PanoDrama, ‘Slaves of Justice’ © David Drucker

Anna Langyel

Leestijd 11 — 14 minuten

Hongaarse podia als publieke fora

Over de representatie van de Roma in het Hongaarse theater

In Hongarije vieren racisme en discri­minatie ten opzichte van de Roma hoogtij. Het theater wist veel te lang geen vuist te maken tegen de opkomst van extreemrechts. Gelukkig zijn er weer steeds meer theatermakers die niet alleen het debat durven aanzwengelen over de maatschappelijke positie van de Roma, maar ze ook een volwaardige rol bieden binnen het creatieve proces – als geïnterviewden, acteurs en artistiek medewerkers.

In een land dat ooit ‘de vrolijkste kazerne’ van het Sovjetblok werd genoemd, was theater lange tijd het belangrijkste publieke forum: kunstenaars knipoogden naar de kijker en het publiek leerde tussen de lijnen te lezen, terwijl internationale festivals de durf en kwaliteit van de voorstellingen, ensembles en regisseurs roemden. De meest iconische voorstelling, Marat/Sade (1981), een bewerking van het stuk van Peter Weiss, vertelde over de revolutie van 1956 en de compromissen die erop volgden. In de sleutelscène aan het einde staat de heraut voor het decor van een plein in Boedapest oncontroleerbaar te huilen, met een kassei in de hand. Iedereen wist dat hij rouwde om de neergeslagen Hongaarse revolutie.

Verschillende veteranen van dit baanbrekende
werk, dat in première ging in het Kaposvár Theater 
– dat nu is verwoest door de culturele lakeien van het Orbán-regime – en vervolgens werd opgevoerd in het Katona Theater – een van de weinige bolwerken die standhouden – zijn nog steeds actief als regisseur of 
als mentor in de Academie voor Drama en Film in Boedapest. Gábor Máté, de acteur die de heraut speelde, is vandaag artistiek directeur van het Katona. Er is dus geen reden om te denken dat theater zijn functie van publiek forum kwijt is.

Maar het sociaal engagement dat deze theaters zo beroemd maakte, ging kort na de val van de Berlijnse Muur in een lange winterslaap. Toen de euforie over vrije verkiezingen en de economische beloften van de democratie eenmaal was overgewaaid – tussen de late jaren 1990 en de late jaren 2000  – verloren de grote stads- en staatstheaters hun voeling met de werkelijkheid. En
dat ondanks het feit dat een nieuw, agressief racisme 
in sneltempo terrein won – eerst alleen in de dagelijkse toon van bepaalde grote kranten, radio- en tv-zenders, maar al gauw ook in de praktijk gebracht via gruwelijke haatmoorden, eerst en vooral tegen de grootste minderheid in Hongarije: de Roma.

De Roma maken vandaag 6 tot 9 procent van de Hongaarse bevolking uit – niet als een nomadische etnische groep, maar al zes eeuwen lang als een integraal deel van de Hongaarse samenleving. En toch krijgen weinigen van hen respect van de meerderheid, op een aantal briljante muzikanten na. Dit beroep, dat van vader op zoon werd overgeleverd, was trouwens het enige waarin ze geaccepteerd werden. Dat racisme leidde 
tot de Porajmos, de holocaust op de Roma tijdens de Tweede Wereldoorlog, een onderwerp dat nog steeds taboe is. Onder het communisme werkten de meeste niet-muzikanten in fabrieken en mijnen, maar toen de meerderheid van die banen na 1989 verdween, met dank aan het kapitalisme en de automatisering, kwamen de meeste Roma, die doorgaans niet geschoold waren, zonder werk te zitten.

In de huidige maatschappij zien jongens en meisjes in een Roma-familie – vooral buiten Boedapest – hun ouders zelden naar hun werk vertrekken. De kinderen gaan vaak wel naar school, maar segregatie is alomtegenwoordig en ze komen haast automatisch in een klas voor ‘leerlingen met bijzondere behoeften’ terecht, ook al horen ze daar helemaal niet thuis. En eens een meisje vijftien jaar wordt, vindt de familie het vaak normaal dat ze kinderen krijgt. Zo’n cirkel is moeilijk te doorbreken: ga maar eens terug naar school als je geen vangnet 
hebt en je dagelijks moet vechten voor brood op de plank. Het regime van premier Viktor Orbán maakt het Roma-kinderen nog moeilijker door de schoolplicht te verkorten van 18 tot 16 jaar, door zwaar onderbetaald ‘gemeenschapswerk’ te introduceren, door voortdurende pesterijen, oneerlijke boetes enzovoort.

“De Roma zijn al zes eeuwen
lang een integraal deel van
 de Hongaarse samenleving.
En toch krijgen weinigen van hen respect van de meerderheid.”

In 2008-2009 werden negen dorpen opgeschrikt
 door racistische aanvallen: neonazi’s gooiden molotovcocktails op het dak van huizen bewoond 
door Roma-families. Toen de bewoners naar buiten vluchtten, werden ze neergeschoten. Een groep van 
vier vermoordde zo zes mensen, onder wie een jongen van vijf, en verwondde vele anderen. De hele Roma-gemeenschap kroop angstig in haar schulp en het land daverde op zijn grondvesten. Maar ook al werden de aanvallen door 95 procent van de bevolking veroordeeld, evenveel mensen beseften niet dat ze een logische volgende stap waren na de openlijk racistische en haatdragende houding ten opzichte van deze minderheid. En net zo veel mensen deden niets om dat te veranderen.

In het Hongaarse theater van voor de val van de Berlijnse Muur zou zoiets een hot topic zijn geweest. Maar helaas slaagden de beste theaters er nu niet in om snel te reageren.

Pogingen om Roma-mythen te doorbreken

Historisch gezien was de zigeuner in het klassieke Hongaarse theater een personage dat voor komische afleiding moest zorgen: een exotische figuur die grappig praatte en goed muziek speelde, maar die zelden een volwaardige karakterschets kreeg. Hij was geen individu met een eigen leven, eigen problemen en eigen drama’s – laat staan met een relatie tot de dominante maatschappij. (Belangrijk om te weten: alle Roma spreken Hongaars, velen spreken hun eigen Romani zelfs niet al te best meer. Er is dus geen sprake van een taalbarrière.)
 Pas twee jaar na de moordende raids slaagden een aantal professionele theaters erin om de mythen over Roma enigszins te doorbreken en een poging te ondernemen om hun verhalen te vertellen. Een van die theaters was het prestigieuze Katona József Theater,
 dat in 2011 na bijna dertig jaar een nieuwe artistiek directeur kreeg. Acteur-regisseur Gábor Máté zorgde bij zijn aantreden eindelijk voor een zichtbare shift in het repertoire. Het Katona begon zich uit te spreken tegen de groeiende aanvaarding van racisme en discriminatie. De voorstelling Zigeuners was deels een reactie op de gruwel van 2008-2009, en De kerel van Olaszliszka was geïnspireerd door de lynchpartij op een leraar, die voor de ogen van zijn jonge dochters door een Roma-groep werd vermoord omdat ze dachten dat hij een van hun kinderen had doodgereden (wat uiteindelijk niet zo bleek te zijn). Beide voorstellingen, geregisseerd door Máté zelf, deden een intens debat oplaaien, zowel over de thematiek als over de portrettering van de Roma.

uitgebrand huis in Tatárszentgyörgy, waar Robika Csorba en Róbert sorba werden vermoord © MTI

Máté’s grenzeloze ambitie en focus verdienen lof, vooral omdat hij thema’s behandelt die zeldzaam blijven in stads- en staatstheaters. Toch moeten we opmerken
 dat de eerste helft van Zigeuners – een traditioneel stuk dat aangevuld werd met een tweede deel over de moorden – niet brak met de traditionele voorstelling van Roma op Hongaarse podia: er stond geen enkele Roma-acteur op scène en de personages bleven in grote mate exotische figuren die niet overeenstemmen met de hedendaagse realiteit. Wel werden de Roma-personages dieper uitgewerkt, met hun eigen motieven en conflicten.

“In 2008­-2009 werden Roma­-dorpen opgeschrikt door racisti­sche aanvallen. In het Hongaarse theater van voor de val van de Berlijnse Muur zou zoiets een
 hot topic zijn geweest.”

Zigeuners werd uitgenodigd in het Kennedy Center in Washington D.C. en op groot applaus onthaald. Een productie die zulke topics behandelt voor een internationaal publiek – dat vrijwel niets weet over de Roma, en dat zijn kennis over de bevolkingsgroep volledig ontleent aan deze representatie – draagt dus een grote verantwoordelijkheid. Helaas doen sommige producties meer kwaad dan goed, zoals de voorstelling Open voor alles, die zwaar werd gesubsidieerd door het Goethe-Institut. De wereldberoemde Argentijnse choreografe Constanza Macras maakte een stuk gebaseerd op oppervlakkige research bij Tsjechische, Slowaakse en Hongaarse Roma-gemeenschappen, vol verhalen die ze hoorde van de mensen, van wie er velen ook op het podium stonden. Ze herschreef echter die verhalen zonder een van de drie talen te begrijpen, en ze liet non-professionelen de geparafraseerde versies debiteren. Het leidde tot een gênante fake vertoning, waarbij de diepe trauma’s die ze in interviews hadden gedeeld als nepverhalen werden herkauwd voor de show, nog verergerd door muzikale nummertjes die niets anders deden dan het cliché bevestigen dat de Roma getalenteerde muzikanten zijn. De meeste internationale publieken, die weinig of geen Roma-bevolkingen kenden, waren enthousiast, maar de grotendeels oppervlakkige voorstelling illustreerde hoe Roma-gemeenschappen, non-professionelen en hun verhalen worden mismeesterd.

Episch meesterschap

Een mooi voorbeeld van hoe je zo’n ingewikkelde kwestie wel bespreekbaar maakt op het podium, was de enige belangrijke voorstelling die in Hongarije gespeeld werd vóór alles de slechte kant opging. Gewoon een nagel, geschreven en geregisseerd door János Mohácsi, ging in 2003 in première in het Kaposvár Theater. Het epische werk – met de ondertitel ‘vooroordelen in twee bloedige, lawaaierige delen’ – behandelde zowel de geschiedenis van de Roma als de onverdraagzaamheid en vijandigheid waarmee ze te maken krijgen.

Het hoofdpersonage begon met een monoloog 
vol legendes, overtuigingen, tradities en sterke verhalen – doodserieus, maar toch met een constante knipoog. Vierenhalf uur lang werd die dubbelzinnigheid volgehouden. Waarom het stuk Gewoon een nagel heette, werd duidelijk in een scène die stelt dat de zigeuners de opdracht hadden om Jezus te kruisigen – de twee die weigerden, kwamen naast hem op een kruis terecht. De zigeuners besloten om zijn twee enkels met één nagel te kruisigen zodat ze de tweede mee naar huis konden nemen – een scherpzinnige manier om de spot
 te drijven met het cliché dat de Roma het stelen niet kunnen laten.

Een onvergetelijke climax kwam er vlak voor het achttiende-eeuwse schijnproces, waarin zigeuners terechtstonden voor het verslinden van een ‘Hongaarse’ man (een blanke man dus, geen zigeuner). De ene beschuldiging volgt na de andere, tot de kroongetuige van de aanklager aan zijn getuigenis begint: ‘Ik was erbij. Ik ben het die ze hebben opgegeten.’

Het tweede bedrijf verplaatste de actie naar de twintigste eeuw, met scènes die de Roma-holocaust verbeeldden. Orgelpunt was een onvergetelijk beeld van op elkaar steunende naakte lijven in de gaskamer. De zwart-komische noot lag in de slotscène, waarin niet-Roma hun Roma-dorpsgenoten verhinderden om de huizen te bewonen die ze hebben gehuurd. ‘Alle mensen zijn gelijk’, klonk het “politiek correct”. ‘Dat geldt ook voor de zigeuners.’

Pas zeven jaar later was er weer een belangrijk werk over de grootste Hongaarse minderheid. De racistische aanslagen lagen toen al achter ons, maar ze werden doodgezwegen in de Hongaarse theaters. Het voelde aan als een intellectueel verhongeren. Tot een van de meest sociaal geëngageerde schrijver-regisseurs, Béla Pintér,
 in 2010 Mest voorstelde.

Het stuk speelt zich af in een landelijk dorp vol oude mensen, en één koppel van middelbare leeftijd dat een kind probeert te krijgen. Na de surrealistische en pijnlijke openingsscène – waarin duidelijk wordt dat de dokter
 de baarmoeder van de vrouw heeft verwijderd zonder haar medeweten – beslist het koppel een weeskind te adopteren. Ze willen graag een baby, maar omdat dat
 te lang duurt kiezen ze voor een tienermeisje. Zij staat erop dat ze ook haar beste vriendinnetje adopteren, een zigeunerkind. Er volgt een zwart-komisch verhaal over armoede, ouder worden, kinderloosheid, werkloosheid, verbitterde gemeenschappen, racisme tegen zigeuners, en de heropstanding van extreemrechts.

“Producties voor een internatio­naal publiek dat vrijwel niets weet over de Roma, dragen een grote verantwoordelijkheid.”

Het niet-Roma-meisje heeft haar hele jeugd doorgebracht in tehuizen, waar ze de bijnaam Mest kreeg. Net zoals haar Roma-vriendinnetje wilde niemand van haar weten, wat haar heeft getraumatiseerd. Mest is een moeilijk meisje, dat in haar zoektocht naar stabiliteit steun zoekt in strikte regels en discipline. Wanneer de dorpelingen van het zigeunermeisje beginnen 
te houden, wordt Mest boos en gaat ze rebelleren. Uiteindelijk beslist ze weer naar het weeshuis te gaan. Later keert ze terug in een uniform van de Hongaarse Garde, de beweging die in het echte leven de Roma het leven zuur maakt. Ze dwingt haar zwangere pleegzusje tot een abortus – ze draagt het kind van hun pleegvader, met wie ze een verhouding had – en drijft haar pleegmoeder ook in de armen van de Hongaarse Garde. Mest wordt nog steeds gespeeld in heel Europa, en heeft niets ingeboet aan relevantie.

Ground zero van het neonazisme

Strikt gezien komen er geen Roma voor in Nieuwe Wereld (2015) van Andrea Pass. Het enige Roma-personage speelt wel een sleutelrol, maar is nooit op scène te zien. Het gaat om een jongetje dat in een achtergestelde buurt woont en dat in een coma wordt geslagen door de drie racistische tieners in de hoofdrol, omdat hij zogezegd een ets gestolen heeft (wat hij natuurlijk niet heeft gedaan). Nieuwe Wereld onderzoekt de haat en de vooroordelen tegen Roma en het ontstaan van de neonazibeweging in Hongarije. Het stuk speelt zich af in 1999, op een moment dat euforie over de nieuwe vrijheid en jonge democratie in Hongarije stilaan is weggeëbd. De eerste tekenen van een nieuw racisme steken de kop op bij jongeren, die de communistische dictatuur nauwelijks hebben meegemaakt.

János Mohácsi, ‘Just a Nail’ © Zsolt Khell

In de setting van een door neon verlicht klaslokaal laat Pass het liberale discours van de oudere generatie afwisselen met de knappe ‘boy next door’ die zich voorstelt aan de zestienjarige heldin van het stuk. Hij is de charismatische leider van een extreemrechtse groep, die zo snel groeit dat zelfs de bezielers ervan versteld staan. Je moet jezelf tegenhouden om het niet uit te schreeuwen in de zaal, wanneer je ziet dat zich hetzelfde proces ontrolt dat tachtig jaar geleden heeft geleid 
tot de grootste schande in de moderne geschiedenis van Europa.

In een land waarin jong theaterschrijftalent dun gezaaid is, manifesteert Andrea Pass zich als de eerste vrouwelijke theaterauteur met ontegensprekelijk talent.

Ze schreef en regisseerde de afgelopen jaren vijf van haar eigen voorstellingen, en bracht ook vier ‘theatre-in-education’-stukken op de planken. Pass’ gevoeligheid voor de vragen en problemen van de huidige generatie tieners is ongeëvenaard in de hedendaagse Hongaarse theaterwereld.

Een van de vele voortreffelijke onafhankelijke theaters in Hongarije is Het Onafhankelijk Theater (Független Színház), opgericht door regisseur Rodrigó Balogh in 2004. Het gezelschap is een van de weinige die zonder overheidssubsidies werkt. Cultuur is de hoofdfocus voor Balogh en zijn dramaturg Márton Illés, maar het duo werkt ook aan educatieve en sociale integratieprojecten. Plukken (2010) was hun eerste voorstelling met Roma-personages, een Roma-verhaal en Roma-performers, gebaseerd op Peer Gynt van Henrik Ibsen. De fabels die Peer vertelt hebben veel gemeen met de legenden die in Roma-kringen worden overgeleverd aan jongere generaties.

Andrea Pass, ‘New World’ © Dániel Dömölky

In 2017 organiseerde het gezelschap het eerste Roma-theaterfestival in Boedapest, Roma Heroes genaamd, waarvan de tweede editie afgelopen mei plaatsvond. Tijdens het vierdaagse evenement zijn twee theaterstukken per dag te zien uit verschillende landen.

Nog een reactie tegen de racistische aanvallen kwam er in de vorm van het eerste Hongaarse verbatim documentairetheater, PanoDrama, opgericht en geleid door de auteur van dit artikel. De voorstelling Woord voor woord (2011) werd samen met de performers geresearcht en gemaakt, na bezoeken aan de plekken van de aanslagen van 2008-2009 en uitgebreide interviews met families, overlevers, politieagenten, politici, werkgevers van de daders, enzovoort. De voorstelling trok vier jaar lang volle zalen in Boedapest en toerde door heel Europa.

“Roma­-personages zijn al
te vaak exotische clichés die
 niet overeenstemmen met
 de hedendaagse realiteit.”

Onze meest complexe voorstelling tot nu, Slaven van justitie (2013), onderzocht hoe het rechtssysteem de haatmisdaden gebruikt tegen de minderheden die het juist zou moeten beschermen. Ja, dat gebeurt: op een dag kwam de Hongaarse Garde de Roma provoceren in een van hun nederzettingen. Enkele Roma verdedigden zich, maar werden beschuldigd van een haatmisdaad tegen ‘Hongaren’ en veroordeeld tot strenge celstraffen. PanoDrama kon de hand leggen op het 1200 pagina’s lange rechtbankverslag, en het team voerde honderd uur aan gesprekken. De voorstelling volgt de structuur van het proces, doorspekt met koorzangen en monologen, woord voor woord overgenomen uit het echte leven.

Aan het einde discussieert een lekenjury een half uur voor het publiek en velt daarna een oordeel.

Dit artikel focust op professionele theaters en gezelschappen, maar we willen ook de inspanningen loven van mensen die geen toneelcarrière ambiëren. Een 
van de beste voorbeelden is de recente productie Lang leve Regina!, over en met een groep Hongaarse Roma-vrouwen. Ze vertellen over hun moederschap en over hun ervaringen met een discriminerende gezondheidszorg. De vrouwen bedienen zich op scène van digital storytelling en psychodrama-technieken om een ontroerende en authentieke voorstelling te creëren – een perfect voorbeeld van hoe Constanza Macras en haar team het hadden kunnen aanpakken.

`Wereld veranderen

Ondanks de veelvoud aan producties die in dit artikel aan bod komen, blijft de representatie van Roma in het Hongaarse theater hoogst problematisch. Getuige een operette uit 2018 van het Miskolc Nationaal Theater. In Miskolc, de op drie na grootste stad van Hongarije, zijn Roma het slachtoffer van extreme armoede, haat en dagelijks racisme, op school en op straat. Het theater heeft een relatief jong artistiek management, zogenaamd progressieve directeurs, en een sterk ensemble. Zo’n instituut in die regio zou een idee moeten hebben over hoe de Roma in het ensemble kunnen worden opgenomen en – nog belangrijker – hoe de problemen tussen de meerderheid en deze verwaarloosde groep een thema kunnen vormen.

“De voorstelling Gravin Marica lijkt wel een eeuw oud: de zigeuner­ personages doen alles voor geld
 en laten zich vernederen door
 de personages voor wie we sympathie horen te hebben.”

Maar neen. De voorstelling Gravin Marica lijkt wel een eeuw geleden gemaakt te zijn: ze brengt niets in tegen de clichématige zigeunermuzikanten en helderzienden in de gelijknamige operetta waar ze op is gebaseerd, de zigeuners doen alles voor geld, ze laten zich vernederen door de personages voor wie we sympathie horen te hebben. Ook in het ‘Roma-koor’ zijn er geen Roma te zien: de blonde, witte meisjes hebben geen kaas gegeten van zigeunermuziek en -dans. Als je iets gelijkaardigs zou doen in de zwarte gemeenschap in
 de VS, zelfs in de zuidelijke staten, zouden duizenden mensen protesteren tegen zo’n sociale en dramaturgische ongevoeligheid, zo’n gebrek aan reflectie op wat theater eigenlijk is. Maar in Hongarije reppen critici met geen woord over zo’n belangrijk issue.

PanoDrama, ‘Slaves of Justice’ © David Drucker

Er zijn dus ongetwijfeld nog bergen werk te verzetten in het sensibiliseren van theatermakers – en via het theater ook de ‘witte’ meerderheid van de bevolking. Het klinkt misschien naïef om te denken dat theater de wereld kan veranderen. Maar als The Laramie Project van Moisés Kaufman en Tectonic Theater Project er mee voor heeft gezorgd dat homofobe misdaden hate crimes genoemd worden, en dat het homohuwelijk breed aanvaard is, en opgenomen in de Amerikaanse wetten, waarom zouden we dan niet hopen op een gelijkaardig resultaat in de strijd tegen racisme en discriminatie in Hongarije? We moeten er alleen voor zorgen dat de Hongaarse podia opnieuw de voornaamste publieke fora worden.

We hebben er goede hoop op, want er zijn opnieuw een heleboel sociaal geëngageerde Hongaarse makers. Homofobie en vreemdelingenhaat worden onophoudelijk aangeklaagd door Róbert Alföldi, voormalig directeur van het Nationaal Theater; vrouwenrechten zijn de
 focus van de eerste vrouwelijke regisseur in residentie bij Katona, Kriszta Székely; de gevierde filmregisseur Kornél Mundruczó behandelt allerlei thema’s, van prostitutienetwerken tot antisemitisme; András Dömötör speelt in Berlijn ‘een razende farce over het Hongarije van Viktor Orbán, een horrorvisioen dat nu werkelijkheid is geworden’; en Árpád Schilling en Éva Zabezsinszkij tonen de rauwe realiteit van de gezondheidszorg 
(De dag van de woede), de zelftwijfel en zelfcensuur
 die Hongaarse artiesten teistert (Loser) of de brutaliteit waarmee vluchtelingen te maken krijgen in hun gastlanden (IJzige winden). We kunnen alleen maar hopen dat Schillings keuze om Hongarije in te ruilen voor Frankrijk niet de definitief is. De Hongaarse maatschappij en theaterwereld hebben zijn talent en zijn onophoudelijk sociaal engagement erg nodig.

(Vertaald door Eva Van Walle)

essay
Leestijd 11 — 14 minuten

Anna Langyel

Anna Lengyel is dramaturg en regisseur. Ze richtte Hongarijes enige documentair theatergezelschap PanoDrama op. Ze werkte samen met Robert Wilson en Pina Bausch, en werkt regelmatig met regisseurs als Tamás Ascher, Árpád Schilling en Róbert Alföldi. Daarnaast vertaalt ze toneelstukken en publiceert ze in theatertijdschriften, waaronder Theater der Zeit.

essay