Etcetera Magazine. Tijdschrift voor podiumkunsten.

Faust, een mechanische komedie (Mats Vandroogenbroeck en Timo Sterckx)

Faust, een mechanische komedie (Mats Vandroogenbroeck en Timo Sterckx)

Elke Huybrechts

De macht van de mise en abyme

 

De Faustbewerking van Mats Vandroogenbroeck en Timo Sterckx heeft een taalfilosofische inslag. Voor Faust, een mechanische komedie verdiepten de twee zich in het werk van Ludwig Wittgenstein. Het stuk schotelt gewichtige vraagstukken voor, zoals: hoe verhoudt de taal zich tegenover de werkelijkheid, is de werkelijkheid kenbaar en is de taal verzoenbaar met de wereld die ze tracht te beschrijven.

 

Sterckx, die Faust speelt, zit in het midden van een compleet witte kamer aan een bureau, waar hij obsessief in een boek bladert. Hij representeert de mens die een onstilbare honger heeft naar kennis. Op de vloer naast hem ligt een grote stapel met uitgescheurde vellen. Hij is immers op zoek naar het Oerwoord. “In het begin was het Woord” is het vertrekpunt van Fausts omstandige redevoering. Welk woord is “het atoom onder de woorden”? Hoe hang je een woord vast aan de wereld? Waarom heet koffie ‘koffie’ en wat zegt het woord over het ding dat ermee aangeduid wordt?

 

Faust beseft al snel dat zijn zoektocht naar dat ene, ondeelbare woord vruchteloos is. Hij gelooft niet langer in God en Zijn Woord, want “in het begin was niet het Woord, maar de Daad”. Daden en dingen gaan vooraf aan de taal, zo argumenteert hij. Faust wil zich uit de witte kamer en van zijn terugkerende gedachten bevrijden. Hij onderneemt een poging om af te rekenen met de spoken uit zijn verleden. Faust zat vroeger opgesloten in een kelder, nu zit hij vast in de witte ruimte: geen deuropening te bespeuren.

 

Mats Vandroogenbroeck doet zijn intrede als dokter en probeert Faust tot het inzicht te brengen dat hij zich niet van zijn enige taak mag kwijten: naar het Woord zoeken. Vandroogenbroeck zet een overtuigende devil in disguise neer, die een gemeen psychologisch spel speelt met Faust, maar die laat zich niet zomaar inpalmen. De confrontatie mondt uit in een spectaculaire strijd tussen de twee acteurs. Het duo maakt van Goethes tragedie Faust dan ook een ‘mechanisch’ stuk, met special effects (explosies!) en een slijpschijf inbegrepen. Vandroogenbroeck en Sterckx tonen zich als spelende jongens, van wie het spelplezier en de liefde voor het woord afstraalt.

 

Ook in deze zin is het stuk mechanisch: het volgt een recursief patroon. Een patroon dat te vergelijken is met films van de postmoderne regisseur Christopher Nolan (zoals Memento en Inception). Die logica wordt beeldend en metaforisch weergegeven. Er duiken bijvoorbeeld twee maquettes op, die replica’s zijn van de witte kamer, waarin een Faust-homunculus zit, een esthetische mise en abyme. Faust blijkt werkelijk op geen enkele manier vrij te zijn, want hij zit ingebed in een alomvattend systeem, dat door een almachtige (Dr. Schnabel) wordt bestuurd. Het leven van Faust blijkt een sisyfusarbeid te zijn, een eeuwige herhaling van hetzelfde falen in de zoektocht naar een uitweg.

 

Vandroogenbroeck en Sterckx brengen old school teksttheater, dat tekstueel en intellectueel goed onderbouwd is en een geraffineerde structuur heeft. Die structuur roept relevante vragen op over de menselijke conditie. Is er nog ruimte om daadkrachtig te handelen binnen een omsluitend systeem? Kan kennis de mens nog wel bevrijden uit de onmondigheid of blijft hij in intellectuele cirkeltjes lopen? De makers noemen hun stuk opvallend genoeg een ‘komedie’, een term die in de oudheid gereserveerd werd voor stukken die goed afliepen en het publiek daarom tot lachen brachten. Of de mechanische, eeuwige mise en abyme van de macht en het komische verzoenbaar zijn, is nog maar de vraag. Het biedt in elk geval stof tot nadenken.