Jan Fabre/Troubleyn – Mount Olympus

Regimekunst  

‘Breathe, just breathe. And imagine something new.’ Na een afmattende zit van 24h hoor je eindelijk de slotwoorden van Mount Olympus. Een kwartier eerder veerde het publiek in de Bourlaschouwburg al massaal recht om Jan Fabre’s ‘krijgers van de schoonheid’ toe te juichen, die bedekt onder veelkleurige lagen verf en glitterstof, hun achterwerk ritmisch op en neer stonden te schudden in de richting van het auditorium. Twerken heet zoiets. De dansstijl werd wereldberoemd dankzij de superster Miley Cyrus, die binnen de wereld van de mainstream popcultuur de twijfelachtige status geniet de grenzen van de pornificatie van het menselijke lichaam nog verder te hebben opgerekt. Wat stelt Fabre zich eigenlijk zelf voor bij ‘something new’? Rond zijn alom gehypete en met superlatieven overladen ‘meesterwerk’ hangt het aura van een heroïsch maatschappelijk verzet, terwijl de voorstelling gewoon de dominante ideologie van onze tijd reproduceert in een verhevigde vorm.

Mount Olympus kan worden gezien als een synthese van Fabre’s indrukwekkende loopbaan als kunstenaar. Hij drijft een aantal van zijn beproefde artistieke strategieën op de spits en nodigde enkele van zijn fetisj-acteurs van de voorbije dertig jaar uit, ijzersterke performers als Els Deceukelier, Mark Moon Van Overmeir en Renée Copraij. Tegelijk is de voorstelling één grote odyssee kriskras doorheen het universum van de Griekse mythologie. In een etmaal passeren Darius, Eteocles, Hecuba, Odysseus, Oedipus, Creon, Iocaste, Pentheus, Phaedra, Hippolytus, Alcestis, Hercules, Clytemnestra, Agamemnon, Iphigenia, Cassandra, Electra, Orestes, Medea, Jason, Antigone, Chrisippus, Ajax en Philoctetes de revue, met alle gruwel, wraakgevoelens en intriges van dien. De liters bloed en stukken rauw vlees vliegen – letterlijk – in het rond. Heer en meester van dit bonte gezelschap is zonder twijfel de god van wijn, roes en waanzin, Dionysus, die om de haverklap naar het podium terugkeert om er met een superieure grijns op het gelaat keet te schoppen. Zijn tegenhanger Apollo, de bedachtzame god van het licht en de rede, valt nergens te bespeuren.

Zoals Fabre’s befaamde durational performances uit de jaren 1980, Het is theater zoals het te verwachten en te voorzien was en De Macht der Theaterlijke Dwaasheden, die onlangs werden hernomen, zijn ook grote delen van Mount Olympus opgetrokken uit taken die de performers tientallen keren na elkaar herhalen: het reciteren van een paar regels, het uitvoeren van een bepaalde handeling of dansen van een korte frase,… Soms leiden de repetitie en de duur tot de aanwas van steeds andere interpretaties, en soms tot het ‘zich ledigen’ van het getoonde (alsof betekenis er gradueel uit weglekt). Bijna altijd resulteren ze in de uitputting van de performers. Clytemnestra en Iphigenia cirkelen op een bepaald moment meer dan een kwartier lang rond de oorlogsheld Agamemnon, terwijl ze als planeten rond de zon tegelijkertijd ook voortdurend rond hun eigen as draaien. Gaandeweg haperen hun sierlijke bewegingen meer en meer. Eén van hen struikelt, maar staat direct weer op om verder te dansen, aangemoedigd door een wild applaus dat zich uitstrekt van de parterre tot op het balkon van het vierde verdiep. Je vraagt je af welke backstage praktijken zoveel lichamelijk uithoudingsvermogen onderstutten. Laat ons hopen dat deze beperkt blijven tot massages en power naps.

Anders dan bij de Amerikaanse dansmarathons tijdens de Grote Depressie van de jaren 1930, waar koppels naar het schijnt soms meer dan honderd uur lang rondjes draaiden om een geldprijs te winnen, spreekt uit het uithoudingsvermogen in Mount Olympus geen wanhoop maar de heroïek van de subversie. De performers, die Fabre al een carrière lang zijn ‘krijgers van de schoonheid’ noemt, spreiden een indrukwekkende combinatie tentoon van fysieke durf en transgressie. Maar wat is het morele appel dat onmiskenbaar van deze voorstelling uitgaat? Tegen wie of wat verzetten zijn krijgers zich eigenlijk? Tegen de macht van de grote, boze Regisseur? In dat geval kunnen we verzet compleet gelijkstellen aan onderwerping: hoe meer de lichamen zich ‘verzetten’ tegen de disciplinering van hogerhand, hoe gedisciplineerder ze zich tonen. Het zijn dan geen wolven, maar schapen in wolvenvacht.

Een ander antwoord horen we uit de mond van de ziedende Ajax, die iedereen oproept om te revolteren tegen de ‘dictatuur van de slaap’. Wanneer tegen het einde van de marathonvoorstelling het merendeel van de cast het gevecht tegen de vaak schijnt te verliezen (we zien een merkwaardige mengeling van ‘echte’ vermoeidheid na al die uren hard labeur en een ongeloofwaardig geacteerde slaperigheid), beent de krijger woest over de scène om de geeuwers wakker te maken door hen tegen de kont te trappen of aan de haren te trekken – wat hij een tiental keer moet herhalen. De slaap blijkt een hardnekkige vijand. Flinke Ajax representeert de in onze tijd veel nadrukkelijker aanwezige ‘dictatuur van het waken’. In zijn verwoede zoektocht naar nieuwe wingebieden, boekt het hedendaagse consumptiekapitalisme namelijk grote terreinwinsten op het vlak van de tijd. Nu we steeds bereikbaarder moeten zijn voor communicatie, steeds meer beschikbaar om te werken en te consumeren, eten onze dagen onze nachten op. Kinderen mogen zich niet meer vervelen, een party moet zich uitstrekken over het hele weekend en we moeten toch ook kunnen kopen op zondag. In een 24/7 samenleving kan (moet) iedereen doorlopend productief, communicatief en performatief zijn. ‘Je veux une vie sans interruptions’, zo klinkt het in Mount Olympus. Een absolute verschrikking.

Onder de dictatuur van het waken schuilt de ontkenning van ziekte, ouderdom en dood. Ouder worden, er ouder uitzien, tijdens het leven de dood onder ogen leren zien, proberen te leven met de lichamelijke aftakeling door ziekte,… Dat alles lijkt vandaag wel een vloek. Er wordt nochtans druk gestorven in Mount Olympus. De Griekse mythologie telt namelijk vele casualties. Maar de doden mengen zich op scène tussen de levenden en blijven dwangmatig doorademen, doorpraten en doorrennen. Echt sterven wordt hen niet toegestaan. Nota bene één van de oudere actrices, Anny Czupper, noemt slaap op een bepaald moment ‘een inspiratieloze repetitie van de dood’. Zelfs als ze dood zal zijn, zal ze trouwens niet echt slapen: ‘ik zal eeuwig slapen met mijn ogen open’. Hoe heten zo’n doden ook alweer? Zombies.

Lang blijf ik me afvragen: gaat het hier wel om een platte affirmatie van het 24/7-regime en niet eerder om een of andere subtiele kritische mimese? Mijn twijfel verdwijnt tijdens één van de orgastische slotscènes. Het jongste deel van de cast teert er op de laatste restjes energie om zich de ziel uit het lijf te lopen (zonder vooruit te gaan, alsof de performers zich op een loopband bevinden), terwijl het verschillende kleuren verf en glitterstof over zich heen krijgt gekieperd. Pas nadat mijn ogen zijn gewend geraakt aan alle drukte, merk ik het eenzame koppeltje op dat vooraan vredig ligt te slapen. Dàt is pas verzet, denk ik opgelucht bij mezelf. Maar wat blijkt? Even later staan de twee op om vrolijk mee te rennen en daarna mee te twerken.

Of wacht. Misschien zie ik het toch helemaal verkeerd en is het waken eigenlijk een metafoor voor het denken? Is de plicht om wakker te blijven in essentie een oproep tot zelfstandig denken? Tot het resoluut afwijzen van de vele manifestaties van de schone schijn die onze kritische zin in slaap dreigen te sussen? De manier waarop in Mount Olympus intellectuelen worden geportretteerd, spreekt die lezing echter tegen. Ergens voorbij het midden van de voorstelling mogen in een komisch bedoelde scène een aantal Griekse filosofen komen opdraven. Het blijken zwakke figuren te zijn, die nietszeggende kreunen als ‘oooh’, ‘aaah’ en ‘euh’ voortbrengen. Net op het ogenblik waarop ze iets heel belangrijks lijken te willen gaan zeggen, nemen ze een trekje van hun pijp, waar vervolgens geen woorden uit komen maar rookpluimpjes die machteloos vervliegen in de lucht. Het is een huizenhoog cliché: filosofen turen naar de sterrenhemel en zien daardoor het putje van Milete niet. Wat vertelt ons dit ridiculiseren van de intellectueel, na al die spontane vieringen van het transgressieve lichaam en de bloeddorst van de Griekse strijders? Just do it. Gewoon doen, in plaats van denken. ‘Make America Great Again!’, roept Donald Trump aan de overkant van de Oceaan. Onze wereld is er in werkelijkheid alleen maar complexer op geworden. Daarom hebben we vandaag meer dan ooit nood aan tijd en aandacht voor grondige reflectie. Vita contemplativa. Aan het einde van zijn voorstelling gaat Fabre echter nog een stapje verder. Vol minachting spreekt Dionysus over die marginale ‘poëten’ die geloven dat er geen ene waarheid bestaat, maar meerdere waarheden zijn. Bullshit, zegt de drankgod, er is natuurlijk maar één waarheid. En die heet: waanzin.

Klinkt dat niet een beetje fascistisch?, vraag ik me af. Kan je iets überhaupt ‘een beetje fascistisch’ noemen? Ik ben niet de eerste die het verband legt tussen dat hoge woord en het werk van Fabre. En het blijft natuurlijk ‘maar theater’. Desondanks spreekt er een bepaald mens- en wereldbeeld uit Mount Olympus, dat niet onschuldig is – zeker in de penibele tijden waarin we leven. Ik ga daags nadien te rade bij de wijze Susan Sontag, die in haar essay Fascinating Fascism uit 1974 de fascistische wensdroom als volgt kenschetste: ’(Fascism) stands for an ideal, and one that is also persistent today, under other banners: the ideal of life as art, the cult of beauty, the fetishism of courage, the dissolution of alienation in ecstatic feelings of community; the repudiation of the intellect; the family of man (under the parenthood of leaders).’ De meeste kenmerken vind ik terug in Mount Olympus. De voorstelling wordt getekend door het fascisme in één van zijn hedendaagse gedaantes, die van het 24/7-regime.

Ook de fysieke toestand waar dit evenement je als toeschouwer toe voert, is betekenisvol in het licht van dit alles. Niet alleen dreigt het gebrek aan slaap de kritische zin uit te wissen, ook de dwingende publieksdramaturgie, die aanstuurt op een Dionysische deelname, kan de geesten bedwelmen. Als aan het eind de hele ploeg in één langgerekte orgastische ontlading meer dan tien keer ‘give us all the love you got!’ roept, dan joelt het publiek in koor en gaan de handen en masse op elkaar. Ik wil jullie helemaal niet al mijn liefde geven, denk ik stilletjes bij mezelf. We lijken ons niet in de Bourlaschouwburg maar op de festivalweide van Tomorrowland te bevinden. Ook daar kan je je volop laven aan repetitieve extase en vrijheidsdwang. Ook daar wordt gedweept met de toekomst. Ook daar gaat onder het delirium van het nieuwe niet meer dan een hyperbolische bevestiging van het bestaande schuil. ‘Imagine something new.’ Die opdracht kunnen we perfect terugkaatsen naar Fabre zelf. Regimekunst krijgt van mij nul sterretjes.

Bourlaschouwburg, 30 januari 2016

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

Sébastien Hendrickx

Sébastien Hendrickx is schrijver en freelance dramaturg. Hij maakt deel uit van de kleine redactie van Etcetera.