Mercurial George © Sammy Rawal

Graven naar onleesbaarheid

Dana Michel zet identiteit en blackness op losse schroeven

Door het kleine aantal zwarte choreografen en/of zwarte stemmen in de hedendaagse danswereld bestaat er een groot misverstand over blackness. Elke choreograaf die op raciale basis ‘zwart’ genoemd kan worden, kan het label opgeplakt krijgen. In haar solowerk Mercurial George gaat de in Montreal gebaseerde choreografe Dana Michel dat raciale vooroordeel frontaal te lijf. Ze roept een anarchistische ecologie der dingen in het leven die, in een onleesbare maar affectief geladen ervaring, de thema’s identiteit en blackness betekenis kan geven.

In de schijnwerper, links op het toneel, komt Dana Michel langzaam tevoorschijn: haar borst ontbloot, haar benen gewikkeld in witte panty’s en sneakers, die de zwarte glinstering van haar onbedekte bovenlichaam benadrukken. Ze kruipt en glijdt op handen en voeten, frunnikt aan allerlei vooraf op het toneel geplaatste voorwerpen. Ze reikt naar wat lijkt op een metalen koffiekan. Maar ze reikt er niet erg precies naar: ze neemt de kan op, zet hem neer, duwt hem naar voren, beweegt hem heen en weer, alvorens er uiteindelijk op te gaan zitten. Daarna grijpt ze grote zwarte zakken vast (terwijl ze ze niet echt vast grijpt) en probeert vervolgens minutenlang zichzelf al kronkelend in een zak te wurmen en te wringen. Intussen wordt ze bevangen door onophoudelijke stuipen, alsof haar gewrichten en spieren over een eigen wil beschikken die hen onafhankelijk kan doen trillen en trekken, waardoor allerlei omwegen ontstaan die de zichtbaar directe lijn tussen Michel en de voorwerpen onderbreken.

“Niets aan identiteit is zo vanzelfsprekend als zich in een pasvorm gieten, en zeker niet in het geval van blackness.”

Toen ik Mercurial George voor het eerst zag op het American Realness Festival in New York, brachten die eerste eindeloze momenten mijn hoofd bijna tot ontploffing. ‘Waarom kan ze niet gewoon in die verdomde zak kruipen?’, fluisterde ik gefrustreerd tegen mezelf. Daarna liet ik die vraag echter bezinken en stond ik mezelf toe even van het werk weg te dwalen en stil te staan bij mijn negatieve uitbarsting. Op dat moment voelde ik een klik: was identiteit maar zo eenvoudig! Was het gewoon maar een kwestie van in een zak te kruipen, et voilà! Niets aan identiteit is zo vanzelfsprekend als zich in een pasvorm gieten, en zeker niet in het geval van blackness. Dat Michel de zak eerst met haar hele lichaam samendrukt alvorens hem te openen, dat ze erin begint te kruipen en dan wordt afgeleid door de nabije microfoon, dat ze ‘nee, nee, nee’ mompelt en de zak gelijktijdig wegduwt en over zichzelf heen trekt: dat is allemaal van belang. Ze moet worstelen met wat haar wordt aangereikt, ze moet kritisch de directheid deconstrueren van iedere actie die maar al te makkelijk als vanzelfsprekend kan gelden.

Uitgerekte identiteit

Eerlijk gezegd, na die openingsscène in Mercurial George voel ik niet langer de behoefte om namen te plakken op Michels acties. Mijn gebruikelijke neiging om de vinger te leggen op wat er achtereenvolgens plaatsvindt in het werk, ebt langzaam weg en maakt plaats voor een affectieve ervaring die, hoewel niet zo begrijpelijk, daarom niet minder rigoureus is. Michels werk nodigt mij uit om niet te weten wat ze aan het doen is, om die frustratie los te laten en toe te geven aan mijn dagdromen. Een paar minuten later zal ik hoe dan ook toch in lachen uitbarsten wanneer ze een metalen spies tevoorschijn haalt en ermee in een zak met wit poeder begint te prikken, en op dat poeder begint te slaan en het zo op het toneel in het rond strooit. Ik kan niet met woorden uitleggen waarom ik moet lachen, of waarmee ik lach, maar het is onmiskenbaar grappig. Er ontstaat een ambigue ruimte die onleesbaarheid en affectieve intensiteit samenbindt, waarin ik kan giechelen zonder de grap te vatten, of huilen zonder het droevige verhaal te kennen.

In die paradox van overweldigd worden door gevoelens zonder te weten waarom, speelt tijd een essentiële rol. Doordat Michel zozeer de tijd uitrekt, wekt ze een heel intense affectieve kwaliteit op. Die is zo overdonderend dat het onmogelijk is om elk moment van de voorstelling op haar geconcentreerd te blijven. Wanneer ze er dan uiteindelijk in slaagt om – tergend langzaam – op te staan, vindt er in de zaal een onverklaarbare maar dramatische verschuiving plaats: een mengeling van opluchting, van opwinding, van eindeloze verveling. Alsof we allemaal zo lang op dit moment hebben gewacht… en dan moeten blijven wachten.

Dana Michel trekt een bontjas aan die te zwaar lijkt voor haar postuur, ze gespt een klein, uitgesneden zelfportret om haar voorhoofd, neemt met een hand de microfoon vast en met de andere een hoorn en een broodzak. Het toneel is nu van achteren verlicht. Plots weerklinkt in de verte een triomfantelijk muziekfragment met veel trompetgeschal. Dan schommelt Michel een tiental minuten heen en weer op haar uitwaarts gedraaide voeten en laat ze de voorwerpen in haar handen ritmisch heen en weer schommelen. Ze laat haar hoofd wat hangen, haar lichaam steeds ontspannen maar ook verwrongen. Af en toe knijpt ze in de hoorn of prevelt ze in de microfoon. In die vrij lange tijdsspanne gebeurt er zo goed als niets en tegelijk gebeuren er zoveel dingen, roept die repetitieve en soms komische traagheid zoveel gevoelens op.

Haar traagheid lijkt niet zozeer een intellectuele kritiek op onze snelle consumptie van dans, maar duidt veeleer op een intieme en diepe relatie met de dingen, die gewoonweg meer tijd vergt om zich te ontvouwen. Anders gezegd, met haar traagheid probeert Michel geen statement te maken of de flow van hedendaagse dans te verstoren. Zij is niet bezig ‘de dans uit te putten’ (in de woorden van theoreticus André Lepecki, volgens wie een ‘langzamere ontologie’ het kinetische project van de moderniteit kan onderbreken). Integendeel, traagheid voelt zeer persoonlijk aan; men hoort haar te voelen, niet te begrijpen, zodat ze kan worden opgenomen en oplossen in een affectieve ervaring. Alleen dan kan, uit wat we vaak reduceren tot en verankeren in die monolithische categorie van ‘identiteit’, deze chaotische warboel ontstaan die de leesbaarheid van blackness verstoort en ongedaan maakt, en zo ruimte creëert voor iets onstabieler en visceraler.

‘Waar komt identiteit vandaan? Hoe vind je het voor jezelf en hoe krijg je het opgeplakt? Hoe kan iemands identiteit aangeduid worden of de samenhang verliezen in relatie tot objecten, gevoelens en affecten?’11http://americanrealness.com/portfolio- type/dana-michel-4/

De vragen die Dana Michel zich stelt in Mercurial George zijn onomwonden en desondanks allesbehalve eenvoudig te beantwoorden; elke poging om erop in te gaan vraagt ongetwijfeld tijd. De dichotomie tussen het vinden van je eigen identiteit en een identiteit opgeplakt krijgen is nooit een kwestie van of het een of het ander. Het is een getouwtrek tussen de twee polariteiten, zo hevig dat ze uiteindelijk in elkaar verstrikt raken en een rommelig allegaartje vormen dat verstopt zit achter de façade van een uniform stoffelijk lichaam. Het tijdrekken destabiliseert Michels zwarte vrouwenlijf, laat de lichamelijkheid ervan oplossen in de onleesbaarheid van het affectieve register en ontketent de hevige storm die achter de illusoire categorie ‘identiteit’ verborgen wordt gehouden.

“Het begrip ‘identiteit’ is alleen maar nuttig voor zover het duidt
op de worsteling van een verkenningsproces dat altijd onderhevig
is aan de krachten van identificatie en van externe druk.”

Identiteit wordt een nog complexere kwestie wanneer ze gespecificeerd en gelokaliseerd wordt als blackness – een licht ontvlambare raciale kenmerking, zeker in de overwegend blanke, eurocentrische ruimte van de hedendaagse dans. In een interview met het Canadese tv-station CBC betreurt Michel openhartig hoe de pers haar werk systematisch met haar ‘zwart zijn’ vereenzelvigt, zonder dat ze daar enige controle over heeft: ‘Wat ik ook deed, elk stuk dat ik maakte werd versleten voor “urban” of “West-Afrikaans”. Wanneer in een domein met zulke diepe wortels in de blanke cultuur zo weinig zwarte stemmen weerklinken, wordt hun raciale kenmerking onmiddellijk opgevat als een categorie voor hun werk, als een affirmatie van anders-zijn die hen herleidt tot het leesbare domein van de urban culture. De hedendaagse danswereld mist een historisch kader om de complexiteit van zwarte dansen te begrijpen, waardoor op deze manier van othering het stigma van slavernij en racisme rust, en whiteness steeds probeert te bepalen wat blackness inhoudt en wat een zwart lichaam betekent (met name in ‘blackface minstrelsy’ is dat heel expliciet het geval). Michel ontkomt nu eenmaal niet aan die normatieve raciale vooringenomenheid – die is overigens niet eigen aan Noord-Amerika, maar is geëxporteerd in de wereldwijde (beeld)vorming van rassen. Ze heeft dus nooit de keuze om van blackness al dan niet een thema te maken. Mercurial George is geboren uit de noodzaak, uit de urgentie om haar verhaal op haar eigen manier te vertellen – als haar werk over blackness moet gaan, dan tenminste over haar ‘zwart zijn’.

Dit onderscheid tussen blackness als een abstract prisma van raciale identiteit en ‘haar zwart zijn’ als een meer intieme ervaring van ras, kan best veelbelovend lijken. Maar tegelijkertijd kan dat kunstmatige onderscheid niet echt de complexe en warrige identiteitsmatrix doorbreken die uit elkaar spat wanneer Michel de tweedeling tussen constructie en exploratie verstoort. Ook al ondernam ze, met haar weigering om lessen in Afrikaanse dans te volgen, al eerder een poging om het construct blackness af te zweren, die normatieve etnische beeldvorming blijft haar achtervolgen en haar werk definiëren, hoezeer ze ook probeert aan de greep van die fantasieloze categorie te ontsnappen.
De choreografe staat dus voor een paradox, aangezien het externe construct van blackness haar eigen proces van zelfexploratie op het diepste niveau mee vormgeeft. Ze zit gevangen in die tussenruimte waar geen absolute oplossing mogelijk is.

Mercurial George © Sammy Rawal

Het zal niet verbazen dat Michel ook in haar vorige bespiegeling over het zwart zijn, Yellow Towel (2013), veel tijd besteedde aan het onderzoeken van de stereotypen over de zwarte gemeenschap. Zo bestudeerde en ontkrachtte ze de raciaal getinte interpretaties van bijvoorbeeld de haardracht en de hoodie: ze gebruikte die foute maar herkenbare associaties over blackness als springplank voor haar worsteling met haar eigen identiteit.

Ook in Mercurial George hanteert de choreografe de stereotypering van het primitieve zwarte lichaam als een uitgangspunt: haar titel refereert aan het Afrikaanse aapje uit de populaire 20ste-eeuwse reeks kinderboeken Curious George (Nieuwsgierig Aapje). De gangbare associatie van primaten met ‘Afrika’, van ‘primitief zijn’ met ‘zwart zijn’ is onbehaaglijk aanwezig in Michels voorstelling, nu eens in de vorm van een kinderlijk taalgebruik dat vaak vervalt in een onverstaanbare herhaling van woorden, dan weer in de vorm van schokkerige, oncontroleerbare lichaamsbewegingen. Men zou denken dat de choreografe met haar hergebruik van primitieve tekens whiteness nog meer argumenten aanreikt om zwarte lichamen te herleiden tot de tijd en plaats van onze oorsprong. Maar in plaats daarvan slaagt ze erin de raciale kenmerking van binnenuit neer te halen. Door haar omkering van het begrip ‘primitiviteit’ belichaamt Michel nadrukkelijk wat Fred Moten en Stefano Harney beschrijven als ‘het waanzinnige, nonsensicale geraaskal van de ander’22Fred Moten and Stefano Harney, The Undercommons: Fugitive Planning & Black Study, Autonomedia, 2013, dat de koloniale en blanke machthebbers als onleesbaar ervaren en dus in de wind slaan.

“Michel schotelt het publiek geen licht verteerbare ervaring voor, geen universeel model van identiteit en grote gemene deler van blackness.”

Volgen we Tina Post in haar beschrijving van de constructie van blackness als een proces waarin een zwart lichaam het zwarte lichaam gaat symboliseren33Tina Post. “Williams, Walker, and Shine: Blackbody Blackface, or the Importance of Being Surface.” TDR/ The Drama Review 59, no. 4 (2015), 97., dan is Michel als een zwart lichaam ook bij machte om het zwarte lichaam onderuit te halen, om het uit de comfortzone van de leesbaarheid weg te rukken. In een paradigma van whiteness, dat van elke poging om Michels dans te interpreteren een verwijzing naar of een objectivering van het zwarte lichaam maakt, kan het verstoren van de leesbaarheid een werkbare manier zijn om te experimenteren met het recycleren en het perverteren van die statische raciale representatie. Tegen de achtergrond van deze interpretatie van blackness moeten we de term ‘identiteit’ in vraag stellen, en misschien vervangen door moeilijker te definiëren concepten als ‘subjectiviteit’ en ‘zwarte subjectiviteit’. Het begrip ‘identiteit’ is alleen maar nuttig voor zover het duidt op de worsteling van een verkenningsproces dat altijd onderhevig is aan de krachten van identificatie en van externe druk.

Een ecologie der dingen

De spots achter op het toneel doven langzaam uit. In de duisternis weerklinkt een muziekstuk op de synthesizer. Michel gaat naar de pop-uptent die midden op het toneel is neergezet, met daarin een podium van waarop ze een vreemde lezing / lied / gezang declameert: ‘Cream and milk and butter… And cream, cream, milk, milk… Shake, whip, shake them together’. De spots beginnen te flitsen… Ze lijkt in trance. Haar ogen rollen haar schedel in, haar naakte borst schokt in en uit het zicht, haar armen strekken zich uit in de lucht terwijl ze met een spatel draaibewegingen maakt.

Wanneer de lichten weer aangaan, ligt Michel op de grond achter de tent. Nu heeft ze dreadlocks over haar kaalgeschoren hoofd getrokken. Ze ligt een ogenblik doodstil, vooraleer te stuiptrekken en zich daarna geleidelijk aan naar een roltafel te slepen. Ze leunt tegen het tafeltje en duwt het pijnlijk moeizaam naar de andere kant van het toneel, alsof de dreadlocks die over haar gezicht hangen te zwaar zijn voor haar lichaam. Nadat ze wat bekomen is, pakt ze bloem en deeg van het tafeltje op, legt het op de grond en begint minutenlang het deeg te kneden.

Mercurial George © Jocelyn Michel

Nu ik de gebeurtenissen in Mercurial George op een rijtje zet, raak ik zelf verstrikt in een dilemma: omwille van deze tekst maak ik de voorstelling leesbaar, maar tegelijkertijd moet ik Michels gecompliceerde, vreemde, geheel eigen relatie met tijd en vooral met dingen tot uitdrukking brengen. In feite raakt de lineaire manier van dans ervaren die eigen is aan de beschrijving van het werk gecorrumpeerd door de aard van de voorwerpen op het toneel. De dingen kunnen er een eigen leven ontwikkelen, in plaats van onderhevig te zijn aan de utilitaire behoeftes van de mens. De schare aan dingen die aanvankelijk nog slechts gebruiksvoorwerpen zijn, en die we kunnen benoemen met specifieke namen zoals tent, podium, spatel, deeg, worden door de lange interactie met Michels lichaam en met elkaar allemaal ontwricht en geperverteerd.

Doordat het nutsaspect secundair wordt, treden eigenschappen als vorm en materiaal, elasticiteit en vitaliteit meer op de voorgrond. Op raadselachtige wijze openbaart zich zo een poëtische ruimte waarin de nauw verweven relaties tussen ding-dingen en mens-dingen bijzonder voelbaar zijn. Dit proces van wederzijdse animatie zet een wederzijdse besmetting in gang die de zaken in elkaar doet overlopen. De rigide contouren van het materiële worden doorbroken, waardoor de ambiguïteit van de affecten kan doordringen. Visuele leesbaarheid als overheersende modus van zintuiglijke ervaring verliest gaandeweg aan belang in deze relationele ecologie en maakt plaats voor een overdrachtswijze die minder autoritair is, als gevolg van haar ongebonden manier van vibreren tussen personen.

“Michel wordt alleen als subject erkend voor zover ze deelneemt aan de ecologie der dingen en zelf een ding wordt.”

Dingen worden hier niet door de choreografe gebruikt om haar identiteit an sich uit te drukken. Het zijn geanimeerde dingen, die net als haar lichaam onderdak bieden aan identiteit. De mens is niet langer de geprivilegieerde betekenaar: Michel wordt alleen als subject erkend voor zover ze deelneemt aan de ecologie der dingen en zelf een ding wordt. Door naar dingen te grijpen en zelfs een ding te worden, leidt ze de aandacht weg van de zichtbare betekenis van haar zwarte lichaam. Ze opent een vluchtigere ruimte, die ontsnapt aan de druk van identiteit en waar ze een zwarte subjectiviteit kan verkennen die onleesbaar maar desondanks intens voelbaar is.

In die affectief geladen ecologie krijgt een besef van blackness vorm dat gelijktijdig vervliegt in zijn opaciteit. Zeker vergeleken met Yellow Towel, waarin veel minder dingen verkend worden, valt op hoe de onoverzichtelijkheid in Mercurial George het zwarte zelf tegen de grens van ambiguïteit en vluchtigheid duwt. Zodra identiteit in een specifieke ding-relatie ietwat vertrouwd en verankerd aanvoelt, wordt het meteen omgegooid en wint een nieuwe wisselwerking aan belang die de bekende – hoewel vluchtige – status quo ontwricht. Zodoende echoot en weerkaatst blackness eindeloos tussen het ene ding en het andere, waarbij elke echo het opleggen van de categorie blackness in hedendaagse dans doorprikt. Een vreemde, obscure en geheel eigen blackness kan tot uiting komen, dat niet meer op de blackness lijkt. Dat creëert een anarchistische ruimte waar subjectiviteit opnieuw onderhandeld, verbeeld en uitgevonden kan worden.

Het mag duidelijk zijn: Michel schotelt het publiek geen licht verteerbare ervaring voor, geen universeel model van identiteit en grote gemene deler van blackness die de toeschouwer – laat staan haarzelf – op een presenteerblaadje kan worden aangereikt. Het feit dat de choreografe Mercurial George presenteert als een verlengde van haar eerdere productie Yellow Towel, geeft te kennen dat ze zich op troebel en chaotisch terrein begeeft, dat ze blijft spitten en uitgraven, zelfs na jarenlang onophoudelijk onderzoeken en toeren. Misschien is het woord ‘graven’ emblematisch voor het hele proces achter Michels benadering van identiteit en ‘zwart zijn’: almaar dieper en dieper en dieper gaan. Graven heeft niet tot doel iets te vinden of ergens te geraken, maar het woord suggereert het gewicht van een verantwoordelijkheid, van een toewijding om het onbekende steeds dieper te verkennen. Wie graaft duwt onvermijdelijk tegen de grenzen van het onleesbare, maakt het onbekende wezen in zich wakker dat nooit is aangeraakt noch – bovenal – gevoeld.

essay
Leestijd 10 — 13 minuten

Anh Vo

Anh Vo is choreograaf en performance-theoreticus. Momenteel studeert hij aan Brown University (VS). Meer teksten zijn te vinden op www.cultplastic.com.