© Wannes Cré

Wouter Hillaert

Leestijd 5 — 8 minuten

If there weren’t any blacks you’d have to invent them – Aurelie di Marino

Wit op 45 graden

Patronen: ze zijn onze beste oplossing en ons grootste probleem. Hoe meer veiligheid ze ons bieden tegen de chaos, hoe meer werkelijkheidszin ze ons tegelijk weer ontnemen. Over de vage grens daartussen gaat If there weren’t any blacks you’d have to invent them, het regiedebuut van Aurelie di Marino. Haar voorstelling tilt het hele identiteitsdebat over wit en zwart op een abstracter niveau.

Alles begint al op de grond, nog voor het begint. Een raster van verticale en horizontale lijnen tekent een fundamenteel binair schema op de vloer. Een uit de hand gelopen hinkelvloer? Of de strenge geometrische tucht van een wereld waarin je alleen binnen de lijntjes kan kleuren? Wat vooral opvalt, is dat dit patroon 45 graden diagonaal getrokken is tot één mozaïek van scheve ruiten. Zo consequent is die kanteling doorgedacht dat zelfs de decorstukken die erop zullen verschijnen, van een tafel tot een bank, scheve hoeken hebben gekregen. Een spelletje optisch bedrog? De scenografie van If there weren’t any blacks… (van Jozef Wouters & Tim Vanhentenryk) voelt als een gematerialiseerde perspectiefwissel op het lijnrechte hokjesdenken. We zullen anders moeten kijken. Niet dwars op de realiteit, maar half van opzij.

De zes spelers zijn al begonnen. Als grote kinderen trappelen ze in een rijtje met snelle voeten heen en weer over dat scheve raster, in telkens andere ingestudeerde footwork-patronen binnen en buiten de lijntjes. ‘In out out, in out out, in out out, in out out…’ Danser-choreograaf Ahilan Ratnamohan dirigeert, de rest volgt. En wie een fout maakt, krijgt de witte zotskap op – die verdacht veel lijkt op een Ku Klux Klan puntmuts. Ongedwongen installeert zich de sfeer van performance: naturel, toeval en zweet. ‘Out cross in in, out cross in in!’ De grens tussen fitness, artistieke opwarming en militaire dril is dun. Het enige wat zeker is, zijn de patronen. Even speels als dwingend leggen ze het fundament voor wat zal volgen.

If there weren’t any blacks you’d have to invent them is de naam van een Britse tv-film van Charles Jarrott uit het onvermijdelijke jaar 1968. Hij toont mannen op een kerkhof. Witte mannen. Eén is blind, een andere knijpt uit solidariteit zijn ogen toe. ‘Wat heeft het voor zin om dingen te zien die jij niet kan zien? Werden we te verschillend, dan zouden we nooit blijven overeenkomen.’ Als een Joodse jongeman zich tussen hen in komt ploffen om de ultieme gelijkheid te propageren, beschuldigen de beide blinden hem ervan zwart te zijn. Intussen stampt er ook nog een legerofficier over het kerkhof met een man die hij onder schot houdt om zijn soldaat te spelen en stelt een dokter een vrouw voor om van benen te wisselen. De film lijkt Ionesco wel: absurde dialogen die hun eigen realiteit gaan uitzetten, waarop dan eindeloos gevarieerd kan worden en die eigen logica des te onzinniger wordt.

Di Marino en co. spelen de film na als op een filmset: zonder camera, maar met voortdurende kostuumwissels, een grote microfoon aan een stok en met af en toe een luide ‘cut’ van Di Marino van achter de knoppen, wanneer een van haar spelers zich verslikt in het Engels en  een scène hernomen dient. Zo spelen performance en filmtheater voortdurend haasje over met elkaar, maar vooral de filmpassages lengen steeds langer uit, zodat je uiteindelijk toch vooral naar een absurd stuk zit te kijken: acteurs spelen personages die elkaar identiteiten opdringen die ze niet hebben.

Net in dat laatste spel zit natuurlijk de clue van de voorstelling, zeker omdat ‘black’ en ‘white’ de voornaamste stickers zijn die de personages zichzelf en elkaar voortdurend opkleven. Als een blinde man (gespeeld door de gekleurde acteur Ratnamohan) zichzelf ‘pure white’ verklaart, en hij van achter zijn donkere bril een wit mannelijk personage (de witte actrice Kaat Arnaert) ervan beschuldigt zwart te zijn, dan zingt de realiteit zich vanzelf los en wordt identiteit een losse constructie. Als daarnaast zijn ziende kompaan (Benjamin Op de Beeck) die realiteit bewust niet wil zien, en een foute constructie enkel bevestigt om het voor zichzelf simpel en hanteerbaar te houden, dan krijg je een bijzondere omkering van colour blindness. En als zich tussen hen drieën ook nog eens een dialoog ontwikkelt over ‘gelijkheid’, waarin hun definitie net zo goed in een communistische als in een nazistische ideologie zou kunnen passen, dan zit je pal op de actualiteit, precies vijftig jaar na datum.

De absurditeit van dit stuk is de realiteit, is de vreemde vaststelling. Wat we te zien krijgen, zijn abstracte patronen. Patronen waarin ‘black’ een noemer wordt voor al wat het witte zelfbeeld uit zichzelf wil drijven. Patronen waarin ‘wit’ staat voor ‘puur’ en ‘de hemel waard’ en die fictie alleen vol te houden valt door een tegengestelde fictie te creëren over ‘zwart’ – zoals Raoul Peck met James Baldwin ook al scherp aanduidde in zijn machtige film I’m not your negro (2017). Je krijgt in deze voorstelling patronen te zien waarin taal uiteindelijk materiële realiteit wordt, en de ‘zwarte’ een pistool tegen zijn slaap krijgt. Patronen waarin ‘verschil’ nastrevenswaardig heet als het de geldende macht bevestigt, maar verderfelijk als het die macht gaat bedreigen.

© Wannes Cré

If there weren’t any blacks… sluit daarmee mooi aan op de Othello van Het Nationale Theater   waarmee Daria Bukvíc momenteel door Nederland toert. Het titelpersonage wordt – voor het eerst in Nederland – gespeeld door een zwarte acteur, Werner Kolf, terwijl alle andere personages in spierwitte pakjes en onder witte pruiken zijn gestopt. Waar Othello volgens de originele tekst zijn geliefde Desdemona eerst zou slaan en daarna zou vermoorden in bed, blijkt dat hier enkel een witte constructie die de andere personages uitspreken als een vette  krantenkop, terwijl beide geliefden er gewoon bijstaan, zonder dat er van enige agressie sprake is. Knap legt Bukvíc de racistische patronen onder Shakespeare bloot, net door wit en zwart zo duidelijk tegen elkaar uit te spelen en de jaloerse mens Othello te onderscheiden van alle ficties over zijn donkere huidskleur.

If there weren’t any blacks… gaat alleen nog verder in zijn deconstructie, omdat het niet hoeft te blijven hangen in de psychologisering van Othello. Di Marino en co. zetten ‘black’ en ‘white’ niet loodrecht tegen elkaar, maar draaien hun verhoudingen een kwartslag, net als de scheve lijnen op de grond. Ze verwarren de binaire zwart-wit-tegenstelling meer dan ze te bevestigen, net door af en toe weer uit hun rol te stappen, terug de filmset op. Zo is het hoogtepunt van de voorstelling het moment waarop Kaat Arnaert, Benjamin Op de Beeck en Ahil Ratnamohan van rol wisselen tussen de dokter, de blinde man en ‘de zwarte’. Gek hoe sterk het beeld van eenzelfde personage kan veranderen als het belichaamd wordt door een gekleurde, een witte, een mannelijke of een vrouwelijke vertolker. Ineens blijken we zelf ook besmet door de geldende kijkpatronen. Onze gedachten mogen dan wel genuanceerd heten, onze blik blijkt net zo gekleurd en ‘gepatroneerd’ als die van de blinde mannen in het stuk.

Net om zulke inzichtelijke momenten is het vreemd dat If there weren’t any blacks… de vele mogelijkheden van zijn kadersituatie niet nog meer uitspeelt, en zijn extraverte theaterspel – het identitaire ‘spel’ van ons allemaal – nog verder probeert te verdubbelen, om zo nog meer actualiteit binnen te brengen. De filmset-performance lost zo sterk op in het gespeelde stuk dat je soms niet meer goed ziet waarom die extra laag juist nodig was. Di Marino heeft het wellicht helder willen houden, omdat haar stof op zich al complex genoeg is.

Dat is haar mooi gelukt. If there weren’t any blacks you’d have to invent them is het juiste stuk op het juiste moment, intelligent geënsceneerd en overtuigend vertolkt. Laat deze voorstelling nog op vele plekken spelen. Omdat onze patronen des te gevaarlijker worden als ze blind blijven. En omdat deze absurde creatie ze zichtbaar maakt.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is cultuurjournalist en kernredacteur van rekto:verso. Hij werkte vijftien jaar als freelance theatercriticus voor achtereenvolgens De Morgen en De Standaard en is betrokken bij de burgerbeweging Hart boven Hard.

recensie