Hebzucht, Angst, Hoop – Het Nieuwstedelijk

Emancipatie van de afwezige  

Naar aanleiding van de polemiek met recensente Evelyne Coussens in 2014 maakte regisseur Stijn Devillé kenbaar dat zijn voorstellingencyclus Hebzucht, Angst, Hoop – over de oorzaken, gevolgen en uitwegen van de financiële crisis –in de eerste plaats beoordeeld wil worden als politieke daad. In haar bespreking trok Coussens volgens hem vooral teveel aandacht naar het artistieke (“er is te weinig theater aan jouw theater”). Laat dit stuk daarom een poging zijn Devillé’s suggestie op te nemen, los van elke bedenking bij die artistieke waarde. Maar wat kan dat betekenen, theater als verzetsdaad?

Laat mij beginnen met een beslissing. Naar aanleiding van de polemiek met recensente Evelyne Coussens in 2014 maakte regisseur Stijn Devillé kenbaar dat zijn voorstellingencyclus Hebzucht, Angst, Hoop over de oorzaken, gevolgen en uitwegen van de financiële crisis –in de eerste plaats beoordeeld wil worden als politieke daad. In haar bespreking trok Coussens volgens hem vooral teveel aandacht naar het artistieke (“er is te weinig theater aan jouw theater”). Laat dit stuk daarom een poging zijn Devillé’s suggestie op te nemen, los van elke bedenking bij die artistieke waarde. Maar wat kan dat betekenen, theater als verzetsdaad? Het is meer dan duidelijk dat Devillé via een geëngageerde alliantie tussen podium en publiek iets van maatschappelijk bewustzijn op gang wil trekken. In die lijn is het slotstuk van deze trilogie in belangrijke mate ook sluitstuk: na het gespeculeer en gekonkel op de grens van de economische en politieke wereld in Hebzucht en de perversiteit van de gevolgen voor al wat daar aan hangt in Angst, denkt Hoop vooruit. Het is intussen 2018 en we claimen de kanteling naar een betere wereld als de onze, we spreken tegen fossiele energie en nucleair gevaar, tegen het doctrinaire gebrek aan alternatieven, tegen de banken en de politiek zoals we die kennen. En toch, hoe nobel ook de intentie van deze trilogie als daad van emancipatie, hoe zelfbewust belerend, toch stoort er iets fundamenteels.

Om te beginnen bevatten deze voorstellingen nogal wat karikaturen. Zo zijn Hebzucht en Angst vooral verhalen over menselijke monsters – de door bonussen en eigenbelang gedreven CEO, de onbekwame minister, de slechte moeder, de afwezige vader, de cynische, coke-verslaafde speculant – tegenover een machteloze figuur van verontwaardiging – in Hebzucht grotendeels afwezig: de ontslagen werknemer, de ‘gewone’ spaarder, de gedupeerde burger, in Angst: David Ackermans (Bram Van der Kelen), geëngageerd journalist en zoon van de premier. Hoe terecht deze verontwaardiging ook is, het is vaak lastig, zo niet onmogelijk, naast de kwaadheid te lezen die deze karikaturale tekening aanstuurt. De tekst van deze voorstelling drijft daarom op de paradox geschreven te zijn door een verontwaardigd theatermaker-burger, maar dan wel vanuit het vertelperspectief van de machthebber. Het resultaat hiervan is dat Devillé zo dwingend insisteert op sympathie voor zijn zaak via zijn personages, dat een beetje kritische zin juist weerstand ontwikkelt in plaats van instemming. In Hebzucht en Angst sijpelt de moraliserende ondertoon nog enigszins vrijblijvend door de fictief-feitelijke vertelling, maar vooral Hoop gijzelt zijn publiek in een onuitstaanbaar belerende omhaal. Het dieptepunt hiervan is zonder twijfel de scène waarin de volledige cast in musicalstijl (!) het devies van de nieuwe wereld aanleert: Engage! Enable! Encourage! Exemplify! Als deze voorstelling inderdaad iets van kwaadheid kan uitlokken, is dat misschien wel om de verkeerde redenen.

Bovendien geven deze voorstellingen geen blijk van een erg grondige analyse van de crisis. Devillé’s kwaadheid viseert vooral het slechte karakter van politici en bankiers: grootheidswaan, eigenbelang, nepotisme, onbekwaamheid, geldwolverij. Het is echter nooit de logica van het systeem waarvan zij de plaatsen opvullen, maar de integriteit van hun persoon waaraan een schuldige verantwoordelijkheid wordt gekoppeld. Zo redt in Hebzucht financiënminister Gwendolyn Lallemand (Sara Vertongen) met overheidsgeld een bank in moeilijkheden omdat haar vader daar directeur is, of benoemt diezelfde minister in Angst haar ex-schoonbroer eerst tot haar raadsman en dan tot Europees afgevaardigde. Een beetje meer analyse zou deze schuldvraag zeker genuanceerder uitdragen. Zo draaien economische en politieke structuren vooral op zichzelf wanneer alle posten zijn ingenomen, posities die bovendien opnieuw open komen te staan wanneer ze het systeem in haar automatische functioneren belemmeren. Het systemisch falen kan zo ook begrepen worden als een anoniem spel van botsende logica’s, die hun oorsprong vinden diep in het imaginaire kapitaal van de vrije markt.

Een structurele analyse ontbreekt zo alleen in het voordeel van een anekdotiek die de kleinmenselijke belangen niet overstijgt. Daar doet het Nieuwstedelijk, met een verhaal dat aan onze rechtvaardigheid appelleert door schuldigen aan te wijzen, aan symptoombestrijding, en dat in een context waar schuld en waarde inwisselbaar zijn geworden. De uitzondering die deze regel bevestigt, lijkt het personage van Carl Jacobs (Michael Pas) te zijn. Als voormalig topbankier en speculerend genie wint hij na zijn uren miljoenen aan het failliet van de bankensector (Hebzucht). Ook wanneer hij later blijft inzetten op gaten in het systeem, rijft hij kapitaal binnen dat banken en overheden over de gehele wereld kwijtspelen (Angst). Hoewel hij dus als geen ander op scène medeplichtig is aan de economische kortsluiting, overweegt de toeschouwer vooral sympathie voor zijn spelend intellect. Die ambiguïteit wordtin Hoop ook expliciet gemaakt wanneer hij uiteindelijk inzet op de toekomst en zijn winsten investeert in technologisch visionaire projecten. En laat het nu net die ambiguïteit zijn die iets van inzicht toevoegt: juist in Jacobs’ beleving van de beurs als een uitdagend spel waar weinig concreet mee beweegt, ligt de perversiteit van het systeem zelf bloot.

Dat gebrek aan gedegen analyse heeft wellicht te maken met de politieke dringendheid van de zaak: Devillé heeft onze kwaadheid nodig om steun te winnen voor zijn theatrale daad van emancipatie. Nu we zover zijn meegegaan in die overweging – Devillé’s trilogie als politieke verzetsdaad – is het misschien tijd om te beoordelen wie zich geëmancipeerd weet door dit soort theater. Een enkele blik op het schouwburgpubliek en het meer dan enthousiaste applaus toont hoe weinig weerstand de boodschap uitlokt die deze voorstellingen uitdragen. Daarom is deze trilogie in het beste geval een zelfbevestigende politieke oefening waarin het hoogopgeleide, progressieve publiek zijn eigen frustraties belichaamd en zijn eigen ideeën onderbouwd ziet. Wellicht is de geëngageerde alliantie tussen podium en publiek daarom al beklonken bij de ingang van de schouwburg, en het verzet in die context dan ook redundant. De enige mogelijke emancipatie is daarmee de emancipatie van de afwezige. Devillé’s crisistrilogie is zo tegelijk teveel en te weinig politiek: teveel omdat een eindeloos belerende vinger het inhoudelijk potentieel voortdurend afdekt, te weinig omdat ze haar publiek slechts in een veilig, zelfbevredigend geschok tot een hoogtepunt kan leiden.

NTGent, 6-7 januari 2016

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Jan-Jasper Persijn