Julian Baumann

Het digitale acteren

‘The Re’Search’ bevraagt de positie van het ‘analoge’ theater in het internettijdperk

De Duitse regisseur Felix Rothenhäusler bewerkte onlangs het videowerk The Re’Search van beeldend kunstenaar Ryan Trecartin tot een gelijknamige theatervoorstelling. Deze baanbrekende productie van de Münchner Kammerspiele toont een glimp van een mogelijke toekomst van het theater in het post-internettijdperk.

De Amerikaan Ryan Trecartin verwierf de laatste jaren veel aanzien in de wereld van de beeldende kunsten. Hij maakt sculpturen en schilderijen, maar staat vooral bekend om zijn high speed collageachtig videowerk waarin hij refereert aan, en over-identificeert met de digitale beeld- en consumptiecultuur van het internet. In tegenstelling tot de films van de meeste videokunstenaars, die je om economische redenen enkel in de exclusieve omgeving van een white cube kunt bekijken, zijn die van Trecartin gemakkelijk terug te vinden op het net, dat er de natuurlijke habitat voor vormt. Niettemin loont het de moeite om zijn werk te zien in een museum of kunstgalerie. De kunstenaar creëert immers steeds een theatrale setting voor zijn films. Zo kan het zijn dat je in een ruimte met massagestoelen terechtkomt, in een motelbar, of een fitnessruimte. Vaak worden deze artificiële omgevingen bevolkt met rekwisieten en stukken decor van zijn filmsets.

Trecartins werk komt op een collectieve manier tot stand. Vooreerst is er Lizzie Fitch, zijn artistieke partner: samen met haar runt hij een filmstudio in Los Angeles. Fitch speelt ook een belangrijke rol bij het ontwerpen van de settings voor zijn tentoonstellingen. Daarnaast acteren en figureren veel van zijn vrienden en kennissen in Trecartins films. Hij en Fitch spelen zelf ook steeds mee. Tot op zekere hoogte vertonen zijn films in uitvergrote mate het soort wereld waarin hij leeft.

Wat is post-internetkunst?

De term ‘post-internetkunst’ keert vaak terug in teksten en kritieken over Trecartins werk. Hij wordt doorgaans toegewezen aan een jonge generatie digital natives, in wier artistieke werk je overduidelijk de invloed van de digitale cultuur ziet. Post-internet is ook een gecontesteerd begrip, omdat het voorvoegsel ‘post-’ verwarring schept. Het gaat niet over kunst ‘na het einde van het internet’, of ‘vrij van internet’, maar over kunst die in al haar poriën het wereldwijde web en zijn digitale esthetiek ademt. Het internet doordringt zodanig de ‘echte wereld’ dat er geen heldere scheidingslijn meer is tussen online en offline. Zo worden gebeurtenissen geënsceneerd met het oog op de productie van foto’s die kunnen circuleren op sociale media, leidt digitaal pestgedrag tot al te werkelijke zelfmoorden, zorgt de distributie van fake nieuws voor politieke aardverschuivingen, et cetera. Om maar niet te spreken van het ‘internet der dingen’, waarbij hele huishoudens aan het internet worden gekoppeld. Post-internetkunst toont de impact van de hedendaagse hyperconnectiviteit en infobesitas op onze manieren van denken, spreken, voelen en handelen.

Een belangrijk element in Trecartins werk (al is ‘belangrijk’ misschien niet het juiste woord in een werk waar muziek, beeld, tekst en beweging een radicaal evenwaardige rol spelen) is de gesproken taal. Hij gebruikt een manier van spreken die doordrongen is van het soort communicatie die online fora, mails en chatgesprekken kenmerkt. Afkortingen, neologismen, overdadig leestekengebruik, grammaticale spelletjes. In het spreken leggen de acteurs bewust ongewone accenten, worden woorden afgekort of samengevoegd. Zo ontstaat er een rijk en open spel met taal. De slang van de digitale cultuur. Bij Trecartin wordt het een nieuw soort poëzie, verwant aan de conceptual poetry, een vroeg-21ste-eeuwse literaire stroming met Craig Dworkin en Kenneth Goldsmith als belangrijkste protagonisten. Conceptuele dichters maken gebruik van de strategie van de appropriatie: ze eigenen zich bestaand alledaags tekstmateriaal toe – literaire readymadesals het ware. Verwant aan de Oulipo-beweging (l’Ouvroir de Littérature Potentielle), trachten ze nieuwe mogelijkheden te ontdekken door zichzelf beperkingen op te leggen, en zelfverzonnen procedures te volgen.

Informatiestortvloed

De films van Trecartin zijn overdadige, chaotisch gemonteerde clusters van uiteenlopende materialen. In The Re’search (2009-2010), een video die deel uitmaakt van een vierluik getiteld The Re’Search Wait’S, komen de typische Trecartin-kenmerken naar voren: een stortvloed aan beelden, geluiden, tekst, en beweging. Hij gebruikt materiaal dat refereert aan homemade video’s zoals je er duizenden vindt op YouTube, muziekvideoclips, populaire online tv-programma’s, en de publiciteitsindustrie.

Zijn films laten zich niet makkelijk ontleden. Een betekenis filtert in verschillende geledingen door als je kijkt, blijft kijken en opnieuw kijkt. Er is geen duidelijk lineair verhaal te onderscheiden. Elke film heeft een bepaalde situatie die stukje bij beetje wordt geëxploreerd. In de The Re’search staat een marktonderzoeksprogramma centraal. Een aantal virtuele figuren proberen op verschillende manieren de aandacht naar zich toe te trekken. Welk onderzoeksprogramma? Welke figuren? Waarom willen ze de aandacht? Je hebt er als kijker vaak het raden naar. Het is Trecartin net te doen om die zintuiglijke en cognitieve verwarring. Door de op zich al snelle communicatievormen van de digital nativesnog een versnelling hoger te schakelen, vertraagt hij op een paradoxale manier de communicatie, of schort hij ze zelfs op.

Trecartin levert met zijn werk niet louter kritiek op de post-internetconditie, maar tracht de vermenging van de digitale en de analoge wereld in kaart te brengen, en te zoeken naar hoe het hoge communicatie- en informatiedebiet van vandaag nieuwe manieren van zijn en een nieuw soort poëzie genereert.

Post-internet op scène

Het hyperkinetische werk van Ryan Trecartin kennende, vraag je je bij het binnenkomen in de theaterzaal in de Münchner Kammerspiele af hoe je dat in godsnaam naar een podium vertaalt. Terwijl het publiek een plaatsje zoekt op de tribune, hoor je bekende popdeuntjes van Adele, Rihanna en Sia. Snel wordt duidelijk dat regisseur Felix Rothenhäusler niet voor een theatrale setting koos, zoals degene die de beeldend kunstenaar doorgaans bouwt om zijn video’s in tentoon te stellen. Noch zien we een letterlijke vertaling van de overvloed van beelden, teksten en liedjes naar een hightech multimediale performance met allerhande videoprojecties. Rothenhäusler zet in op een kaal, analoog theater waar de nadruk ligt op de tekst en de live-aanwezigheid van de acteurs.

Het decor van Jonas von Ostrowski is ogenschijnlijk eenvoudig. De architect van opleiding creëert geen theaterdecor, eerder doet hij een architecturale ingreep in de theaterzaal (de repetitiezaal van de Kammerspiele). Hij installeerde een grote spiegel op de achterwand die de hele ruimte, zowel de scène als de tribune, verdubbelt. Zo zijn er zowel reële als virtuele spelers en toeschouwers. Het lichtplan telt zeven rijen van telkens vier TL-buizen, die van de spiegelwand lopen tot achter het publiek. Elke TL heeft zijn eigen kleur. Samen flikkeren ze voortdurend in verschillende kleurpatronen en genereren zo gevoelsmatig verschillende atmosferen.

De voorstelling begint abrupt. Drie acteurs in hippe sportkledij komen de zaal binnen. Het licht stopt met flikkeren, de muziek gaat uit, de deuren gaan dicht. Wat volgt is een 50 minuten durende adrenalinestoot, dankzij het nerveuze lichtontwerp maar meer nog door het energieke acteerwerk. De spelers werken zich met woord en beweging op een behendige manier door Trecartins script heen. Meestal frontaal naar het publiek of de spiegel toe, springen ze op en neer, lopen ze energiek in het rond, spuwen ze woorden, die ze soms ook letterlijk uitbeelden. Zo gaat het woord sledgehammer gepaard met een op en neergaande vuist. Soms houden ze even halt om samen een liedje te zingen.

Er vallen geen eenduidige relaties te ontwarren tussen de figuren, die we nauwelijks ‘personages’ kunnen noemen, eerder geesten uit een virtuele wereld. Wel zien we conflicthaarden opflakkeren en uitdoven, zonder zichtbare aanleiding. Soms spannen twee figuren samen tegenover de derde. Soms staan ze alle drie als aparte eilanden onverschillig tegenover elkaar. Hun spel bevat geen flinter persiflage of ironie. The Re’Search toont lichamen en geesten die volledig geformatteerd zijn door het internet.

Analoog laboratorium voor een digitaliserende wereld

De digitale en materiële wereld worden steeds meer één. Die evolutie heeft een impact op ons denken en communiceren. Facebook en Twitter bieden heldere voorbeelden. Je leest er geen lineair verhaal, maar krijgt een gefragmenteerde ‘tekst’, bestaand uit flarden informatie die soms aan elkaar gelinkt zijn maar vaker nog geen onderlinge coherentie bezitten. Opinies, fake news, privé-anekdotes, reclameboodschappen: dit alles staat vrolijk naast, of liever onder elkaar. Uit dat amalgaam van teksten valt soms maar moeilijk waardevolle betekenis te distilleren.

Felix Rothenhäusler beent het werk van Trecartin uit en doet ons een glimp opvangen van hoe theater dat fundamenteel reflecteert over de post-internetconditie, er zou kunnen uitzien. Door te focussen op gesproken taal brengt de regisseur het non-lineaire karakter van het internet, en dus ook van de materiële wereld die het meer en meer doordringt, aan de oppervlakte. Die taal komt ons in de voorstelling vaak opaak en betekenisloos voor. De figuren springen voortdurend van de hak op de tak. Hun manier van communiceren refereert dan wel aan de menselijke taal (de meeste woorden kunnen we afzonderlijk nog herkennen), maar evengoed is ze fundamenteel vormgegeven door de spitstechnologische hard- en software die de digitalisering onderstut.

Rothenhäuslers bewerking roept ten slotte ook vragen op over de rol en functie van het theater in digitale tijden. Kan het oude, analoge medium wel standhouden te midden van de overvloed aan technische, affectieve beelden? De suggestie die ik lees in de voorstelling is om vooral in te zetten op de elementen die het theater kenmerkt: de in real time aanwezige lichamen van de acteurs, hun mogelijkheden om te spreken, te denken en te bewegen doorheen materialen en systemen die we (nog) niet kennen. In Rothenhaüsler The Re’Search verschijnt het theater als een analoog laboratorium voor de digitaliserende wereld. Meer dan bijvoorbeeld videokunst lijkt theater haaks te staan op het digitale domein. Als een van de weinige plekken waar je je mobieltje moet uitschakelen, vormt het theater misschien de plaats bij uitstek om de post-internetconditie onder een vergrootglas te plaatsen en erover te reflecteren. Tegelijk opent dat gebaar spannende wegen voor de vernieuwing van theater.

essay
Leestijd 6 — 9 minuten

Michiel Vandevelde

Michiel Vandevelde is choreograaf, curator bij o.a. Bâtard festival en maakt deel uit van de kleine redactie van Etcetera.