Don’t eat the microphone © Veridiana Zurita

Veridiana Zurita

Leestijd 8 — 11 minuten

‘Hopelijk werken we binnenkort nog eens samen’

Veridiana Zurita wil dat kunstenaars en curatoren meer zorg dragen voor elkaar

De relatie tussen kunstenaar en programmator is er nooit één zonder frictie geweest. In tijden waarin de neoliberale logica de druk aan beide zijden opvoert, gaat het soms zelfs helemaal mis. Aan de hand van haar ervaring met Kunstencentrum Vooruit pleit Veridiana Zurita in deze opinie voor een praktijk waarin wederzijdsheid en gesprek centraal staan. Ze schuift de aanpak van psychiatrische instelling La Borde naar voren als good practice.

Deze tekst had moeten beginnen met ‘Er was eens…’. Hij had een hedendaags voorval moeten samenvatten in een kort verhaal uit ver vervlogen tijden. Als een sprookje bijna, met zijn archetypische relaties, met monsters, creaturen en helden. Een kunstenares en twee curatoren zouden personages zijn in de kunstwereld. De kunstenares zou op een ochtend wakker worden en bij het lezen van haar e-mails – het eerste werk van de dag – zomaar uit haar lood worden geslagen door de curatoren. Een persoonlijk verhaal zou worden veralgemeend tot het cliché van de krachtige dynamiek die heerst tussen curatoren en kunstenaars, waarbij de eersten kiezen en de laatsten worden gekozen, gesteund, weggestuurd en vervangen.

Door namen te noemen, probeer ik om dit persoonlijke doch veelvoorkomende geval buiten de roddelsfeer te houden. Ik hoop dat dit verhaal kan leiden tot een ruimere beschouwing van de vaak moeilijke samenwerking tussen instellingen, curatoren en kunstenaars. Het zou de verschillende partijen kunnen wakker schudden uit hun hiërarchie en de geesten doen rijpen voor een meer horizontale samenwerking.

In 2015 stelde Matthieu Goeury me voor aan Maarten Soete, destijds hoofdcurator van Stadsresidenten in Kunstencentrum Vooruit in Gent. Het project Don’t Eat the Microphone (DETM), dat ik samen met psychoanaliste Petra Van Dyck opstartte in 2014, zou worden voortgezet in samenwerking met het Gentse kunstencentrum. De instelling ging op dat moment door een zware crisis, die alle medewerkers zorgen baarde. Er werden mensen ontslagen, anderen vertrokken gefrustreerd en nog anderen werden vervangen. Onze residentie vond plaats tijdens het seizoen 2015/2016, het moment waarop Matthieu en Maarten weggingen bij de Vooruit. Marieke De Munck kreeg de opdracht om de residentie te beheren en te coördineren. Ze erfde zo een programma waarvoor ze niet volledig had gekozen en dat ze in moeilijke financiële omstandigheden moest beheren. Het seizoen liep af, de residentie liep ten einde en Marieke nodigde ons uit om een nieuw seizoen aan het project te breien. Er werd een reeks vergaderingen vastgelegd om alles te bespreken. We zaten allen op hetzelfde spoor. Of zo leek het toch.

Op 29 januari 2017 ontving ik een informeel mailtje van Marieke waarin ze abrupt een einde maakte aan de residentie van DETM. In enkele woorden en op vastberaden toon veegde ze het project van tafel, alsof onze gedeelde geschiedenis niet bestond. Dit manoeuvre toonde de wankele grond waarop we ons begeven, wanneer kunstenaars, curatoren en instellingen een ‘gezamenlijke onderneming’ niet blijken te koesteren. In overleg met Matthieu, die in de loop van 2016 was teruggekeerd naar de Vooruit, was besloten dat het project niet langer kon worden voortgezet onder hun vleugels.

“Een kunstenaar moet zich voortdurend aanpassen om een onmogelijk drukke agenda te kunnen afwerken en zich, vaak slechts oppervlakkig, bezighouden met tal van kunstpraktijken.”

Er volgde een resem verschillende redenen voor de plotse stopzetting. ‘We hebben minder budget dan we dachten’, beweerde Marieke. ‘We voeren radicale wijzigingen door in het programma’, vervolgde Matthieu, ‘en we willen met nieuwe kunstenaars werken.’ We werden voor een onvoorwaardelijke en unilaterale beslissing geplaatst waarin we geen zeg hadden: ‘Helaas hebben wij besloten dat de residentie niet kan worden voortgezet.’ Daaraan werd nog een eerder wrange boodschap toegevoegd: ‘Hopelijk kunnen we binnenkort nog eens samenwerken.’

Zo’n eenzijdige beslissing is niet enkel een symptoom van hoe vervangbaar kunstenaars en hun werk blijken te zijn, maar ook en vooral van de kloof tussen het institutionele discours en de praktijk. De Vooruit promoot zichzelf als een progressieve instelling en bezigt concepten als horizontaliteit, duurzaamheid, participatie, onderzoek, sociaal engagement en verantwoordelijkheid in zijn beschrijving van Stadsresidenten – een residentie gericht op het ondersteunen van kunstenaars die op specifieke locaties in de stad werken met haar inwoners.

Management en weerstand

DETM is een artistiek project dat plaatsvindt in de tuin van Psychiatrisch Centrum Dr Guislain in Gent. Het werd vanaf het prille begin nooit opgevat als een show en is in die zin een project dat niet makkelijk te programmeren valt. Tijdens onze residentie bij de Vooruit was het duidelijk dat er niets was om te komen bekijken, maar eerder een situatie waaraan je kon deelnemen. De publiciteit rond het project werd kleinschalig gehouden, omdat anders de intensiteit van het werk op het spel zou komen te staan. Er konden geen tickets worden verkocht, maar er konden bezoeken worden gepland voor wie geïnteresseerd was om deel te nemen. Dit zouden weleens de echte reden kunnen zijn waarom het project zijn steun verloor.

De recent herziene institutionele status van de Vooruit zou artistieke projecten meer kans op continuïteit kunnen bieden, vooral deze met een verantwoordelijkheid binnen specifieke sociale contexten. Nu het Gentse kunstencentrum officieel erkend is als Vlaamse Kunstinstelling, beschikt het over een groter budget, is zijn institutioneel bestaan verzekerd en – last but not least – wordt er verwacht dat het alle institutionele functies uitvoert die zijn opgesomd in het Kunstendecreet: productie, presentatie, reflectie, participatie en ontwikkeling.

Het is zeer waarschijnlijk dat curatoren van grote instellingen verwikkeld zitten in structuren die veel complexer zijn dan kunstenaars ooit kunnen vatten. Maar ook in de ruimere kunstensector moet een kunstenaar zich opstellen als ondernemer. Hij moet zich voortdurend aanpassen om een onmogelijk drukke agenda te kunnen afwerken en zich, vaak slechts oppervlakkig, bezighouden met tal van kunstpraktijken. Wat dan toch een gemeenschappelijk punt is tussen curatoren en kunstenaars. Binnen de instelling moeten zowel de kunstenaars als de curatoren hun weg zoeken in de organisatorische complexiteit van de machine die culturele productie is. Het is een gedeeld gevecht.

Wat voor mij echter duidelijk werd, is dat er maar weinig moeite werd gedaan om weerstand te bieden tegen de verkilde werkomstandigheden en productiewaarden waarmee zowel kunstenaars als curatoren te maken krijgen in tijden van neoliberale precarisering. Als het de curatoren zijn die een samenwerking kunnen stopzetten en kunstenaars niets te zeggen hebben in de besluitvorming, dan worden onderhandeling, dialoog en wederzijdse relatie overschaduwd door een ondoordringbare hiërarchie. Zelfbeheer is dan de enige overlevingsstrategie. Van kunstenaars wordt verwacht dat ze snel elders steun vinden, terwijl de dominante protocollen van de culturele productie dit soort van artistiek werk, deze werkmethoden en subjectieve elementen die niet voldoen aan haar criteria, uitsluiten.

De instelling is ziek

Op een namiddag, terwijl we DETM opstelden in de tuin van het Psychiatrisch Centrum Dr Guislain, kwam er een patiënt langs. Er waren microfoons, draden, koffie, vogels, vinylplaten, sigaretten, keyboards, een hond, patiënten, bomen, teksten, kunstenaars, therapeuten, een roestige gitaar, psychotische patiënten, neurotische patiënten, plastic, stenen en een paar typemachines. De man had een rusteloze uitdrukking op zijn gezicht, alsof hij net wakker was geworden uit een nachtmerrie. Hij vertelde ons dat hij die ochtend het onwaarschijnlijke nieuws had gekregen dat er voortaan een deadline stond op zijn behandeling. De psychiatrische ziekenhuizen waren destijds gestart met de invoering van een systeem waarbij de behandeling sneller moest; patiënten moesten sneller ontslagen kunnen worden, om er nieuwe te kunnen opnemen. Je zou dit nieuws positief kunnen opvatten. Niemand wordt immers graag opgesloten.

“Kunst beheren en ziektes genezen: beide kunnen afstandelijke meetinstrumenten worden, eerder dan relaties die je aangaat.”

Maar als de versnelling van de behandeling wordt gemeten aan wat psychiatrische ziekenhuizen ‘lege bedden’ noemen, is dergelijk nieuws misschien toch niet zo positief als op het eerste gezicht lijkt. Nu neoliberale beleidslijnen zich overal in het Belgische sociale systeem scherper aftekenen, is de term ‘lege bedden’ ontstaan als een uitdrukking die naast het mantra ‘meten is weten’ echoot in de gangen van psychiatrische instellingen. ‘Lege bedden’ moeten, via een versneld behandelingsproces, binnen psychiatrische ziekenhuizen voor een efficiëntere turn-over zorgen. Bedden moeten worden leeggemaakt om ze zo snel mogelijk weer te vullen. Om die machine te doen werken, moesten de systemen om de behandeling te meten efficiënter worden, in lijn met de economische criteria van het gezondheidssysteem.

Don’t eat the microphone © Veridiana Zurita

De patiënt, ongerust over het nieuwe systeem van het ziekenhuis, vervoegde de DETM-sessie en kreeg de vraag ‘Is de instelling ziek?’ Hij greep de microfoon en stelde deze diagnose: ‘Er is een groot, almachtig hoofd. Het werkt van boven naar beneden. Ongeacht hoe de mensen onderaan de ladder zich engageren voor de instelling, zijn beslissingen zijn absoluut. Het hoofd heeft de macht om met geld om te gaan, maar geen tijd om zich bezig te houden met de posten waarin het geld wordt geïnvesteerd. Het hoofd is de baas. Ongeacht of dokters en verpleegsters hem proberen te informeren over het genezingsproces van de patiënten, zijn besluitneming in verband met deze processen zal niet veranderen. Iedereen is van elkaar geïsoleerd: de baas van de werknemers, de werknemers van de patiënten, en de patiënten van de andere patiënten. We sluiten ons op in onze kamer – apart en op onszelf. Iedereen houdt elkaar in het oog. Iedereen klaagt aan wat afwijkt, om goed te staan bij wie macht heeft. De baas houdt de dokters in het oog, de dokters de therapeuten, de therapeuten de verpleegsters, de verpleegsters de patiënten en de patiënten elkaar. Iedereen roddelt. Ik voel me hol, ik voel de ander niet, en als ik de ander een knuffel wil geven, ben ik bang voor de kwetsbaarheid.’

Via zijn verhaal stelde de patiënt een diagnose van de ziekte waaraan de instellingen lijden die zijn ingelijfd door het neoliberale discours. Als economische efficiëntie de ultieme doelstelling blijkt, wordt zorg blootgesteld aan een bewind van metingen. De opsplitsing van individuele vaardigheden door het management, binnen een institutioneel kader, leidt daarbij tot sociale vervreemding. In periodes van instabiliteit wordt de ander een bedreiging. Angst voor de andere, angst voor kwetsbaarheid is de aanzet voor instellingen om te investeren in maatregelen die bewaking, bescherming en isolatie garanderen.

Wat in de culturele instelling programmeerbaar is, wordt vergelijkbaar met wat geneesbaar is in de psychische instelling. Kunst beheren en ziektes genezen: beide kunnen afstandelijke meetinstrumenten worden, eerder dan relaties die je aangaat. Er is nood aan een herinterpretatie van ‘behandeling’ als de unilaterale zorg voor de ander – patiënt of kunstenaar.

Leren van La Borde

Institutionele Psychotherapie (IP) is een invloedrijke praktijk die de hiërarchie en de sociale segmentering binnen psychiatrische instellingen uitdaagt. Sinds de jaren 1950 wordt er geëxperimenteerd met IP en we kunnen ons een instelling zonder eigenlijk niet meer voorstellen. Deze psychiatrische hervorming kwam op gang in een dorpje in centraal Frankrijk, Saint-Alban. Via experimenten met vormen van gezelligheid in een psychiatrisch ziekenhuis ging François Tosquelles in tegen de heersende trend in die tijd, waarbij de behandeling van mentaal zieken werd gekenmerkt door homogenisering en segregatie. In 1953 stichtte Jean Oury (een van de eerste inwoners van Saint-Alban) het ziekenhuis La Borde in Cour-Cheverny, waar IP fervent werd toegepast.

“Gezonde instellingen blijven dan ook altijd een work in progress, dankzij participatie, bemiddeling en verantwoordelijkheid van alle betrokkenen.”

Vanaf de start van DETM waren IP en La Borde sleutelreferenties voor Petra Van Dyck en mezelf in de toepassing van het project. Een van de belangrijke structurele wijzigingen die Oury bij La Borde in gang zette, was de verwelkoming van filosofen, kunstenaars, schrijvers en filmmakers naast het medisch personeel. Het ziekenhuis was niet langer een instelling van sociale segregatie, waar autoritaire, onderdrukkende en stagnerende structuren zegevierden, maar eerder een plek ‘om een filosofie, een sociale theorie en een benadering van het dagelijks leven te verzinnen’.11Institutional Psychotherapy in France: An Interview with Camille Robcis (2017), www.bbk.ac.uk/hiddenpersuaders/blog/robcis-interview De verantwoordelijkheden werden gedeeld en de sociale structuren werden voortdurend opnieuw uitgedacht, herwerkt en hertekend door dokters, verpleegsters én patiënten. Koken, poetsen, de telefoon opnemen of de medicatie organiseren: het waren allemaal taken die een gezamenlijke inspanning vroegen. Volgens Oury was het ziekenhuis, met zijn opeenstapeling van regeltjes, ziek. Het moest worden behandeld om te kunnen behandelen. In La Borde werd zo een nieuw, horizontaal, institutioneel beleid bedacht.

Hoewel La Borde zelf niet immuun was voor de gevolgen van het neoliberale beleid en recent fundamenteel werd gewijzigd door de Franse gezondheidszorg, daagt het nog steeds de algemene opvatting uit dat instellingen niet kunnen bestaan zonder gecentraliseerd beleid, stagnerende hiërarchieën en sociale segmentering. De (onafhankelijke) inspanningen van Tosquelles en Oury geven nog steeds inzicht in hoe mensen een beleid kunnen voeren dat gebaseerd is op de dagelijkse praktijk. Gezonde instellingen blijven dan ook altijd een work in progress, dankzij participatie, bemiddeling en verantwoordelijkheid van alle betrokkenen.

Een beleid gebaseerd op dagelijkse praktijk wordt voortdurend bedreigd door de coöptatie van economische efficiëntie. Volgens filosoof en activist Felix Guattari, die nauw betrokken was bij La Borde, ‘zijn we altijd min of meer gecoöpteerd. Uiteindelijk gaat het over politiek en micropolitiek, niet over zuiverheid’.22Guattari, Felix en Sylvère Lotringer (ed.), Soft Subversions. Texts and Interviews 1977–1985, The MIT Press, Boston, 1996 Volgens zijn opvatting bestaat een ‘bevrijding’ uit een systeem van coöptatie waarschijnlijk niet, maar zijn er eerder actiezones waar communicatie tussen de sociale rollen kan plaatsvinden. Het is alsof je gaten zou maken in de materialiteit van de sociale segmentatie. Het heersende discours, de productie van waarden, de subjectiviteit en manieren om verbanden te leggen, volgen en er tegelijk tegenin gaan.

Vervreemd van elkaars processen, sociaal geïsoleerd door de systemen van de artistieke productie, schichtig door de angst hun werk te verliezen en bedreigd door institutionele meetbaarheid, lijken curatoren en kunstenaars te vergeten om te converseren. Ze dompelen zichzelf onder in de inertie van onafhankelijkheid, terwijl ze eilanden van productiviteit worden. Om tegen dit vervreemdende werksysteem in te gaan, zouden curatoren en kunstenaars de handen in elkaar moeten slaan en moeten nadenken over een gezamenlijk project. Een project dat de paradigma’s van selectie en productie (ziekte en behandeling) kan overstijgen. Voor een dergelijk verbond is er een wederzijdse zorg nodig, waarbij de curator evenveel zorgt voor het project van de kunstenaar, als de kunstenaar oor heeft voor de bezorgdheden van de curator.

 

Reactie Vooruit

Vooruit kan zich vinden in de gevoelens en feedback van Veridiana Zurita. Haar tekst is uitgebreid aan bod gekomen binnen de verschillende teams, omdat we veel belang hechten aan de feedback van kunstenaars over de werking van Vooruit. We kijken ernaar uit deze situatie verder te bespreken met Veridiana Zurita tijdens onze samenwerking met Michiel Vandevelde en zijn project ‘Precarious Pavilions’, waarvan zij deel uitmaakt met haar project ‘DETM’.

opinie
Leestijd 8 — 11 minuten

Veridiana Zurita

Kunstenares Veridiana Zurita woont en werkt in Brazilië. Ze werkt rond situaties waarin maatschappelijke rollen gewijzigd, omgekeerd of tijdelijk ongedaan gemaakt worden. In de film Script switcht ze, samen met haar moeder, tussen de rollen van kunstenaar en psychoanalist. Voor het project Don’t Eat the Microphone (DETM) kwamen psychiatrische patiënten en kunstenaars samen, en vervaagden de grenzen tussen normaliteit en abnormaliteit. In de film Televizinho zette ze, samen met niet-acteurs, Braziliaanse soapseries opnieuw in scène. Op die manier gaat ze de strijd aan met normatieve rollen.

opinie