Dood van een handelsreiziger – t’Arsenaal

Gezien op 21 april (première) in t,Arsenaal, Mechelen

Het was in de lente van 1948 dat toneelauteur Arthur Miller eigenhandig een hut bouwde in de wouden van Connecticut, om er te werken aan een stuk waarvan de eerste twee zinnen al geruime tijd door zijn hoofd spookten: ‘Willy?’ ‘It’s all right. I’m back.’ Na zes weken opsluiting kwam hij naar buiten met een tekst die legendarisch zou worden: Dood van een handelsreiziger. Hij won er prompt de Pulitzer-prijs mee en sindsdien behoort de tekst tot de literaire canon van de twintigste eeuw. Dezer dagen waagt t,Arsenaal zich aan een productie waarin o.a. Lucas Van den Eynde (Willy Loman), Mieke De Groote (Linda Loman) en Peter De Graef (Charley) de tekst naar hun hand zetten. Michael De Cock voert de regie, maar een klassieker van dit formaat laat zich niet lichtvaardig bewerken. Het vergt niet alleen groot vakmanschap, maar ook de juiste dosis eigenzinnigheid om een opdracht als deze tot een goed einde te brengen. Helaas is dat niet helemaal gelukt.

De centrale figuur is Willy Loman, sinds jaar en dag handelsreiziger, die als een bezetene de droom van een succesvolle carrière najaagt. Hij leeft onder het motto dat het leven is als een oester: je kan ze openkraken, maar niet als je op je luie kont blijft zitten. De geneugten van het leven laten zich enkel smaken als je ze voor jezelf opeist. Wanneer echter de vermoeidheid toeslaat, de successen uitblijven, de baas hem ontslaat en zijn zoon hem voor de zoveelste ongoocheling plaatst, wordt hij verplicht zijn eigen falen onder ogen te zien. Het glansrijke leven en het succes dat hij voor zichzelf had gewenst, zijn uitgebleven. De realiteit die hij altijd heeft ontvlucht, kan niet langer worden genegeerd. Wat rest is het desolate landschap van de mislukking.

Arthur Miller schreef met deze tekst een scherpe kritiek op het kapitalisme en de waan van de American Dream. Hij toont een ontwricht en door het systeem leeggezogen individu, een man die in zijn eigen dromen van succes verloren is gelopen en aan het einde van zijn leven merkt dat alle moeite vergeefs is geweest. Hij toont de pijnlijk verstoorde relatie tussen een veeleisende vader en een zoon die alleen maar voor die eisen op de vlucht kan slaan. Hij toont een gezin waarvan de leden door onbegrip en verontwaardiging uit elkaar worden gedreven. En aan de basis van deze tragedie liggen de verraderlijke wensdromen en het op financieel succes gefixeerde mens- en wereldbeeld waarmee het kapitalisme de wereld heeft opgezadeld.

De kracht van de tekst schuilt vooral in het feit dat Miller vele kritische vragen stelt, maar weinig antwoorden geeft. Daardoor behoudt het stuk zijn frisheid en kan het doorheen de tijden steeds opnieuw worden ingevuld. De vragen blijven relevant en verdienen eigentijdse antwoorden. Alleen al het feit dat de door Miller opgeworpen dilemma’s omtrent ambitie, familie en zingeving nog steeds pertinent zijn, levert een schokkend inzicht: bijna zeventig jaar na de eerste opvoering is de condition humaine binnen het kapitalistisch systeem weinig veranderd en leven er nog steeds dezelfde losgeslagen illusies en onmogelijke verwachtingen.

Deze tekst is dus een mooi geschenk om mee aan het werk te gaan, maar moet ook met zorg behandeld worden. Zo is er bijvoorbeeld de bijzonder uitdagende rol van Willy Loman, die onderhevig is aan intense gemoedswisselingen waarbij kwaadheid, vertedering en spijt voortdurend door elkaar heen vloeien. Lucas Van den Eynde toont zijn kunde als speler in de razendsnelle wendbaarheid waarmee hij laveert tussen verscheurende twijfel en euforie, gekweldheid en trots, woede en liefde. Zonder de andere spelers te overschaduwen, eist hij voortdurend de aandacht op en laat hij zijn spel moeiteloos manoeuvreren van klein en ingetogen naar breed en onstuimig. Naast Van den Eynde zijn het vooral Peter De Graef en de jonge acteur Thomas Janssens die overtuigen. Zij spelen respectievelijk Charley (de buurman) en Biff, de oudste zoon van Willy Loman. Zeker naar het einde weet Thomas Janssens te beklijven met zijn melancholische vertolking van de rusteloze, voortdurend met zichzelf worstelende Biff.

Helaas worden niet alle rollen op hetzelfde niveau gebracht. Zo is er bijvoorbeeld het personage van Ben, de broer van Willy Loman, die door Arthur Miller als volgt wordt omschreven: ‘he is a stolid man, in his sixties, with a moustache and an authoritative air. He is utterly certain of his destiny,’ en dan de mooie toevoeging: ‘there is an aura of far places around him’. Jammer genoeg slaagt acteur Tuur De Weert er op geen enkel moment in dit personage naar behoren gestalte te geven. Hij ziet er nogal komisch uit, opgedost met een lompe survival-vest, cowboyhoed en zwarte zonnebril, en maakt eerder de indruk van een gepensioneerde op citytrip dan van een wereldreiziger met een aura van verre oorden om zich heen. Hij reciteert zijn zinnen stroef en ongeloofwaardig, met als resultaat dat de dominante, beklemmende invloed die Ben Loman op zijn jongere broer uitoefent, zich nooit laat voelen. Op deze manier gaat een belangrijke dynamiek verloren, namelijk de verblindende drang van Willy Loman om op te leven naar het ideaalbeeld van zijn broer die wel een succesvol zakenman werd.

Ook elders moet het stuk aan kracht inboeten. Hier en daar zijn bepaalde zinnen en replieken geschrapt, met als gevolg dat van sommige scènes de ruggengraat wordt gebroken en de subtiel opgebouwde spanning van het origineel verloren gaat. Dit geldt voornamelijk voor de scènes waarin droom en werkelijkheid in elkaar overlopen en Willy Loman een vreemd tussengebied betreedt. Reële en gedroomde personages staan naast elkaar op het podium en spreken de uitgeputte man tegelijkertijd toe. Gesprekken raken in elkaar verward, Loman schippert tussen heden en verleden, tussen zijn eigen innerlijke strijd en alles wat er om hem heen gebeurt. De beklemming en onheilspellende bezwering van deze passages komen op het podium niet volledig tot hun recht en slechts zelden leiden zij tot een emotionele climax. Dit moet vooral op het conto van regisseur Michael De Cock worden geschreven, die er niet in slaagt de gedurfde, uitdagende opbouw van de tekst in zijn enscenering door te voeren. Daardoor maakt deze versie van Dood van een handelsreiziger in de eerste helft af en toe een nogal klungelige en lichtelijk ouderwetse indruk. Maar naarmate het stuk vordert, sluipt er, voornamelijk dankzij de aanzwellende gedrevenheid in het spel van de acteurs, toch leven in de voorstelling en ontstaan er (helaas veel te zeldzame) momenten van doorleefde ontroering. Over het algemeen ontbreekt het deze bewerking aan visie, zodat ze vaak niet meer is dan een nogal brave opvoering van de tekst. Een doortastende hand had met de juiste ingrepen het stuk daar bovenuit kunnen tillen. Het is een geluk dat de tekst van zo’n hoge kwaliteit is, want ondanks de povere regie weet zij nog steeds te verrassen, te ontroeren, en onze hedendaagse maatschappij een heldere, ontnuchterende spiegel voor te houden.

Gezien op 21 april (première) in t’Arsenaal, Mechelen

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Jan Dertaelen