‘Because I always feel like running’, Ogutu Muraya © Ernst van Deursen

Carolina Maciel de França

Leestijd 10 — 13 minuten

(In)gekleurd

Hoe het collectieve het individu onder de voet loopt

Deze tekst staat stil bij de keren dat het verhaal van een individu gebruikt wordt om een punt te maken over een groter geheel of collectief. Om in stijl te blijven wordt het punt over grotere gehelen gemaakt aan de hand van het verhaal van twee individuen. Ze hebben hier geen toestemming voor gegeven. Sorry daarvoor.  

Individu I: Ogutu Muraya

De Gouden Zaal van de Beursschouwburg in Brussel. Het zaallicht wordt gedoofd, de grote groep zwijgt en
 het individu begint. Ogutu Muraya vertelt het verhaal van drie atleten uit de jaren 1970. Alles aan Muraya is zacht en beheerst, alsof hij zich bewust is van een kracht die hij op dat moment niet wil gebruiken. Hij voert zijn monoloog half in het duister en doorloopt hem zonder al te veel beweging – ook al suggereert de titel van de voorstelling het tegenovergestelde. Because I always feel like running begint met het verhaal van de Axum-obelisk, het 24 meter lange granieten monument dat Italië uit Ethiopië stal en dat tot 2005 op de Piazza di Porta Capena in Rome stond. Muraya vertelt hoe die obelisk van 160 ton ooit van Ethiopië naar Rome is verhuisd: over land, de rivier af, dan weer over land, over zee, nog eens over land en dan weer in elkaar werd gezet. Gewoon omdat Mussolini op dat moment Ethiopië ‘bezat’ en de dictator vond dat dat kon.

Wie weet wat Abebe Bikila denkt als hij de obelisk,
 die uit de stad Axum in zijn thuisland werd gestolen,
 op de Piazza di Porta Capena ziet staan. De Ethiopische atleet is op dat moment bezig aan een marathon op de Olympische Spelen van 1960. Op blote voeten, want zijn schoenen, die net voor de wedstrijd door de sponsor waren geleverd, zaten ongemakkelijk. Abebe Bikila wint goud, hijst de Ethiopische vlag en heel Ethiopië viert feest.

Muraya fastforwardt naar 1967 en 1968, wanneer Kenia enTanzania feestvieren om de overwinning van de Keniaan Kipchoge Keino op de British Commonwealth Games en de deelname van de Tanzaniaan John Akhwari aan de Olympische Zomerspelen in Mexico. Akhwari is de enige in het verhaal van Muraya die geen medailles wint. Hij verdient zijn plek in de monoloog omdat hij de marathon in Mexico helemaal heeft uitgelopen, ondanks zware blessures en verwondingen. Na uren strompelen komt hij als laatste aan. Wanneer een journalist hem vraagt waarom hij dat deed terwijl hij wist dat hij niet zou winnen, antwoordt hij: ‘My country did not send me 5,000 miles to start the race, my country sent me 5,000 miles to finish the race.’ Een überromantisch antwoord dat getuigt van grote loyaliteit aan zijn land. Het valt 
niet te ontkennen dat je als individu wel heel veel lobi (Surinaams voor liefde) voor je land moet hebben om 
je lichaam zo kapot te lopen.

“De kracht van nationalisme komt niet tot uiting in extreme expressies als vaderlandsliefde of xenofobie, maar in de latente structuur: de ideologieën waarover niemand nog nadenkt.”

Ogutu Muraya nodigt het publiek met die individuele verhalen van drie marathonlopers uit om na te denken over de spanning tussen een collectief en een individu daarin. Drie keer gaat het over landen die net op dat moment aan hun onafhankelijke staat timmerden, of op zijn minst gelijkheid, gelijkwaardigheid of gelijke rechten eisten. Drie keer staat het welslagen van het individu bijna automatisch symbool voor het welslagen van het grotere geheel, simpelweg door de vlag die bij de zege om de schouders wordt gelegd of doordat de overwinning ook als een verworvenheid voor de natie wordt beschouwd. Maar hoe dieper Muraya in het persoonlijke perspectief graaft, hoe meer je merkt dat je als toehoorder enige afstand van het individu houdt. Misschien door het frame van een internationale sportcompetitie, misschien door het frame van zijn performance – ergens merk je dat het individu ondergeschikt is aan het collectief en in naam van het geheel van zijn individuele menselijkheid wordt ontdaan.Terwijl ik met enige schaamte denk aan hoe hard ik van een voetbalwedstrijd kan genieten en me realiseer hoeveel complexer de kaders van internationale sport nu zijn, glijden de lappen tekst voorbij op het scherm achter Muraya:

The first nut he had to crack was the old colonial prejudice that Africans would run only for a pot or a panga, never for the love of it.

The whole thing is bound up with nationalism – the lunatic habit of over-identifying with large power units, and seeing everything in terms of competitive prestige. The growing pains of a young nation are felt in its sports arenas.

At the international level sport is war minus the shooting.

You play to win – the game has little meaning.

Competitive sport conditions us to see winning as a collective victory, but losing as a personal failure.

I run to enter a void.

People want to see one side on top and the other side humiliated.

Spectators infkuence the game by rattling the opposition with boos and insults.

It has nothing to do with fair play.

It is bound up with jealousy, boastfulness, disregard of all rules — and sadistic pleasure in witnessing orgies of hatred.

I wake up in the middle of the night with black faces laughing at me.

Gold medals around their necks. Medals I will never win.

He put a gun to my throat and said,
 ‘You monkey what are you doing here?’
I said, ‘I didn’t know I am a monkey –
 in my country I am a human being.’
‘If you dare run, monkey, I’ll blow your brains out.’

Het racisme waarmee de atleten indertijd werden geconfronteerd, moet verlammend zijn geweest. Wanneer een van die atleten dan de gouden medaille wegkaapt, is de triomf des te groter. Maar dat is niet het enige dat het tijdsframe van de monoloog, de jaren 1970, zo dubbel maakt. Talloze Afrikaanse, Aziatische, Oost-Europese en Caraïbische landen riepen ongeveer op dat moment hun onafhankelijkheid uit. Maar de structuren waarbinnen de nieuwe naties om legitimiteit wedijverden, leken vaak identiek aan de structuren van de ‘oude staten’. Hoewel het gevaarlijk en eurocentrisch kan zijn om de Europese context klakkeloos naar een ander, gigantisch en complex continent over te planten, kan je er niet omheen dat nationalisme een koloniaal concept is. We kunnen dus wel wat meenemen uit de theorie van Michael Billig, de schrijver van Banal Nationalism11Billig, M. (1995). Banal Nationalism. Londen. Sage. . Hij toont hoe een nationale identiteit met kleine symbolen wordt geconstrueerd. ‘Een’ land, ‘een’ taal, ‘een’ geschiedenis, nieuwe vlaggen, atleten die de kleuren trots op hun schouders dragen … Al die dingen die zogezegd bij de natie horen, worden gestaag in ons doen en denken gemasseerd, zo subtiel dat niemand zich nog afvraagt of die denkpatronen en gewoonten nu aangeboren zijn of aangepraat. Daarom zegt Billig dat de kracht van nationalisme niet tot uiting komt in extreme expressies van (enerzijds) vaderlandsliefde of (anderzijds) xenofobie, maar uit de latente structuur die eraan ten grondslag ligt: de heersende ideologieën waar niemand nog over nadenkt en die bijna blindelings worden gereproduceerd.

‘Fractured Memory’, Ogutu Muraya © Sarah Oyserman

Door te focussen op extremen, wordt de manier waarop we standaard denken net een blinde vlek. De perfecte hegemonie is, volgens Antonio Gramsci, de ideologie die niemand (als ideologie) ziet.22Rosengarten, F. (2018, 11 januari).
 An introduction to Antonio Gramsci’s life and thought. International Gramsci Society (IDS). http://www.internationalgramscisociety.org Hoe onafhankelijk waren die nieuwe staten in de jaren 1970 echt, door nieuwe structuren te bouwen die leken op de structuren die ze verwierpen? Precies die bedenking vinden we terug in het manifest van het dekolonialisme van Alanna Lockward en andere denkers van het Transnational Decolonial Institute (TDI):

Nationalism did not originate in China or the Arab World but in Europe. Nationalism beyond Europe is a derivative phenomenon – a direct consequence of coloniality. It is a two-edged sword because on the one hand, nationalism in the Non-European world provides a tool to confront Western encroachments; it is instrumental in counteracting those neo-liberal ideologies that are conveniently chastising nationalism in the name of globalization and free trade for the benefit of corporations. On the other hand, nationalism in Non-European countries could also lay the discursive foundation for the political and financial elite that would allow them to alienate and exploit their own population.33Transnational Decolonial Institute (TDI). (2011). Exploring the formation and transformation of the darker
side of modernity: coloniality – Decolonial Aesthetics (I). https://transnationaldecolonialinstitute.wordpress.com/decolonial-aesthetics/

Enerzijds was het kopiëren van de nationalistische structuur dus de snelste manier om op globaal niveau mee te dingen en de hegemonische ideologieën van binnenuit 
te veranderen. Anderzijds bestond uiteraard het gevaar dat nationalisme in die postkoloniale context een oude gevangenis met nieuwe tralies zou worden. Een besef dat de frictie tussen het individu en het collectief in Muraya’s monoloog nog scherper maakt. Op een of andere manier blijft het nazinderen dat de atleten die Muraya noemt stuk voor stuk werden geïnstrumentaliseerd voor de boodschap van het collectief. Natuurlijk kun je als atleet niet aan een internationale wedstrijd deelnemen en die ook winnen als je niet graag sport. Maar je deelt je lichaam op dat moment bijna per definitie met een groter collectief. Dat staat los van hoe ver het individu zelf kan en wil gaan in naam van het collectief. Hoeveel blijft er op dat moment nog over van de individuele identiteit?

Individu II: Emma Lesuis

Toevallig of niet schreef journaliste en documentairemaakster Emma Lesuis amper een maand geleden een column in De Correspondent44Lesuis, E. (2018, 13 januari). Waarom ik helemaal klaar ben met het hokje ‘diversiteit’. De Correspondent. https://decorrespondent.nl/7811/ waarom-ik-klaar-ben-met-het-hokje- diversiteit/1680124322932-f465efc1 die de spanning tussen individu en collectief op een heel andere manier illustreert. Lesuis’ aanleiding voor de column was een racistisch voorval dat ze als weggebruiker heeft meegemaakt (een automobilist was het niet eens met haar fietsgedrag en schold haar uit voor ‘kankernegerin’). Ze legt uit dat dit extreme voorbeeld van raciale agressie haar zeker heeft geraakt, maar lang niet zo erg als de onschuldig klinkende, goedbedoelde opmerkingen die ze bijna elke dag moet verwerken – zoals ‘je hebt een mooie dictie voor een Surinamer’, en ‘you had a lot of chocolate milk’ – maar ook de verdoken beledigingen of betuigingen van twijfel aan haar professionele kwaliteiten die ze tijdens haar carrière heeft moeten incasseren – zoals ‘je wordt vast aangenomen omdat je zwart bent’.

Lesuis legt de vinger op de dominante retoriek in
 onze media, ons onderwijs en de geschiedenislessen die we denken op school te hebben geleerd, en hoe haaks 
die vaak staan op de complexiteit van een individu. Ten tweede illustreert ze een fenomeen dat hier meteen op volgt en dat in de sociologie micro-agressions wordt genoemd: opmerkingen die mensen systematisch reduceren tot een oppervlakkig deel van henzelf, maar die vaak te subtiel of te onschuldig lijken om erop te reageren. Bijvoorbeeld omdat ze duidelijk maken dat men Emma
 op basis van haar uiterlijk als ‘niet van hier’ bestempelt, terwijl ze zich net zo Nederlands voelt ‘als blonde Willemijn uit Oegstgeest’. De ‘ander’ is makkelijk herkenbaar want die heeft een ander uiterlijk, spreekt een andere taal, gebruikt andere kruiden en heeft een andere vlag.

“Micro-agressions zijn opmerkingen die mensen systematisch reduceren tot een oppervlakkig
 deel van henzelf, maar die vaak 
te onschuldig lijken om erop te reageren. Zoals muggenbeten.”

Om de kern van het probleem te verhelderen, worden micro-aggressions55Same Difference/Fusion Comedy. (2016). How micro-aggressions
 are like mosquito bites. https://youtube.com/hDd3bzA7450 weleens met muggenbeten vergeleken: ze zijn vervelend, lastig om iets tegen te doen en lijken aanvankelijk misschien niet zo’n groot probleem. Iedereen begrijpt dat het geen zin heeft om een kanon op een stel muggen te richten, maar toch kunnen ze je tot waanzin drijven. Mensen die vaker dan anderen worden gestoken (onderweg naar het werk, op het werk, op tv, in de krant, in de theaterzaal, enzovoort) hebben gelijk als ze om structurele oplossingen voor het probleem vragen. Om de rest van de wereld te kunnen koloniseren, hebben de naties die we nu vaak ‘het Westen’ noemen eeuwenlang fysiek, psychologisch, academisch geweld gepleegd, om etnische en culturele verschillen te benadrukken en de ideologie te installeren van de superioriteit van de witte etnie boven andere etnieën en culturen. Onze moderne wereld is naast een poel stilstaand water gebouwd waarin die landen honderden jaren ongebreideld de eitjes van dit denkkader hebben gelegd. Gelukkig is die koloniale structuur officieel zo goed als opgeheven, onder die naam toch. Maar nu begint eigenlijk het echte werk: het ‘oude denken’ dat nog subtiel en onzichtbaar in onze maatschappij verweven zit zichtbaar maken, deconstrueren en vervangen door nieuwe denkkaders.

‘Yellow Towel’, Dana Michel © Ian Douglas

Dat die transitieperiode van het oude naar het nieuwe denken soms vermoeiend is voor het individu dat gewoon wil zijn wie hij/zij/het is, is het derde punt dat Lesuis maakt met haar column (overigens getiteld ‘Waarom ik klaar ben met het hokje ‘diversiteit’’):

‘[…] al was ik allochtoon, ik ben van hier. Toch word ik regelmatig in het hokje ‘diversiteit’ geplaatst. Vaak is
 dat op basis van mijn huidskleur of mijn veronderstelde afkomst. In ieder geval is het niet om mijn verhaalideeën of de dingen die ik produceer.’

‘Hoezeer ik ook ben voor het streven naar diversere samenstelling van organisaties, soms ben ik die stempel een beetje zat.’

Halverwege de column stelt ze wat voor mij misschien wel de belangrijkste vraag van januari 2018 was: ‘Want wat is diversiteit nou eigenlijk?’

Als je goed kijkt en luistert, merk je dat niet iedereen dezelfde definitie hanteert. Lesuis zelf stelt vast dat het woord ‘diversiteit’ in haar (werk)praktijk vaak synoniem is voor etnische diversiteit. Wat in haar geval betekende dat ze misschien geïnstrumentaliseerd werd om de ‘progressiviteit van de instantie’ een gezicht te geven. Ze zegt dat ze diversiteitsmaatregelen wel steunt (want ze zorgen onder andere voor meer representatie en ‘representatie is noodzakelijk, zeker bij beeldbepalers’), op voorwaarde dat het meer is dan een cosmetische ingreep. Ze wil – terecht – ook gezien en aangesproken worden vanwege haar andere eigenschappen of kwaliteiten.

“Raciale elementen zeggen niet alles over een hele performance,
en ook niet over een oeuvre. Huidskleur is maar een van de onderdelen in een complexe mozaïek.”

Onwillekeurig koppelt mijn brein het woord ‘diversiteit’ nu aan de specifieke context van mijn werkveld 
(de Vlaamse kunstensector) en zie ik in de column van Lesuis een parallel met een dansvoorstelling die ik ongeveer een maand voor Ogutu Muraya’s Because I always feel like running in dezelfde schouwburg zag. De Canadese choreografe Dana Michel was er te gast met haar abstracte, bevreemdende en grappige performance Yellow Towel. Michel vervoegde het publiek na anderhalf uur intensieve fysieke arbeid voor een nagesprek en kreeg bijna uitsluitend vragen die aan haar huidskleur waren gerelateerd. Zichtbaar ontmoedigd beantwoordde Michel de vraag telkens met haar strategie als kunstenaar: hoe ze vanuit een magnetische kern van ideeën vertrekt, die bepaalde bewegingen en klanken aantrekt. Er zitten ongetwijfeld elementen in haar performance die iets over de kleur van haar huid zeggen; ze is wie ze is. Maar die raciale elementen zeggen niet alles over haar hele performance en ook niet over het oeuvre dat ze als hedendaagse kunstenaar wil uitbouwen. Haar huidskleur is maar een van de onderdelen in een complexe mozaïek; hokjesdenken werkt hier niet omdat het allerlei concepten probeert af te lijnen die van nature vloeibaar zijn.

‘Yellow Towel’, Dana Michel © Ian Douglas

Volgens de kaders die we tegenwoordig hanteren om over diversiteit te spreken–zoals die van Steven Vertovec (‘superdiversiteit’)66Ben Yakoub, J. & Barba, F. (2015, 19 november). (Re)framing the vocabulary in performing arts in Flanders. Etcetera. http://e-tcetera. be/reframing-the-vocabulary-in- performing-arts-in-flanders/ – kunnen we stellen dat die diversiteit alvast veel complexer is dan we haar vaak voorstellen.
 In België manifesteert die heterogeniteit zich in bijna tweehonderd nationaliteiten en een veelvoud aan levensstijlen, religieuze en politieke overtuigingen, economische contexten, tradities, gevoeligheden en allergieën. Het punt is dat het gedeelde hier en nu irrelevant wordt als wie erbij hoort (maar dus ook wie er niet bij hoort) nu nog wordt bepaald volgens de oude, historisch of hereditair geconstrueerde voorwaarden. Dat betekent dat we er in ons denken en spreken misschien baat bij hebben om naar die complexiteit te streven en de oude hokjes los te laten.

“Binnen het ‘hokje’ diversiteit 
zijn er verschillende bewegingen, stromingen en individuen.”

Binnen dat ‘hokje’ diversiteit zijn er dus verschillende bewegingen, stromingen en individuen. Zolang we nog met een onevenwicht in representatie kampen is het onmogelijk om met het woord diversiteit één stijl, één voorkeur of één strategie te duiden. Sommigen willen zich loswrikken van álle structuren die kenmerkend zijn voor ‘het oude’. Anderen willen ‘nieuwe naties’ stichten om onafhankelijkheid op te eisen. Sommigen willen corrigerend werken na eeuwen eurocentrisme en focussen op verzwegen perspectieven. Sommigen willen gewoon onleesbare stukken maken en op internationale podia schitteren. Idealiter zou er ruimte moeten zijn voor al die intenties en zou een individu zelf moeten kunnen kiezen welke vlag het wil dragen – als het er al een zou willen.

Hoe dan ook zijn we, historisch gezien, nog maar net begonnen met het zichtbaar maken van de schade van honderden jaren kolonialisme, geweld, geschiedvervalsing en onevenwicht.77Vazquez, R. (2009). Modernity, Coloniality and Visibility: The politics of time.  Een beetje geduld met jezelf en de ander helpt. We hebben nog een hele marathon af te leggen.

essay
Leestijd 10 — 13 minuten

Carolina Maciel de França

Carolina Maciel de França is sinds 2007 actief in 
het Vlaamse podiumveld en was onder meer artistiek medewerkster bij ARSENAAL/LAZARUS. Ze schrijft, adviseert en creëert. Voorts twijfelt ze momenteel tussen solliciteren en emigreren.

essay