horses – kabinet k

Ik weet niet of horses virtuoze dans is, ik weet zelfs niet goed wat in danskringen geldt als ‘virtuoos’, ik ben geen danskenner. Ik lees dans in eerste instantie als een theaterkijker: op zoek naar drama, niet naar cadans, een beetje zoals ik bij een vioolconcerto spontaan de de melodie volg en niet het ritme.

Dit om maar te zeggen dat de voorstellingen van kabinet k (choreografen Joke Laureyns en Kwint Manshoven) voor mij verhalend werken; dat ik er vooral geuren, kleuren en sferen bij ervaar, herinneringen ook. En niet, zoals bijvoorbeeld bij het werk van Anne Teresa De Keersmaeker, de beroezing van geritmeerde abstractie.

Als ik de wereld moet beschrijven die horses oproept dan keren we na een lange dag ravotten terug naar de kampplaats: moe en vuil hebben we in dat halfuurtje voor het avondeten eindelijk een moment voor onszelf, maar het is net dan – de avond valt, de hemel verkleurt al – dat de heimwee toeslaat: in de afwezigheid van actie komt het besef vreemd te zijn, niet thuis te zijn. Eenzaamheid in groep: ik denk er met een mengeling van pijn en verwondering aan terug, omdat ik voor het eerst begreep dat niemand mij is, hoe vertrouwd de mensen rondom ook zijn. Zo lees ik horses: als bewustwording van de dynamiek tussen het ik en de buitenwereld, waarbij beide vormen van ‘zijn’ (verbonden en alleen) een plaats krijgen.

Van één collectief lichaam naar afzonderlijke ik-jes

Ze komen vanuit alle hoeken van de scène naar het midden, staan even neus aan neus. De openingssequens is de overtreffende trap van een groep: de dansers zijn één lichaam, één beest met vele ledematen, een voortdurend krimpend en uitzettend organisme. Ze bouwen een constructie waarbij ze op elkaar leunen, elkaar in tegengewicht houden, aftasten wat mogelijk is. Deze cluster beproeft de eigen kracht: de drie volwassen dansers vormen de stut, de beweeglijke lijven van de vijf kinderen vullen het geraamte in. Onder een zacht schemerlicht oogt de scène sober: een verschoten doek tegen de achterwand, een toren gestapelde bakstenen in het midden. Je denkt automatisch aan een tumulus, of misschien is dat omdat er plots een kind hoog de lucht in wordt gestoken, als een offer.

Het is voor het eerst dat de aandacht uitgaat naar één danser – de uitverkorene loopt over schouders en over de zolen van de volwassenen die met gestrekte benen op de grond liggen. Even later wordt het kind met een vrolijk ‘hoi’ de lucht ingegooid. Nu blijken het plots allemaal ik-jes te zijn en een voor een worden ze opgegooid om zich aan het publiek te tonen, in dat korte moment dat ze los zijn tussen hemel en aarde. De plotse tempoversnelling zal vaker terugkeren in horses, dankzij het contrast tussen expressieve of explosieve dans (vaak in groep) en momenten van intieme contemplatie, waarbij de dansers elkaars wangen beroeren, aan elkaar snuffelen of even praten. Zonder dat het anekdotisch wordt denk je aan het springerige gedrag van een troep paardjes, met de afwisseling van concentratie en ontlading, behoedzame oplettendheid en onbezorgd spel.

De ontvoogdingsstrijd van kinderen

Kwetsbare dieren hebben de bescherming van de groep nodig om te overleven: afgesneden worden van de groep betekent een gewisse dood. Wanneer alle dansers verdwijnen en één meisje alleen achterblijft is dat misschien een grap, maar het is een wrede grap, want de verlatenheid is totaal en beangstigend – misschien werd dit kind nog nooit zo plots geconfronteerd met haar positie als individu. De volwassen danser die uiteindelijk tevoorschijn komt moet dat inzicht bekopen: er ontstaat een woede-uitbarsting waarbij zij de man gewelddadig over de scène sleurt. Ze bindt zijn handen met haar trui en plots zie ik, naast de dynamiek tussen groep en individu, nog een andere ontvoogdingsstrijd: die tussen de kinderen, ‘gebonden’ aan wat anderen over hen beslissen, en de ‘vrije’ volwassenen. Je vrij bewegen in een groep, je losmaken van je ouders – allebei zijn het bewegingen haaks op een ingebakken verlangen aan geborgenheid. En net die paradox maakt deel uit van het proces van opgroeien.

Ik zie het daarna nogmaals in een mooie scène waarin een jonge danser moet worden ‘getemd’: even daarvoor was ze bovenop de toren van bakstenen geklommen, uitdagend, haar trui speels tussen de tanden geklemd – nu benadert een volwassen man haar voorzichtig, schermt haar de ogen af om haar rustig te maken. Zijn gebaren zijn niet hard of autoritair maar teder; hier moet niet de wil van een veulen gebroken worden, maar met zachte hand beteugeld. Een ander kind raakt opgesloten in een toren van bakstenen – zijn afzondering duurt maar even, een van de volwassen dansers tilt hem eruit. In dit soort scènes zijn er wel degelijk verhoudingen aan het werk tussen groot en klein, al nemen de volwassenen in horses  (anders dan in voorganger raw) vooral een zorgende, beschermende rol op zich.

Voornemen om samen te blijven

In de slotsequens bekrachtigt de groep wat ze intussen is geworden: een verbond tussen zelfstandige individuen. De bakstenen worden in een cirkel gelegd, ze vormen een corral, waarop een jonge danser met een blinddoek balanceert: steeds worden de stenen net op tijd voor haar zoekende voeten neergelegd. Kinderen en volwassenen bouwen samen aan de omheining die hen bijeendrijft: het lijkt een statement over de groep die ze zijn, over hun voornemen om samen te blijven. Daar horen zelfs twee ‘familiefoto’s’ bij, waarbij ze bewegingloos poseren en simultaan het publiek inkijken. Ze zetten dezelfde lichaamsconstructie op als bij het begin, maar nu niet langer zoekend: de handen reiken trefzeker uit, het oogcontact is vol vertrouwen.

De warme melodieën waarmee gitarist Thomas Devos en saxofonist Bertel Schollaert in horses de dansers aanvuren versterken de filmische kracht van de beelden. Ze boren een reservoir aan emoties aan waarin zowel verlies als plezier ligt opgeslagen. kabinet k verbeeldt nooit een frictieloze wereld: altijd hebben angst, eenzaamheid en pijn hun plaats, maar steeds gaan die ervaringen gelijk op met een onstuitbare nieuwsgierigheid en levensvreugde – precies zoals je hoopt dat de wereld van kinderen mag zijn. In het slotbeeld springen de acht dansers opnieuw uit elkaar, opgeschrikt door een onverwachts geluid zo lijkt het, en ze kijken schichtig de zaal in: niet één, maar acht paar alerte ogen, gespitste oren, gestrekte staart – klaar voor de volgende ren.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.