© Stanislav Dobak

Mia Vaerman

Leestijd 4 — 7 minuten

From Molenbeek with Love – Yassin Mrabtifi

Een boodschap met te weinig woorden

In zijn eerste soloperformance From Molenbeek with Love zoekt Yassin Mrabtifi naar de betekenis en consequenties van zijn hybride identiteit. Een logisch begin. En een verdomd moeilijke opgave als je je tussen zoveel verschillende werelden in beweegt: die van Belg en Marokkaan, van Moslim en leerling in een streng katholieke school, van bedreigende (volgens sommigen) en bedreigde Molenbekenaar. Maar dat gevecht vertalen naar een geëngageerd discours vraagt duidelijk om meer dan een sterke lichamelijkheid. De woorden ontbraken in deze dansvoorstelling om inzicht te geven in de gespleten realiteit die vele migranten ervaren.

Aan het begin van de voorstelling zingt Jean Gabin ‘Je sais … que je ne saurai jamais’. Een klassieker van het Franse chanson. Ook Gabin zou zijn waarheid niet vinden. We zijn dus meteen gewaarschuwd. In een hoekje van de KVS-box zit Mrabtifi ondertussen bellen te blazen. Het refrein besluit: ‘Le jour où quelqu’un vous aime, il fait très beau.’ Daarmee lijkt Mrabtifi’s denken samengevat. Het verklaart meteen ook de titel. Liefde, daar gaat het om. Meer informatie krijgen we niet, althans niet woordelijk.

De danser trekt dan een gewaad aan met ellenlange mouwen die aan de muren van de speelruimte zijn vastgebonden. Hij begint te bewegen op Arabische muziek van Umm Kulthum – een Egyptische zangeres uit de vorige eeuw die vandaag nog steeds zeer geliefd is. Het contrast van Mrabtifi’s schoppen van handen (die hij af en toe uit de jurk haalt) en de verfijnde gebaren waarmee hij zijn hele lichaam in draaiende bewegingen trekt! Het is alvast de mooiste van alle discrepanties die de Molenbeekse danser tekenen. Maar als hij zijn armen weer in de jurk schuift, zit hij compleet vast: een derwish in een dwangbuis.

Mrabtifi werd opgepikt door Wim Vandekeybus in 2013 via een auditie. Zijn stevig lichaam (hij was ooit veel zwaarder) steekt sterk af tegen zijn sierlijke, haast vrouwelijke beweeglijkheid. Choreografie kende hij niet, maar sinds zijn dertiende oefende hij breakdance in de Brusselse metro- en treinstations. Dansen werd zijn manier om zich te uiten en met zijn frustraties komaf te maken, vertelt hij in een interview. Zijn hiphop-improvisaties overtuigden, en hij toerde een aantal jaar met Ultima Vez. Sinds de aanslagen van 2016 voelt hij een nood om bruggen te bouwen tussen de ‘contempo-bobo’-scene (van ‘contemporain’ en ‘bourgeois-bohémien’) en de ruwe werkelijkheid waar zijn Marokkaanse vrienden in leven. Tussen de twee kanten van het kanaal in Brussel, kortom. Dat gegeven werkt hij nu uit in een solo die gecoproduceerd wordt door de KVS, Ultima Vez en Kosmonaut (een ondersteuningsplatform voor kunstenaars).

In de tweede scène neemt Yassin Mrabtifi post middenin de ruimte op een plek die omgeven is door felgekleurd plasticfolie en veel wegheeft van een boksring. Op rapmuziek, die afwisselend uit de boxen binnen in de ring en in de hele KVS-box weerklinkt, bekijkt hij nu eens zichzelf in het weerspiegelende plastic, en voert dan weer een onnozel dansje uit met blauwe en rode slingers – een majorettenparade, zo lijkt het. Twijfel tussen twee werelden, lees je: één binnenskamers, de tweede werkelijkheid erbuiten waar hij als stoere streetdancer optreedt. Is identiteit dan zo karikaturaal? Plots breekt hij uit en met veel kabaal sleurt hij het felrood gekleurde celluloid mee. Er volgt een gevecht, waarbij hij ingepakt tegen de muur aanschuurt. Alweer onmacht, waar hij zwaar uitgeput uit loskomt. De hele scène duurt te lang. En stilaan groeit het vermoeden dat er niet veel meer zal komen dan dit: stereotiepe beelden van een innerlijke worsteling. Geen verdere vragen, geen zoeken, geen denken, geen catharsis, geen narratief – geen boodschap.

“De teksten van dekoloniserings-voorvechters als Rachida Aziz, Amin Maalouf en vooral Frantz Fanon waren een openbaring voor hem. Als artiest van buitenlandse origine wil hij nu dat kritische denken uitdragen. Maar de link tussen zijn eigengereide dansen en zijn bevrijd denken is niet terug te vinden in zijn performance. Of al te schetsmatig.”

Mrabtifi’s présence als danser is opvallend. Hij articuleert elke spier met precisie, en switcht met alle gemak tussen hiphopstijlen en Oosterse dans. Het is een genot om naar zijn ritmische improvisaties te kijken. Tegelijkertijd straalt hij een kwetsbaarheid uit, en een tederheid in de manier waarop hij het publiek aanspreekt en meetroont naar de vier tableau’s die hij telkens in een ander deel van de box opbouwt. Maar de stap vanuit die lichaamstaal naar het thema van de identiteit is erg groot. Te groot allicht. In de vele gesprekken die in de pers verschenen voor de première vertelt hij hoe fnuikend de Westerse blik en de vooroordelen waren voor het Magrebijns kind dat hij was, en hoe aartsmoeilijk, maar belangrijk het is om als een als ‘allochtoon’ gedoodverfde jongeman een eigen identiteit te ontplooien. De teksten van dekoloniserings-voorvechters als Rachida Aziz, Amin Maalouf en vooral Frantz Fanon waren een openbaring voor hem. Als artiest van buitenlandse origine wil hij nu dat kritische denken uitdragen. Maar de link tussen zijn eigengereide dansen en zijn bevrijd denken is niet terug te vinden in zijn performance. Of al te schetsmatig.

In een laatste tafereel (zo theatraal voelt het ook: als vier verschillende in scène gezette momenten) verplaatst Yassin Mrabtifi zich naar nog een andere kant van de zwarte box – de toeschouwer verhuist telkens mee, gaat telkens weer geduldig op de grond zitten om hem alle plaats te geven; er zijn geen tribunes. ‘It’s a solo about little things… Sorry, I’m so confused,’ prevelt hij onhandig. En hoe kleine dingen uit het dagelijkse leven – een appartement huren, bijvoorbeeld – hem al meteen uit zijn lood slaan. Opnieuw probeert hij zijn schaarse uitleg bij te staan met expressieve lichaamstaal. Verwardheid, is de conclusie. En daarmee is de voorstelling afgelopen. En alles gezegd. Te weinig om verder over na te kunnen, te willen denken.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Mia Vaerman

recensie