House (Lester Arias)

Egonomaden

Etcetera recenseert jong werk op Theater aan Zee!

Naar jaarlijkse traditie maken de Nomaden-wandelingen deel uit van de programmatie jong theater van het populaire Oostendse zomerfestival Theater Aan Zee. Het publiek gaat van locatie naar locatie en ziet op een paar uurtjes tijd een drietal voorstellingen. Het is een handig recept om ook de wat kortere stukken een plek te geven op een festival dat druk wordt bezocht door het kruim van de Vlaamse theaterprogrammatoren. Iets tonen op TAZ is dan ook een unieke kans voor studenten en pas afgestudeerde acteurs en theatermakers om de eerste institutionele steun te verzamelen voor hun prille werk.

Volgens de festivalbrochure bundelt het Egonomaden-voorstellingsparcours “universele verhalen die vertrekken vanuit de eigen geboortestreek, het eigen huis, of het eigen universum.” Tijdens verschillende eerdere edities van TAZ leefde het debat over de fameuze ‘eigen navel’ van de jonge maker: het werk zou zich teveel op zijn of haar eigen hoogstpersoonlijke besognes richten en de wijde wereld daarmee uit het oog verliezen. De podiumkunstenaars wiens voorstellingen deel uitmaken van het parcours, hebben van die kwaal niet veel last.

Aardschok in Oostende

Tijdens Pretare van Eduardo Ripani, de eerste stop op de regenachtige tour, vraag je je zelfs af wat nu precies de verhouding is tussen de theatermaker en het onderwerp dat hij behandelt. De naar ‘jong werk’-normen al wat oudere Ripani, die na een loopbaan als acteur naar Brussel trok voor een opleiding regie aan het RITCS, is Italiaan, en Pretare is een bergdorp in Italië dat in 2016 getroffen werd door een zware aardbeving. Veel meer dan die Italiaanse link krijg je in de beknopte documentaire voorstelling niet mee. (Met het feit dat het dorp in zijn “eigen geboortestreek” zou liggen, zoals de omschrijving van het Egonomaden-parcours suggereert, gebeurt alleszins niets.)

Natuurlijk hoef je niet altijd te weten hoe een inhoudelijke fascinatie van een kunstenaar nu precies wortelt in een individuele biografie, maar Ripani kiest er hier wel voor om zelf op het podium te staan en het publiek rechtstreeks en persoonlijk aan te spreken. “It’s my first time at TAZ,” vertrouwt hij ons met een charmante glimlach toe. De inwoonster van Pretare die hij naar eigen zeggen uitnodigde om naar Oostende te komen, kijkt even later met haar reiskoffers nog in de hand onwennig om zich heen. Ze kan enkel Italiaans, en die taalbarrière maakt van haar een stille aanwezigheid doorheen de voorstelling. De volgende twintig minuten passeren een paar gekende ingrediënten van documentair theater de revue: een landkaart, geprojecteerde foto’s van de vernielingen, muziek die de lokale atmosfeer moet oproepen, en een inleef-moment: een donderachtige geluidsscore en trillende tafel (typisch Italiaans gedekt met Chianti, frisse groenten en een roodwit geruit tafellaken) maken de aardschok indringend voelbaar.

Ripani’s expliciete uitnodiging van de Italiaanse vrouw en de (theatrale) reiskoffers suggereren dat de theatermaker zich tot een niet-Italiaans publiek richt. Maar wat is de dieperliggende reden waarom hij ons in Oostende over Pretare wil vertellen? Daaromtrent blijven we in het duister tasten. Naast deze inhoudelijke lacune mist Pretare ook als vingeroefening in documentair theater nog originaliteit en durf.

Performer als assemblage

“I call the house ‘my house’ even though it isn’t mine,” vertrouwt Lester Arias het publiek toe kort na het begin van zijn theatrale concert. Ook het raadselachtige House onthult weinig over de persoonlijke relatie van de kunstenaar tot zijn “eigen huis”, maar in dit geval is dat geen enkel probleem. De Venezolaanse performance-artiest en muzikant maakt volop gebruik van de visualisatietechniek die je vaak in therapeutische contexten terugvindt. Op de tonen van Niklas Blombergs zoet-dreigende electro, nodigt hij ons herhaaldelijk uit om ons een bepaald huis in te beelden. In gedachten wandel je door een gang, zie je jezelf in een spiegel, stap je een tuin binnen, enzovoort. Doordat de muziek, de spreek- of zangstijl en de electronisch vervormde stemklank bij elke herhaling wijzigen, stel je je dat huis telkens anders voor hoewel de tocht erdoorheen min of meer identiek blijft. Onvermijdelijk wordt de verbeelding van het publiek gekleurd door de locatie van House, het kleine gebouw van de 700 jaar oude schuttersvereniging de Sint-Sebastiaansgilde, vol stoffige schilderijen, trofeeën en kandelaars. Ook daar vind je een lange gang, een grote spiegel en een tuin, maar ondanks die ruimtelijke aanknopingspunten zit er voldoende contrast tussen droom en werkelijkheid om beiden niet volledig met elkaar te verwarren, zeker wanneer de fantasie na verloop van tijd uitmondt in een stortvloed van orgiastische, paranoïde en kosmische beelden.

Meer dan de voorstelling, fascineert de performer. Lester Arias is een mooie, androgyne jonge man met de allure van een queer popster. Hij weet het publiek van begin tot eind in de ban te houden door moeiteloos te schakelen tussen bevreemdende, afschrikwekkende, en aantrekkelijke, sensuele vormen van performativiteit. Daarnaast slaagt hij er in om af en toe met bijtende zelfspot het eigen charisma te bestendigen door het onderuit te halen, een paradoxale truc die je als performer eigenlijk niet kan aanleren. Arias’ optreden lijkt wel een excessieve viering van onnatuurlijkheid en artificialiteit, een opgestoken middelvinger naar de puriteinse authenticiteitszoekers. In House verschijnt de performer als assemblage: het is onmogelijk om het lichaam van de man los te zien van de streepjes mascara, de hoge hakken, de geleende poses en gebaren, los van de geluidsinstallatie die zijn stem versterkt, egaliseert en vervormt. Zowel zijn bovenaardse engelengezang als zijn hoog krassende geschreeuw zijn ostentatief fake, maar who cares?

De programmabrochure leert dat Arias in 2016 afzwaaide aan de Amsterdamse School voor Nieuwe Dansontwikkeling, of het SNDO. Al minstens tien jaar lang flirt het gros van de kunstenaars en performers die daar schoollopen – inclusief de maker van House – met de strategie van de overidentificatie: eerder dan het consumptiekapitalisme, de celebrity- en popcultuur, de virtuele realiteit van het internet, etcetera, met kritische afstand te bevragen, kiezen zij ervoor om er zich op een overdreven en dubbelzinnige manier mee te vereenzelvigen. Vandaag voelt die aanpak vaak voorspelbaar en conformistisch aan. House maakt nieuwsgierig naar de wegen die Arias zou inslaan mocht hij zich – al verder zoekende naar een eigen stem – wat van de SNDO-invloed kunnen en willen losmaken.

Abstrahering van het hoogstpersoonlijke

Het Egonomaden-parcours besluit met een intrigerende, enigmatische performance. In Session lijken Mathilde Strijdonks sportschoenen onbeweeglijk vastgeklonken aan de speelvloer terwijl haar lichaam hevig trilt. Handen en armen leiden een eigen leven, vaak verkrampt en dan oncontroleerbaar uitschietend in vormeloze gebaren waar pijn en machteloosheid uit spreken. Af en toe openen de handpalmen zich in de richting van het publiek en komt het lichaam even tot rust. De fysieke protagonist van het geheel is de ademhaling. Soms lijkt het alsof Strijdonk een encyclopedie van de adem demonstreert, variërend tussen diep inhaleren, geeuwen, puffen, snikken, hijgen en zuchten, refererend aan lichamelijke inspanningen en opwindingen, gevoelens van angst, paniek en verdriet, ingrijpende levensmomenten als een bevalling, een ziekte en een sterfproces,… Helpen de staccato bewegingen om die verschillende soorten ademhaling gestalte te geven, of zijn zij eerder het fysieke effect ervan? Nu en dan schijnt de performer tot spreken te willen komen, wat nooit lukt. De ademhaling die het gesproken woord het grootste deel van onze tijd onzichtbaar – of liever onhoorbaar – draagt, werpt hier onoverkomelijke obstakels op voor de articulatie. De taal stokt.

Elke toeschouwer kent, elke toeschouwer herkent veel van deze verschillende types ademhaling doordat hij of zij ze zelf aan den lijve ervoer of zag bij anderen. Het vermogen tot fysieke empathie wortelt in je eigen fysieke geheugen, en wordt in principe bij elke theater- of dansvoorstelling aangesproken. In Session gebeurt dit op een expliciete, zelfbewuste manier. Het sociaal gedeelde roept hier het hoogstpersoonlijke op: de brede herkenning voert elk afzonderlijk lid van het publiek naar andere plekken, naar andere herinneringen en associatievelden.

De spaarzame scenografische elementen zijn vooral functioneel: een stoel, een flesje water, een iPad met een stopwatch die Strijdonk tijdens de voorstelling helpt om de duur van de verschillende onderdelen strak te bemeten. De score die ze voor zichzelf met witte verfstift op het podium heeft geschreven, en die je als nieuwsgierige toeschouwer pas na de voorstelling bij het buitengaan kan lezen, doet vermoeden dat haar compositie van ademhalingen, bewegingen, gebaren en onuitgesproken woorden niet begon als een soort wetenschappelijke, encyclopedische zelfopdracht. De woorden waarmee ze sommige delen van de voorstelling benoemt, lijken immers – hoe summier ook – te verwijzen naar een hoogsteigen biografisch universum. Dankzij een doorgedreven proces van abstrahering verviel Session niet tot een egotrip die zich ongemakkelijk verhoudt tot de publiciteit van een theaterzaal. Hoewel het op compositorisch vlak nog heel wat vooruitgang kan boeken, is het werk van deze ex-studente van het Gentse KASK Drama veelbelovend. Zal het zich verder ontwikkelen in de richting van theater, muziek of choreografie? Er is nog veel mogelijk.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

Sébastien Hendrickx

Sébastien Hendrickx is schrijver en freelance dramaturg. Hij maakt deel uit van de kleine redactie van Etcetera.