opbouw te bespeuren.

Dorothy en Officer lijken in opstand te komen tegen de stereotiepe male gaze. Ze zijn echter niet minder slachtoffers dan heersers in hun universum. Ze zetten deze naar hun hand en bevrijden zich zo van hun strakke genderrollen. Toch is Blue Skies Forever een stuk minder uitgesproken feministisch dan het activistische Ever Is Over All. buren problematiseert de seksualisering van de vrouw binnen de kunst en populaire media zonder deze zomaar als verwerpelijk te veroordelen. De harde agente ontdooit in een speelser, vrijer wezen en een tragisch vermoorde Playboy Bunny vloeit dan weer probleemloos over in een Moeder Theresa-achtige figuur.

Wie in Blue Skies Forever op zoek gaat naar een logische structuur of een duidelijke boodschap is eraan voor de moeite. Handelingen en scènebeelden volgen elkaar op zonder heldere samenhang. Wat alles bij elkaar lijkt te houden is een netwerk van verwijzingen naar andere kunstwerken, films en boeken, maar ook gewoon nieuwsfeiten en artikels. Als je deze referenties niet (her)kent, is er nog altijd genoeg aan de hand om verrast te blijven kijken en te verdwalen in de gekke kronkels van Albrecht en Mabesoone. Of het laat je onverschillig. Als toeschouwer moet je namelijk zelf aan de slag om verbanden te leggen en je eigen mening te vormen en daar heeft niet iedereen altijd zin in.

De enige constante en houvast in de voorstelling is de achterwand waartegen gespeeld wordt: een groot doek met daarop een collage van tekst en beeld die voortdurend in dialoog is met wat op de scène gebeurt. Je zou het kunnen beschouwen als een handleiding bij de intertekstuele dimensie van de voorstelling of een blauwdruk van hun inspiratie. Pagina’s uit Lewis Carrolls Alice in Wonderland hangen er naast fragmenten uit meer theoretische teksten over sekswerkers, foto’s van de eerste vrouwelijke politieagenten en stills uit HBO’s Westworld, waar krachtige vrouwen koning zijn.

buren timmert al vijf jaar aan de weg en die ervaring is zichtbaar. Beide performers hebben een opleiding in de beeldende kunst achter de rug en presenteerden hun eerdere werk dan ook voornamelijk in museale contexten. Zo verging het enkele voorstudies van Blue Skies Forever. Toch gaat hun voorstelling nog steeds door voor ‘Jong Werk’ hier op Theater Aan Zee. Is dat omdat ze nu voor het eerst de theaterruimte betreden om – zoals aangegeven in de brochure van TAZ – te onderzoeken ‘hoe hun beeldtaal zich verhoudt tot de specifieke codes en verwachtingen’ die daar heersen? Het museale karakter is duidelijk voelbaar tijdens de voorstelling. Je vraagt je af wat nu de meerwaarde is om dit in een klassieke theatercontext op te voeren. De overtuiging waarmee Mabesoone en Albrecht staan te performen en het feit dat je achteraf de vloer op mag om de scenografie van binnenuit te beleven, maken echter veel goed.

Nu ben ik Medea (Khadija El Kharraz Alami)

Een stuk makkelijker om te lezen is de intertekstualiteit van Nu ben ik Medea. Khadija El Kharraz Alami verbindt haar Marokkaans-Nederlandse identiteit met het verhaal van Medea, de bannelinge uit Kolchis die haar twee zonen vermoordt nadat Jason haar verlaat. Nu ben ik Medea is een intense ontleding van het eigen ik die weinigen onberoerd laat.

Een bipolaire moeder, een vader die er nooit was en vooral veel casual racism – ‘wat spreek je goed Nederlands!’ – zijn enkele van de ingrediënten die El Kharraz Alami hebben gemaakt tot wie ze nu is. Deze Khadija, dochter van twee werelden, voert ze nu op als personage in haar eerste solovoorstelling. Voordien werkte ze samen met Scarlet Tummers onder de naam Le Mouton Noir waar ze met De Bacchanten ook al haar voorliefde voor de Griekse mythologie liet zien.

Kasper Coster (c)

Nu ben ik Medea is een intiem zelfportret van een vrouw die spreekrecht opeist, en van een jonge actrice die de strijd aangaat met haar eigen gespletenheid. Deze komt onder meer tot uiting in de zwart-witte kostumering en de belichting die op een gegeven moment haar gezicht in tweeën splijt. En dan zijn er nog de voortdurende schakels in haar spel. Nu eens is ze de sarcastisch tierende Medea die het Khadija-personage aanmaant stelling in te nemen, dan weer de ontwapenend glimlachende Khadija zelf die spelletjes speelt met het publiek. Anekdotes uit haar jeugd glijden, niet altijd even naadloos, over in monologen van Medea. Hierdoor is het vaak niet duidelijk wie nu precies aan het woord is. Ook de redenen waarom ze haar eigen verhaal überhaupt vermengt met dat van de bekende kindermoordenares zijn niet altijd even helder of sterk. Die verwarring doet de voorstelling weinig goed, maar de energie waarmee ze het allemaal staat te vertellen is desondanks indrukwekkend.

Het krachtigste element van de voorstelling – de publieksparticipatie – legt meteen ook het grootste pijnpunt bloot namelijk dat El Kharraz Alami er niet altijd in slaagt de spanning even hoog te houden. Tot driemaal toe vraagt ze het publiek op te staan waarna ze er enkele stellingen over maatschappelijke privileges op afvuurt. Als ze niet van toepassing op je zijn, mag je weer gaan zitten. Op een slinkse manier legt El Kharraz Alami zo het schrijnende gebrek aan diversiteit bloot van het TAZ-publiek wanneer na enkele vragen het grootste deel van het publiek nog steeds recht staat. Verbaasd schakelt ze dan maar snel over op eenvoudigere en uiterlijke kenmerken, waardoor uiteindelijk slechts enkele toeschouwers overschieten, die ze transformeert tot een koor waar ze in dialoog mee treedt. Dat alles mag wel voor wat hilariteit zorgen maar tegelijkertijd ondergraaft ze zo ook de kans om het – witte en westerse (Oostendse) – publiek dat ze voor zich heeft een ongemakkelijke spiegel voor te houden.

Hoe dan ook brengt ze met dergelijke momenten een interessante spanning teweeg: elke avond is anders aangezien elk publiek anders reageert. Zo flirt El Kharraz Alami in de voorstelling die ik bijwoon toevallig (?) met een van de recensenten in de zaal die ze tot haar ersatz-Jason heeft uitverkozen. Iemand anders, die doodleuk is blijven zitten, antwoordt dan weer rechtuit dat hij niet van publieksparticipatie houdt. Er ontstaan ook enkele momenten van breekbare oprechtheid. Zoals de vrouw die bekent zich nooit een kind te hebben gevoeld of de man die eerlijk toegeeft de draad van de voorstelling te zijn kwijtgespeeld.

Tot driemaal toe slaagt El Kharraz Alami erin het publiek op deze manier bij de keel te grijpen. Maar wat jammer dat ze die grip niet weet te behouden. Na zo een interventie trekt ze telkens de vierde wand weer op en keert ze terug naar de monoloog. De intieme connectie die ze net met het publiek heeft opgebouwd, geraakt zo telkens weer verstoord. Ook de ironische toon van Medea die in het spreken van het Khadija-personage binnensluipt, bemoeilijkt het voor het publiek – of voor mij toch alleszins – om op te gaan in haar verhaal. Deze toon lijkt wel een masker waarachter El Kharraz Alami haar eigen kwetsbaarheid lijkt te verstoppen, wat paradoxaal genoeg soms ook weer ontroerend werkt.

Gelukkig slaagt ze er regelmatig in de ironie te overstijgen en oprechtheid toe te laten in haar spel waardoor speler en personage samenvallen. Ook al blijf je met een lichte honger achter en met het verlangen dat El Kharraz Alami harder zou slaan, als je een blik werpt op het applaudisserend publiek, terugdenkend aan sommige interacties tussen de kunstenares en de toeschouwers – de man die uiteindelijk zijn draad terugvond bijvoorbeeld – en je weet dat de voorstelling bij sommigen meer dan hard genoeg is binnengekomen.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

Simon Knaeps

recensie