De Warme Winkel speelt De Warme Winkel

De Warme Winkel spreekt De Warme Winkel (sic)

De stoelen vliegen in het rond in Café Müller. Het is een van de bekendste scènes van Pina Bausch’ gelijknamige choreografie uit 1978. Drie jaar na de heropvoering van deze succesvoorstelling van Tanztheater Wuppertal in de Antwerpse kunsttempel deSingel, toont het Nederlandse theatercollectief De Warme Winkel er nog eens het integrale stuk.

Het kan misschien verwarrend klinken. In De Warme Winkel speelt De Warme Winkel speelt De Warme Winkel dat ze andermans magnum opus willen stelen en verheffen tot hun eigen meesterwerk. Pina Bausch’ Café Müller doet dienst als voorstelling binnen een voorstelling die vragen oproept over originaliteit, authenticiteit, plagiaat en de artistieke canon. In het begin van De Warme Winkel speelt De Warme Winkel suggereert het gezelschap dat ze hun Bausch-kopie bijna moesten afblazen. Een volledige heropvoering zonder toestemming zou kunnen uitmonden in juridische vervolging wegens plagiaat. Omdat het tot kort voor de première niet zeker was of de goedkeuring er komt, besloot De Warme Winkel om op veilig te spelen en twéé voorstellingen te maken. Na het fiat van de Bausch-nazaten werden ze samengevoegd tot één stuk.

In het eerste deel (de ‘noodvoorstelling’) speelt De Warme Winkel zichzelf. Of nog preciezer: ze spelen dat ze zelf door een volgende generatie worden nagespeeld. Op de achtergrond zien we een exacte kopie van het decor dat Rolf Borzik ontwierp voor Café Müller. Op de voorgrond voeren de stagiaires Kim Karssen, Sofie Porro en Rob Smorenberg een soort metatheater op, waarin ze de stijl van de drie kernspelers van De Warme Winkel, Mara van Vlijmen, Vincent Rietveld en Ward Weemhoff, fileren. De ‘oudjes’ zijn er ook. Achteraan op de scène zien we ze bijna synchroon met de ‘jeugd’ zichzelf spelen. Zowel voor wie het Nederlandse gezelschap kent als wie ze niet kent, biedt dit eerste uur een degelijke analyse van zijn typische stijl, die het in deze voorstelling op de spits drijft. We zien een voortdurende spanningsverhouding tussen inspiratie en plagiaat, veel spitsvondigheid en een vinnig, blufferig spel.

In het tweede deel komen de twee generaties samen om Café Müller alsnog op te voeren – de volledige 50 minuten, met de muziek van Henry Purcell en de precisie van een hogeresolutie kleurenkopie. Eén keer wordt de choreografie onderbroken door een tekst over de Senguceremonie, waarbij een tempel in het Japanse Jingu elke 20 jaar wordt ontmanteld en precies op dezelfde manier heropgebouwd. Met de verwijzing naar de Senguceremonie borduurt De Warme Winkel verder op de reeks metaforen die in het eerste deel van de voorstelling worden gebruikt om te reflecteren over de praktijk van het gezelschap en die vragen oproepen over herhaling en vernieuwing, over welke verschillende dimensies zich tussen deze twee begrippen in bevinden, en welke rollen inspiratie en plagiaat daarbij spelen. Zo wordt in het eerste uur ook het schip van Theseus genoemd, het bouwsel waarvan men zich afvraagt of het nog wel hetzelfde schip is eens alle planken ervan werden vervangen.

De boodschap is duidelijk: welke manieren verzinnen mensen om de dingen te bewaren die ze eren? Hier wordt de vraag verdubbeld. De Warme Winkel voert niet alleen het werk van een iconisch kunstenaar op, maar vraagt zich tegelijk af hoe de toekomst het eigen werk zou herinneren en wie weet zelfs heropvoeren. De toekomst speelt dus het heden, en het heden het verleden. Alle lof voor de precisie waarmee de zes Café Müller naspelen en de kundigheid waarmee de drie stagiaires de stijl van de ‘oudjes’ kopiëren. Maar heeft De Warme Winkel, als zelfverklaarde ‘lintworm die het jatten naar een hoger niveau wil tillen’, met al deze manoeuvres nu zelf een ‘magnum opus’ gemaakt? Hadden we eigenlijk over een magnum opus gesproken als zij dat niet eerst zelf hadden gedaan?

Want in dat geval is het interessant om naast de kopie ook de kopieermachine te bespreken. Als we even uitzoomen, loskomen van deze ene voorstelling en kijken naar hoe het gezelschap over zichzelf communiceert in interviews en aankondigingsteksten, zien we hoe het zich bewust of onbewust in een bepaalde niche nestelt. Dat doen alle gezelschappen, ja, maar dit gezelschap doet het wel op een bijzondere manier. De Warme Winkel spréékt De Warme Winkel. Waarmee ik – misschien niet in volkomen correct Nederlands – wil zeggen dat het gezelschap het eigen ‘authentieke’ universum niet alleen ‘spelend’ maar ook ‘sprekend’ schept.

Bij De Warme Winkel zijn we best wel gêneloze jatkousen. Maar wees gerust: (…) we zullen wel degelijk zelf iets nieuws te vertellen hebben.’ (…) Diep vanbinnen blijven we buitenstaanders, hoor. Van nature hebben we een zeker wantrouwen tegenover de elite, maar we bewonderen de groten der aarde ook.

Jezelf een ‘lintworm’ of ‘buitenstaander’ noemen betekent dat je geen natuurlijke aanwezigheid bent in de context waarin je je begeeft.

Met De Warme Winkel speelt De Warme Winkel willen we (…) ons resoluut meten met de canon van het theater (sic). Dan is het maar vanzelfsprekend dat we in zo’n pantheon als de Singel spelen, waar wekelijks grote theatericonen over de vloer komen.

Is het wel zo vanzelfsprekend om in deSingel te spelen als je een echte lintworm bent? Is dat privilege niet voorbehouden aan een bepaalde groep, een elite zeg maar? Dan ben je namelijk geen lintworm maar het lichaam zelf. Diezelfde elite dus, die De Warme Winkel beweert te wantrouwen. De grens tussen het zich onderscheiden van en conformeren lijkt hier erg dun. Deze tactiek noemen we ‘cultuur als accent’. Eigenlijk conformeer je je grotendeels sowieso. Conformiteit is nodig om aanvaard te worden binnen een bepaalde niche, subcultuur of micro-context. Tegelijk willen we ons toch graag onderscheiden van onze gelijken. Het is de keuze voor bepaalde details die je zogezegd ‘uniek’ en ‘authentiek’ maakt. Een schoen is een schoen is een schoen, maar je kiest altijd een specifiek paar.

Ook uit De Warme Winkel speelt De Warme Winkel spreekt conformeringsdwang. Dat is oké. Pijnlijk is echter de vanzelfsprekendheid waarmee over ‘de’ canon wordt gesproken in een voorstelling die ons juist over dat begrip zou moeten doen nadenken. Het passeert onbevraagd, onbekritiseerd en in enkelvoud. Alsof elke toeschouwer automatisch weet welke kunstenaarsoeuvres en kunstwerken daartoe behoren. Alsof iedereen het daarover eens is.

De term ‘canon’ behelst een totaliteit van kunstwerken die aanvaard zijn als de belangrijkste en invloedrijkste voor onze blik op de wereld. ‘De’ canon laat zien wat de gevestigde waarden zijn, definieert wat nagestreefd moet worden, wat van de hoogste kwaliteit is, en – even belangrijk – wat niet. Het probleem is dat de canon een begrip is dat steeds anders wordt ingevuld door een establishment dat niet alleen machtig is, maar vaak zowel etnisch als cultureel homogeen: het zijn ‘onze’ artiesten, programmatoren, journalisten, curatoren, recensenten, commissieleden en publiek. Het is door retoriek zoals die van De Warme Winkel en door elk gebrek aan kritische kadering van onze bemiddelaars (programmatoren, recensenten, journalisten en curatoren) dat één bepaalde, enkelvoudige invulling van de canon zichzelf in stand houdt. Wat op zich geen probleem is, ware het niet dat tijden en plaatsen veranderen en deze eurocentrische ideologie per definitie de neiging heeft om vormen uit te sluiten die niet herkenbaar genoeg zijn binnen die subjectieve normen.

Daarnaast: Pina Bausch wordt nu misschien wel als deel van de canon bestempeld, maar haar dans week in haar tijd helemaal af van wat toen gangbaar was in Duitsland. Wat haar zo groot heeft gemaakt was niet dat ze erbij wilde horen – het was juist dat ze wars van de heersende norm een eigen taal ontwikkelde. Als Bausch de Senguceremonie had geleid, dan had ze de tempel afgebroken en waarschijnlijk volledig anders in elkaar gezet. Wanneer je dit in je achterhoofd hebt, krijgt de referentie naar haar werk een dubbel zo wrange nasmaak.

Referenties naar grote kunstwerken hebben een nobele waarde. Het is belangrijk om die te kennen, ervan te drinken als het ware. Maar laten we, als we Castellucci en Bausch weer bovenhalen, niet vergeten dat Castellucci en Bausch ook ooit jong waren. Laten we eigenlijk veel meer dan Bausch en Castellucci bovenhalen, ook datgene wat zich minder goed laat vatten binnen een eurocentrisch normenkader. En laten we onthouden dat zij zelf geen papegaaien waren maar denkende mensen. Dat ze in hun tijd ergens voor stonden. En dat als ze dan opnieuw opgevoerd worden, het niet volstaat om vorm zonder inhoud in het heden te zetten en dan iets ‘nieuws’ te beloven.

Carolina Maciel de França

PS: Ook in deze recensie werd lustig geplagieerd, of zochten we de dunne grens op tussen inspiratie en plagiaat:

–   nagenoeg de hele eerste alinea en een losse zin hier en daar komen uit Het Journaal van 2013: https://youtu.be/jQh_EARHm9Y

–   Herbert Marcuse’s theorie rond ‘culture as accent’ wordt vermeld in een paper van Jan Blommaert en Piia Varis rond consumptiekapitalisme, ‘enoughness’ en hedendaagse identititeit: https://www.tilburguniversity.edu/upload/5c7b6e63-e661-4147-a1e9-ca881ca41664_TPCS_139_Blommaert-Varis.pdf

–   De theorie rond de canon stalen we uit een essay van Joachim Ben Yakoub en Fabian Barba, dat in Etcetera verscheen: http://www.e-tcetera.be/reframing-vocabulary-performing-arts-flanders

–   De opmerking over de denkende mens en de papegaai van andermans gedachten komt uit The American Scholar, de revolutionaire speech die Ralph Waldo Emerson gaf aan eerstejaars Cambridgestudenten in 1837. Hij werd nadien nooit meer uitgenodigd: http://www.emersoncentral.com/amscholar.htm

–   De quotes die dienen om de communicatie van De Warme Winkel te illustreren, komen uit promoteksten van het gezelschap en uit het interview dat Filip Tielens met de spelers had, daags voor de première in deSingel: http://www.standaard.be/cnt/dmf20161012_02516150

–   En natuurlijk is er ook alles dat ik mijn leven heb gelezen en gezien en dat mijn denken heeft beïnvloed, maar misschien niet tot andermans persoonlijke canon behoort. Hiertoe reken ik ook andere recensies…

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

Carolina Maciel de França