© B. Uhlig / De Munt

Il prigioniero – Luigi Dallapiccola & Das Gehege – Wolfgang Rihm

De tirannie van het licht

Alsof ze voor elkaar gemaakt zijn, zo vanzelfsprekend en samenhangend horen de twee eenakters Il prigioniero (Luigi Dallapiccola) en Das Gehege (Wolfgang Rihm) bij elkaar. Maar ze zijn niet voor elkaar gemaakt: regisseur Andrea Breth en dirigent Franck Ollu wilden voor De Munt eigenlijk een nieuwe opera van Wolfgang Rihm opvoeren. De prominente Duitse componist had echter geen tijd, dus het duo koos voor Das Gehege uit 2006, een monodrama van Rihm van ongeveer veertig minuten. Ze bouwden het uit met een andere eenakter, van de Italiaanse modernist Dallapiccola, voltooid in 1948.

Deze nauwe samenwerking tussen regisseur en dirigent is vrij ongewoon, wat meteen een van de verklaringen is voor de bijzondere samenhang van de voorstelling. Vaak worden regisseur en dirigent apart gevraagd door het artistiek team, en wordt er tussen de twee wel overlegd, maar nog niet in zo’n vroeg stadium. In deze voorstelling is het dramaturgisch voorwerk, zelfs de keuze voor het repertoire gezamenlijk gemaakt, en dat merk je in de verweving van het concept met de muziek. Het is overigens de tweede keer dat Breth en Ollu samenwerken, nadat zij enkele jaren geleden Rihms Jacob Lenz uitvoerden.

De drama’s komen uit een andere eeuw, uit een ander land, uit een andere muzikale traditie. In beide voorstellingen echter staan thema’s van gevangenschap en marteling centraal – gevangenschap ten tijde van de Inquisitie in Il prigioniero, en de gevangenschap van een arend in de dierentuin, op de dag van de val van de Berlijnse muur, in Das Gehege.

In Dallapiccola’s werk, waarmee de voorstelling aanvangt, leeft een gevangene op wanneer zijn cipier hem ‘broeder’ noemt. De gevangene heeft eindeloze martelingen doorstaan, hij is door de Grootinquisiteur tot vijand bestempeld, zijn situatie is uitzichtloos. Door het teder gefluisterde ‘fratello’ krijgt hij weer hoop op vrijlating. De cipier laat inderdaad de deur van de kooi open en de gevangene ontsnapt, maar aan het eind van zijn tocht door het gevang wacht niet de vrijheid, maar de brandstapel. De gevangene realiseert zich dat de hoop die de cipier hem bood de laatste, vreselijkste marteling was. De cipier lijkt ineens verdacht veel op de Grootinquisiteur zelf.

In Das Gehege gaat een vrouw de strijd aan met een oude, gekooide adelaar in de dierentuin. (Het libretto is de slotmonoloog uit Schlußchor van Botho Strauß.) Ze pest hem, daagt hem uit in beweging te komen. Ze bevrijdt hem uit zijn kooi en wil dat hij haar overmeestert, ze projecteert op hem een erotische, masochistische fantasie. Maar de adelaar is futloos en doet niets, waardoor ze hem nog meer ridiculiseert. Dan zet hij toch ineens zijn klauwen in haar. De vrouw verzet zich, maar uiteindelijk blijkt zij de sterkere en verscheurt ze het beest.

Vrijheid versus gevangenschap: het minimalistische decor van Martin Zehetgruber toont het als een duidelijke tegenstelling. We zien een kooi, met daarin de gevangene. Wie buiten de kooi staat is vrij. In Il prigioniero bezoekt de moeder (Ángeles Blancas Gulín) haar zoon. Zij staat buiten de kooi. Na de dialoog, als haar rol is uitgespeeld, blijft ze in de buurt, ze ligt zwijgend op de kooi en wordt haast zelf een decorstuk. Blancas Gulín zingt ook de hoofdrol in Das Gehege, dus er wordt met haar blijvende aanwezigheid al vooruit gewezen: zij is de vrije vrouw die de adelaar met zijn gevangenschap confronteert.

“En dat is precies wat dit tweeluik zo hecht – en intrigerend – maakt: het slimme, verwarrende spel dat met de begrippen vrijheid en gevangenschap wordt gespeeld.”

In Das Gehege is de kooi een groot labyrint, over de hele breedte van het podium. De dominante aanwezigheid ervan zet de tegenstelling nog veel vetter aan dan in de eerste helft, maar er begint al wat te verschuiven. De verschillende gangen zijn vanuit de zaal niet te onderscheiden, ze vallen optisch over elkaar heen, waardoor je nooit weet wie er nu binnen of buiten de kooi staat.

En dat is precies wat dit tweeluik zo hecht – en intrigerend – maakt: het slimme, verwarrende spel dat met de begrippen vrijheid en gevangenschap wordt gespeeld. Ze worden vloeibaar en onbetrouwbaar, eerder een glijdende schaal dan een tegenstelling. Dat spel wordt op twee niveaus uitgespeeld: in het libidinale – beide voorstellingen zijn sterk erotisch geladen – en in de belichting, het werk van de meesterlijke Alexander Koppelmann.

Breth regisseert de verhouding tussen de cipier en de gevangene in Il prigioniero vanaf het begin al als erotisch geladen. De cipier (John Graham-Hall) houdt de gevangene van achteren beet, nog voor hij in het libretto als personage geïntroduceerd wordt. Want de gevangene (Georg Nigl) zingt: ‘Nu ben ik weer alleen.’ Het ‘fratello’ klinkt vanuit deze positie intiem, er is geen afstand te overbruggen. De vrije cipier staat in de kooi. Vrijheid en gevangenschap zijn in dit beeld niet gescheiden, maar vervlochten.

Dat Das Gehege een erotisch geladen voorstelling is, wordt in het libretto al duidelijk. De vrouw verlangt naar de adelaar, ze verleidt hem met haar hele lichaam, en tegelijkertijd gedraagt ze zich autoritair en agressief. Dat terwijl de adelaar geen moeite doet te ontsnappen, van zijn vrijheidsdrang is na jaren van gevangenschap niets meer over. Zijn fysiek doet haar denken aan een man die haar verkracht heeft op een dakterras tijdens een feestje. Wil ze wraak, of wil ze opnieuw overmeesterd worden? Beiden, volgens mij. Ze wil zowel dader als slachtoffer zijn, vrij en onvrij. Wanneer ze de adelaar heeft gedood, trekt ze de vleugels van de vogel aan en wordt eindelijk één met hem – een toevoeging van Breth. Terwijl ze in de kooi omhoog klimt, zingt ze: ‘Woud! Woud!’ Ze wordt de adelaar zelf, die naar de vrijheid verlangt. Maar ze was toch al vrij? Zit ze dan liever in een kooi met uitzicht op de bomen, dan dat ze als vrije vrouw naar het bos kan?

De lichamen van de spelers tonen dus in beide voorstellingen een complexiteit van driften die de ogenschijnlijke tegenstellingen (tussen vrijheid en onvrijheid, dader en slachtoffer) troebel maken. Gevangenschap is niet alleen een straf, maar ook een object van verlangen. De cipier staat vrijwillig in de kooi (in Dallapiccola); de adelaar moet overmeesterd worden om dan zelf gevangene te kunnen worden (Rihm). En misschien is het verlangen naar de straf en de kooi ook te lezen in het beeld van de moeder van de gevangene die bovenop de kooi ligt in Il prigioniero: alsof het een lekker bedje is.

“De lichamen van de spelers tonen dus in beide voorstellingen een complexiteit van driften die de ogenschijnlijke tegenstellingen (tussen vrijheid en onvrijheid, dader en slachtoffer) troebel maken.”

Deze dubbelzinnigheid wordt verder becommentarieerd door de belichting. Nooit eerder zag ik een opera waarin het licht zo’n sterk sturende, zelfs misleidende rol speelt.

In Il prigioniero scheidt het licht de handelingen. Steeds wordt er een black out ingevoegd, waarin de spelers (onzichtbaar) een andere houding aannemen. Het publiek ziet alleen tableaux vivants. In het donker is beweging mogelijk; in het licht zijn de spelers gevangen in hun pose. We hebben geleerd het donker te vrezen, maar hier beklemt het licht.

In Das Gehege gaat deze techniek in de versnelling, en wordt het toneel beschenen door een stroboscoop. Het gevolg is dat de bewegingen verknipt lijken, ze zijn niet meer vloeibaar en natuurlijk. Toch zien we beweging, maar dat is louter de optische illusie, ons brein vult de gaten automatisch in. Hier staat het donker, dat eerder voor vrijheid stond, dus voor (zelf)bedrog.

Alle zekerheden worden wankel. Waar we ‘het licht’ associëren met het goede, met vrijheid en veiligheid, is het hier de tiran; in het donker mag eindelijk vrij bewogen worden, maar ook die vrijheid blijkt bedrog. De stroboscopische effecten maakt iets paniekerigs in het publiek los.

Vrijheid is beangstigend. Vrijheid doet pijn. Zo toont ook het slotbeeld van Il prigioniero: een intens fel licht opent zich in het midden van de achterwand, alsof er een gordijn opengaat. Het publiek moet de handen voor de ogen leggen om niet te verblinden. Dit licht stelt in het libretto de brandstapel voor, maar in de uitvoering lijkt het veel meer op het spreekwoordelijke ‘licht aan het eind van de tunnel’, de hoop, de uitweg; en het is ondraaglijk. Misschien behouden we liever het verlangen naar vrijheid, dan de vrijheid zelf.

In de persconferentie zei Andrea Breth dat ze met de voorstelling wilde onderzoeken wat vrijheid in tijden van Trump nog kan betekenen. Aanvankelijk vond ik dat een gratuit statement, maar deze productie stelt wel degelijk pijnlijke vragen. Willen we echt vrij zijn? Wanneer we de vrijheid voor anderen (emancipatie, bijvoorbeeld) voor ogen hebben, menen we dat wel echt? Beklemd en ontregeld verliet ik de Munt.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

Persis Bekkering