(c) Getty Images

Grote verhalen voor de wijde wereld

De Staat van de Nederlandse Theatertekst volgens dichter en dramaturg Johan Reyniers

De theatertekst lijkt opnieuw zijn plek op onze podia te hebben veroverd. Een grondige analyse van nieuwe en oude toneelliteratuur blijft in recensies echter vaak nog uit. Etcetera en zijn Nederlandse evenknie De Theatermaker zijn in gesprek over de opstart van een onlineplatform voor theatertekstkritiek om die lacune weg te werken. Hoe reflecteren theaterteksten op de actualiteit en de canon? Johan Reyniers’ Staat van de Nederlandse Theatertekst biedt alvast inspiratie. De hoofddramaturg van Toneelgroep Amsterdam spoort jonge auteurs aan tot weidsheid en ambitie. ‘Vergrijp je aan de werkelijkheid.’

Ik heb een paar verhalen voor u.

Eén. Een soldaat komt terug uit de oorlog. Er was lange tijd geen nieuws van hem. Een warm welkom vindt hij niet: zijn vriendin heeft zich met iemand anders verloofd. In zijn thuisland heerst politieke onrust en de soldaat sluit zich aan bij de oppositie. Maar als zijn vriendin zich opnieuw bij hem voegt, laat hij zijn politieke activiteit meteen voor wat ze is.

Ik hoor u denken: zo dadelijk komt de teruggekeerde Syriëstrijder op de proppen. Het had gekund, maar het is niet het geval. Het verhaal komt niet uit de krant. Het komt uit een stuk van Bertolt Brecht, Trommeln in der Nacht, en het gaat over een soldaat die terugkeert uit de Eerste Wereldoorlog en die zich kortstondig bij de opstand van de Spartacisten aansluit.

Tweede verhaal. De kidnapping van de schoonmoeder van een miljonair. Zij is 67, haar schoonzoon is 87 jaar en getrouwd met haar dochter van 38. De ontvoerder eist 36,5 miljoen dollar losgeld. De politie komt hem op het spoor en slaagt erin de vrouw te bevrijden.

Dit is geen toneelstuk. Maar het zou er een kunnen zijn. Dit verhaal komt wel uit de krant: de ontvoering van de schoonmoeder van Formule 1-baas Bernie Ecclestone. De vrouw werd door de politie bevrijd. Als verdachte werd de helikopterpiloot van Ecclestone opgepakt.

Het gaat me niet om het fait divers. Het verhaal rond Ecclestone roept een veel grotere wereld op. Ik zie twee grote lijnen. De eerste is die van de familie. Wat betekent het als je een schoonzoon hebt die twintig jaar ouder is dan je zelf bent? De tweede is die van de piloot. Wat bracht hem ertoe om de schoonmoeder van zijn baas te ontvoeren? Wat zegt het over de kloof tussen de haves en de have nots? De meester en zijn knecht? Een verbinding van die twee lijnen kan spannend toneel opleveren.

Ik heb nog een derde verhaal, opnieuw over een thuiskomst (een dramatisch gegeven bij uitstek). Een man wordt uit de gevangenis ontslagen. Hij zat daar omdat hij incest had bedreven met zijn dochter. In de tijd dat hij gevangen zat, heeft zijn vrouw een baby gekregen bij een andere man.

Dit verhaal komt niet uit de krant. Maar het had wel gekund. Het gaat om Vrijdag van Hugo Claus. Voor het schrijven van dat stuk verzamelde hij materiaal via een oom, die directeur was van de gevangenis van Brugge. Claus tilde anekdotisch materiaal op tot een existentieel drama.

Vrijdag is op vele niveaus leesbaar. Het is niet enkel een existentieel en psychologisch maar ook een sociaal drama. Claus zei ooit over zijn stuk: “Ik ben nog altijd een socialist. In mijn toneelstuk Vrijdag zegt de man: ‘God, ik zou best een badkamer willen. In de gevangenis ging ik altijd in het bad.’” “Dat betekent”, zo vervolgt Claus, “dat een bepaalde klasse geen badkamers heeft. Geen enkele criticus heeft dat ooit gezien in mijn werk.”

Ik heb lang in Brussel gewoond. Daar had ik een badkamer met ligbad. In Amsterdam heb ik ook een badkamer, maar dan zonder bad. Dat mis ik hier. Hoe komt het dat ik mij in Brussel een bad kon veroorloven en hier niet?

Ik geloof dat het dáárover is dat we toneelstukken moeten schrijven.

Verover de grote zalen

Waarover spreken? Het is de titel en de aanhef van een gedicht van Claus. Voor een schrijver is dat een essentiële vraag. Waarover moeten we spreken op het toneel? En hoe te spreken opdat er naar je wordt geluisterd?

Ik pleit voor meer werkelijkheid op het toneel. Een herkenbare werkelijkheid. Die waarin wij leven. Waar we geen vat op krijgen. Die ons bepaalt. Die ons in haar greep houdt. Die ons moedeloos maakt.

Ik zeg niet dat die werkelijkheid er op het toneel niet is. Ik zeg dat ik er meer van wil. Ik heb de afgelopen jaren veel en goed nieuw Nederlands toneel gelezen en gezien. Maar toch: de wereld die erin te zien is, is vaak erg klein. We schrijven te veel vanuit onze eigen realiteit, die we te weinig overstijgen. We hebben daar een reden voor: we proberen van binnen naar buiten te werken. We proberen vanuit onszelf iets te zeggen over een grotere werkelijkheid. De vraag is of dat ook lukt.

Ik geloof dat we veeleer omgekeerd te werk moeten gaan. Dat is niet altijd makkelijk, want de wereld is groot en wij zijn klein. Maar ik denk dat net dit onze uitdaging moet zijn.

We moeten durven toe te geven dat de werkelijkheid groot en sterk is. Dat is geen reden om ervan weg te lopen. We moeten ze niet negeren, maar er gebruik van maken. We moeten ze niet kopiëren, wel isoleren, vergroten, uitbuiten, verhevigen, condenseren. Ons eraan vergrijpen.

De Grieken hebben het ons al voorgedaan. De antieke tragedies putten uit wat voor hen een historische werkelijkheid was. Maar die kopieerden ze niet zomaar: ze transformeerden ze. Daardoor komt het dat we ook na 24 eeuwen met deze stukken nog altijd niet klaar zijn. We hebben tegenwoordig de mond vol van een nieuwe revolutie in de digitalisering van onze wereld: augmented reality. En dat is natuurlijk geweldig. Maar laten we niet vergeten dat toneel al 24 eeuwen toegevoegde realiteit is.

Brecht zet in Trommeln in der Nacht een heel concrete realiteit op het toneel. Maar die realiteit is ook overstegen. Daarom is het goed toneel. En daarom is het toneel dat niet alleen in 1922 maar ook vandaag nog tot ons spreekt. Daarom moet het onze ambitie zijn om teksten te schrijven die niet alleen iets zeggen over de wereld van vandaag, maar die ook iets kunnen betekenen voor de wereld van morgen.

U denkt nu misschien: maar die stukken zijn er toch al? We hebben toch de Grieken en Shakespeare en Ibsen en Tsjechov om het over vandaag te hebben?

Inderdaad, er is al veel repertoire. En daarmee kunnen we veel zeggen. Maar het repertoire is nooit af. Als we er niets aan toevoegen, wordt het dode materie. Het repertoire bestaat maar bij gratie van het gesprek. Niet alleen door nieuwe interpretaties van bestaande stukken, maar ook doordat we er nieuwe stukken aan toevoegen. Die uitdaging moeten we aangaan. Om stukken te schrijven die niet alleen iets over vandaag zeggen, maar ook morgen en overmorgen iets kunnen betekenen. Zoals Antigone vandaag nog altijd iets betekent.

Je hoort vaak de verzuchting dat het klassieke repertoire allesoverheersend is. Ja, het neemt veel plaats in. Maar we stellen ook vast dat dit repertoire de afgelopen decennia smaller is geworden. Wie naar de speellijsten van dertig jaar geleden kijkt, ziet een veel bredere canon.

Hoe komt dat? Het zou kunnen dat een aantal stukken ons vandaag niet veel meer zeggen. Begrijpelijk. Het zou ook kunnen dat we voorzichtiger zijn geworden: we brengen het liefst titels die een garantie op succes zijn. Tegenover de versmalling staat ook een verbreding: die is de voorbije decennia gezocht én gevonden in bewerkingen van romans en filmscripts. Dat heeft veel mooi toneel opgeleverd.

Maar per saldo houden we minder titels over uit het klassieke repertoire. Het gevaar bestaat dat we dezelfde paar stukken van Shakespeare, Ibsen en Tsjechov eindeloos gaan overdoen. Dat is op termijn geen goede zaak. Een te smalle basis doet het gesprek verstommen.

Uit een enquête van De Tekstsmederij, gevoerd in het kader van de eerste Staat van de Theatertekst in 2014, bleek dat een meerderheid van het publiek een voorstelling bezoekt omwille van verhaal, thematiek of titel. Slechts 1 procent zegt voor de auteur te komen kijken.

Je zou denken dat dit voor de toneelschrijver slecht nieuws is. Maar dat hoeft niet zo te zijn, integendeel: hij of zij is degene die het verhaal en de thematiek vormgeeft en als het goed is ook nog de titel kiest. Het is dus zaak om met een sterk verhaal te komen. Van het publiek wil zelfs 71 procent meer nieuwe Nederlandse stukken in het theater zien.

Er is dus ruimte voor nieuwe toneelteksten. Het opent ook de mogelijkheid om het bestaande repertoire uit te breiden. Met nieuw materiaal dat rechtstreeks spreekt over onze tijd.

En er is wel degelijk nieuw toneel dat met de grote werkelijkheid aan de slag gaat. Maar het wordt niet voor de grote zaal geschreven. En het is vaak weinig dramatisch van aard. Dat is een probleem. Want laten we wel wezen: we leven in een statusmaatschappij. Kleine en middenzalen mogen nog zoveel nieuwe toneelteksten produceren als ze willen, als het niet ook in de grote zaal gebeurt, dan zal er aan de status van de nieuwe toneeltekst niets veranderen.

Je hoort weleens dat de bespelers van de grote zaal niet in nieuwe toneelteksten zijn geïnteresseerd. Ik weet wel zeker dat dit niet het geval is. Maar het moet van twee kanten komen. Jazeker, grote gezelschappen moeten schrijvers tijd en ruimte geven om stukken voor de grote zaal te ontwikkelen. Maar omgekeerd moeten schrijvers ook de ambitie hebben om grote verhalen te schrijven voor de grote zaal. Zou het niet fantastisch zijn als ze met werk komen waar de regisseurs van de grote zaal zich werkelijk uitgedaagd door voelen? Waardoor ze ja zeggen tegen een nieuw stuk, en neen tegen de verlokking van een volgende Shakespeare.

Is die ambitie er?

Als die eerste grote post-brexitroman niet door een Nederlander zal worden geschreven, laten we er dan voor zorgen dat het eerste grote post-brexittoneelstuk wél van een Nederlander zal zijn.

Denk duurzaam

Kent u het geestige gedicht van Annie M.G. Schmidt over boekensteunen? Daarin gaan boeken en hun personages met elkaar in gesprek.

Het wereldrepertoire is een gesprek onder stukken. Maar boeken kunnen ook zwijgzaam naast elkaar op de plank staan. Zulke boeken zijn het Nederlandse en het Vlaamse toneel. Teksten gaan niet vanzelf in gesprek. Nederlanders en Vlamingen werken in hetzelfde taalgebied, maar ze kennen elkaars werk te weinig. Jan Decorte, Rudi Meulemans, Piet Arfeuille: wie las hen in Nederland? De schrifturen zijn verschillend. Nederland heeft in zijn toneelliteratuur veel realisme – misschien net iets te veel. De Vlaamse toneelliteratuur – vaker dan in Nederland door theatermakers geschreven – heeft veel meer vormexperiment in zich. Misschien ook te veel. In elk geval: we zijn te eenkennig. Laat Vlamingen en Nederlanders hun schrifturen met elkaar confronteren en kijken hoe ze met het beste uit twee werelden iets kunnen maken dat de huidige praktijk overstijgt.

Ik wil die afwezigheid van een gesprek verbinden met een tweede probleem, en dat is de afwezigheid van een tweede enscenering van een nieuwe toneeltekst. Ik geloof namelijk dat het gesprek over een tekst maar echt kan plaatsvinden als hij meer dan één keer wordt geënsceneerd. Het is verheugend dat de Troje Trilogie van Koos Terpstra afgelopen seizoen opnieuw op het toneel werd gezet, voor het eerst in zeventien jaar. Misschien is het een aansporing om, als we weer eens een Griek of Shakespeare willen doen, te kijken naar wat er al is. En niet altijd meteen onze eigenste versie te willen maken.

Wat betekent het om iets nieuws te willen maken? Wat kan het doel ervan zijn? Pasolini zei: “Ik ben met werken begonnen in een tijd waarin van producten vooral werd verwacht dat ze lang meegingen, anders zouden ze niet eens in aanmerking komen om te worden aangeschaft. Nu werk ik nog steeds (zonder me aan de nieuwe tijd te hebben aangepast) in een tijd waarin juist het tegendeel van producten wordt verwacht, namelijk dat ze snel worden geconsumeerd.”

Het is een kwestie van ecologie. Als een tekst maar één keer bruikbaar is, maar één keer wordt geënsceneerd, dan komt het erop neer dat hij een wegwerpproduct is. We zouden er zorgvuldiger mee kunnen omgaan. Ook toneelteksten kunnen bijdragen aan duurzaamheid.

Ons taalgebied is klein. Je kunt niet verwachten dat een tekst in eigen land meteen een tweede enscenering krijgt. Er is daarom vaak gepleit voor vertalingen. We hebben een prachtig exportproduct, zei Sophie Kassies vorig jaar in haar Staat van de Theatertekst, maar het komt de grens maar moeilijk over. Zij wil haar Genesis graag in Duitsland, Engeland en Frankrijk gespeeld zien. Gelijk heeft ze. Maar niemand is geïnteresseerd zolang er geen vertaling is. Maar heb je er al aan gedacht, Sophie, om het stuk in Vlaanderen op de planken te krijgen?

Het is ons meest nabije buitenland. We delen een taal. Maar veel toneel steekt de grens niet over.

Het geldt ook in de andere richting. Zopas verscheen Mount Olympus van Jeroen Olyslaegers en Jan Fabre, een grandioze recycling van de antieke tragedies. Zou het niet fantastisch zijn als een Nederlander in een totaal ander kader met deze teksten aan de slag zou gaan? Pas dan kunnen we echt het gesprek over Mount Olympus voeren.

Ik pleit niet tegen vertalingen. Die moeten er zijn. Ze vergroten onze afzetmarkt. We hebben strategieën nodig die onze teksten voor het buitenland zichtbaar maken. Maar laten we ook nadenken over hoe we binnen ons eigen taalgebied een nieuwe tekst een tweede leven kunnen geven.

Wees niet bescheiden

Terug naar mijn pleidooi voor meer herkenbare werkelijkheid op het toneel.

U kunt zich afvragen: waar is dat voor nodig? Daar is kunst toch niet voor. En aan die werkelijkheid kunnen wij als kunstenaar toch niets veranderen.

We hebben allemaal twijfels over kunst. Kan kunst de wereld veranderen? De vraag wordt steeds vaker negatief beantwoord, ook door kunstenaars zelf. Louis Paul Boon sloot in 1947 zijn boek Mijn kleine oorlog af met de oproep ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen’. In een latere druk veranderde hij dat in ‘Wat heeft het alles voor zin?’.

Op het einde van Na de repetitie/Persona van Ingmar Bergman in een regie van Ivo van Hove zegt Frieda Pittoors: ‘Je moet goed gek zijn om in deze tijd kunstenaar te willen zijn.’ Het is een zin die door mijn hoofd blijft spoken. Je zou er moedeloos van kunnen worden, maar dat hoeft niet. Integendeel, je kunt er kracht uit putten. Jazeker, wij zijn goed gek. Maar wij hebben er ook een goede reden voor.

Kunst verandert de wereld wel degelijk – niet in rechtstreekse zin, maar wel onrechtstreeks.

Ik zei daarstraks dat meer werkelijkheid op het toneel niet betekent dat we de realiteit moeten kopiëren. We moeten ze zelf ook maken. Kijk naar de antieke tragedies: ik ben er 200 procent van overtuigd dat zij onze wereld mee hebben vormgegeven. Je hoeft die tragedies niet te hebben gelezen om erdoor beïnvloed te zijn. De manier waarop we denken en praten over onze gevoelens, hoe we ze uiten: dat is allemaal mee gevormd door 24 eeuwen toneel.

Als toneelmakers zijn wij de erfgenamen van de antieke tragedie. Toneelschrijvers, wees niet bescheiden! Ons recht, onze instituties, onze manier van denken: ze zijn mee gebaseerd op eeuwenoude teksten. Die hebben ons gevormd. Ook in negatieve zin. Maar toch: het is onze traditie. Van daaruit moeten we verder denken en schrijven. Teksten toevoegen aan het repertoire dat onze werkelijkheid, ons leven mee vormgeeft. Waarmee we het gesprek op gang houden. Daarom moeten we lezen, herlezen, herschrijven en toevoegen.

Ik begon 25 jaar geleden in het theater te werken. De podiumkunsten stonden in grote bloei. Tegelijk leken ze er slecht voor te staan. Het leek een oud medium dat weldra zou worden gepasseerd door video, door virtuele realiteit. We zouden de wereld enkel nog via een interface ervaren. Weldra zou het volslagen voorbijgestreefd zijn om samen een ruimte te delen en daar acteurs een uit het hoofd geleerde tekst te zien spelen.

Maar wat zien we vandaag? Het toneel lééft. Hoe meer we in een digitale wereld leven, hoe meer we de behoefte hebben om samen in een ruimte getuige te zijn van iets wat zich live voor onze ogen afspeelt. Oude woorden die van ver komen en die steeds weer worden herhaald, in eindeloze variaties en interpretaties. Nieuwe woorden die eraan worden toegevoegd.

Daardoor is toneel meer dan toegevoegde realiteit, want het máákt de werkelijkheid. Daarom moet er toneel worden geschreven.

En daarom is het schrijven voor toneel het schrijven van de toekomst. Op het moment dat niemand nog de attention span zal hebben om een roman van 200 bladzijden te lezen, zullen mensen naar het theater blijven gaan om te horen hoe het gesprek dat de Grieken 24 eeuwen geleden in gang hebben gezet – een gesprek onder mensen, een condensatie en kristallisatie van de gesprekken die wij in onze levens voeren – wordt voortgezet.

Een langere versie van deze tekst werd uitgesproken op 5 september 2016 op de Dag van de Toneeltekst in het kader van het Nederlandse Theaterfestival.

essay
Leestijd 10 — 13 minuten

Johan Reyniers

Johan Reyniers is schrijver en dramaturg. Hij was de directeur van de Leuvense organisatie voor hedendaagse dans Klapstuk (1993-1998) en artistiek directeur van het Kaaitheater (1998-2008). In 2008 werd hij hoofdredacteur van Etcetera. Sinds 2014 is hij hoofddramaturg bij Toneelgroep Amsterdam.