Our Times, Michiel Vandevelde © Clara Hermans

De theorietekst als protagonist

Speculatieve experimenten in de hedendaagse (podium)kunst

Omgaan met onze onbegrijpelijke werkelijkheid door ze op een speculatieve manier te benaderen: dat is de essentie van het speculatief realisme, dat zowel kunstenaars als theoretici aantrekt. Theatermakers brengen bestaande theorieteksten in een experimentele setting, terwijl speculatieve filosofen hun ideeën presenteren in sciencefictionscenario’s of genres als theory-fiction. Daarbij is het voortdurend zoeken naar een goede balans: als de speculatie te ver wordt gedreven, verliest zij haar productieve kracht.

In onze op informatiesamenleving gebaseerde maatschappij zoeken ook theatermakers naar nieuwe manieren van kennisontwikkeling. Kunnen zij de veelal gekwantificeerde en geformatteerde beperktheid van de hedendaagse academie overstijgen? In de jaren 1990 liet de educational turn al een fascinatie zien van de kunstwereld met kennisproductie en met alternatieve onderwijsstructuren. Vandaag de dag zijn lecture-performances een bekend fenomeen en speelt theorie vaak een belangrijke rol in artistieke contexten. Maar nu valt nog iets anders op: makers zoeken niet langer alleen naar inspiratie of verantwoording voor hun werk, maar schuiven bestaande theorieteksten als protagonisten naar voren, om deze vervolgens via performatieve manipulaties verder te ontwikkelen in (nog) onvoorspelbare richtingen.

Deze benadering van theorieteksten is zowel een uiting van als een bijdrage aan een hedendaagse speculatieve beweging, het Speculative Realism. Die stroming wendt zich af van de deconstructivistische en postmoderne kritiek en richt zich op nieuwe grote verhalen, waarbij fictie en werkelijkheid niet langer gescheiden door het leven gaan. Gevat en uitgewerkt in een filosofische theorie maakt het speculatief realisme duidelijk dat we alleen met onze onbegrijpelijke werkelijkheid kunnen omgaan door deze op een speculatieve manier te benaderen – een speculatie die geworteld is in het menselijke kennisapparaat.

Dit heeft twee tegengestelde, maar overeenkomstige bewegingen tot gevolg: enerzijds nodigen kunstenaars (niet per se inhoudelijk aan het speculatief realisme verbonden) theorieteksten als actoren uit op het podium, terwijl anderzijds ‘speculatieve theoretici’ zich meer en meer buiten de muren van de academie begeven. Zij zien hun artistieke experimenten niet als zijproject, maar als essentieel onderdeel van het wetenschappelijke onderzoek. Het speculatieve aspect van deze kruisbestuivingen zit in de gemeenschappelijke poging het onbekende te injecteren in ons denkvermogen, en dit beetje bij beetje uit te rekken zodat ook contingentie – een sleutelterm binnen het speculatief realisme, waarmee de onvoorspelbare natuur van de werkelijkheid wordt aangeduid – hierbinnen een plek kan krijgen.

Het theater blijkt een aantrekkelijke context voor het testen van verschillende kennis-(mind)settings, maar dit roept ook kritische vragen op: kunnen performatieve en artistieke ingrepen theorieteksten verrijken? En: op welk punt neemt de speculatieve manipulatie zodanig de overhand dat van kennisontwikkeling eigenlijk geen sprake meer is?

Van ‘wat is’ naar ‘wat kan zijn’

Het precieze begin van de speculatieve beweging is moeilijk te traceren, maar de samenkomst van Ray Brassier, Quentin Meillassoux, Graham Harman en Ian Hamilton Grant op het Goldsmiths College (Universiteit van Londen) in 2007 was een belangrijk moment. Hoewel de vier denkers op veel punten van mening verschillen, deelden zij één overtuiging die kenmerkend werd voor het speculatief realisme: het moet afgelopen zijn met de verlichte, correlationistische opvatting dat de wereld alleen de betekenis heeft die de mens haar geeft. Ook datgene wat we niet (kunnen) zien, kennen of weten, ‘bestaat’ – een ontologisch standpunt dat onlosmakelijk verbonden is met de hedendaagse technologische, klimatologische en financiële complexiteit die ons huidige voorstellingsvermogen lijkt te overstijgen. We kunnen hier alleen door middel van speculatie mee leren omgaan.

“De grenzen van de rede moeten niet alleen in kaart worden gebracht, maar tegelijkertijd keer op keer worden verlegd.”

Het speculatief realisme is een rationeel project: door wat zich buiten de menselijke waarneming afspeelt ook als ‘werkelijk’ te aanvaarden, wordt het mogelijk het imaginaire een plek te bieden binnen ons kennisapparaat. Filosoof Reza Negarestani zet zich dan ook af tegen voorstellen die het humanistische, rationele project achter zich willen laten – zoals post-, trans- en non-humanistische overtuigingen doen – en stelt daarentegen een inhumanisme voor. Geen ontkenning, maar een toewijding aan het humanisme en aan rationaliteit als zijnde een continue (re)constructie en herziening van wat het (op dit moment) betekent om mens te zijn11E-flux journal #52 – february 2014 Reza Negarestani – ‘The Labor of the Inhuman, Part 1: Human & Part 2: Inhuman’.. Alleen vanuit een analyse en erkenning van ‘wat is’, kan worden toegewerkt naar ‘wat kan zijn’. Speculatieve kennisontwikkeling is dus altijd zowel een ‘denken over’ als een performatieve beweging die het (nog) ongekende aftast en omarmt. De grenzen van de rede moeten niet alleen in kaart worden gebracht, maar tegelijkertijd keer op keer worden verlegd.

De speculatieve academie

In lijn met deze inhoudelijke speerpunten van het speculatief realisme is het dan ook niet zo gek dat veel van zijn (be)denkers geïnteresseerd zijn in (science-)fiction en zich buiten de academische context begeven. Zo is het Speculative Realism voor een aanzienlijk gedeelte ontstaan en ontwikkeld op niet-academische platforms, zoals het para-academische tijdschrift Collapse of blogs als Speculative Heresy, Accursed Share, Planomenology en NaughtThought22Sommige blogs zijn niet langer beschikbaar.. Dit gebruik van dergelijke (digitale) methodologie kan op zich al worden gezien als een vorm van experimentele filosofie. Het is voor veel van de denkers belangrijk om in hun uitingen het descriptieve te overstijgen en niet alleen over speculatie te schrijven maar de tekst zelf al een poging tot speculatie te laten zijn. Waar voor postmoderne en deconstructivistische theorieën de ‘in zichzelf gekeerde’ academische vorm goed aansloot bij de beschreven discourskritieken, stelt de speculatieve beweging een constructief denken voor dat het voorstellingsvermogen oprekt met fantasierijke en ambitieuze proposities. Om trouw te blijven aan hun inhoudelijke uitgangspunten voelen veel speculatieve filosofen zich daarom genoodzaakt experimentele vormen van kennisproductie te omarmen als fundamenteel onderdeel van hun theoretische onderzoek.

“Een speculatief kunstwerk moet ook geen representatie van contingentie (willen) zijn, maar een setting creëren waarin deze in haar wetmatigheid wordt blootgelegd en uitgeoefend.”

‘Theory-fiction is the simulating engine of philosophy’, stelt Reza Negarestani, die in het genre van de filosofische horror-sciencefiction Cyclonopedia (2008) schreef. Die publicatie vind je in de boekenwinkel dus niet bij de fictie, maar op de filosofieafdeling. Daarnaast verscheen van ‘speculative designer’ en theoreticus Benjamin H. Bratton het experimentele theory-fictionwerk Dispute Plan to Prevent Future Luxury Constitution (2015). Graham Harman plaatst op zijn blog sciencefictionscenario’s waarin hijzelf en andere speculatief-realisten met elkaar vechten over ‘de toekomst van de filosofie’.

Ook muzikale samenwerkingen vallen op. Zo begeeft Ray Brassier zich in de noise-scene en dacht Meillassoux mee met Florian Hecker over diens compositie Speculative Solutions. In een uitgeschreven conversatie tussen de filosoof en de muzikant33Speculative Solutions: Quentin Meillassoux and Florian Hecker talk Hyperchaos, 22 juli 2010, https://www. urbanomic.com/document/speculative- solution-meillassoux-hecker/. argumenteert Meillassoux dat we de contingente natuur van de wereld, die hij ‘hyperchaos’ noemt, alleen kunnen benaderen door een ‘toolbox’ te creëren die voortdurende verandering voelbaar maakt. In plaats van een muziekstuk te maken dat ‘merely a sonification of the idea (van hyperchaos, red.)’ is44Ibid., stelt Hecker dan ook voor om een dialoog te laten ontstaan tussen zijn experimentele compositie, de cd-box en het bijgevoegde boekje met fragmenten uit het werk van Meillassoux. Hij laat deze drie elementen continu naar elkaar doorverwijzen. Hyperchaos is geen uitzondering, maar de regel. Het is geen genre, stijl of staat, maar een ervaring. Een speculatief kunstwerk moet dan ook geen representatie van contingentie (willen) zijn, maar een setting creëren waarin deze in haar wetmatigheid wordt blootgelegd en uitgeoefend.

Een aantal jaar geleden maakte filosoof Armen Avanessian met kunstenaar Andreas Töpfer het boek Speculative Drawings (2014) waarin de tekeningen geen weergave van of illustratie bij de theorie zijn, maar hieraan voorafgaan en worden ingezet als setting voor nieuwe manieren van lezen en denken. De vraag die centraal staat, is hoe je kunt denken met kunst in plaats van over kunst. Dit ontwikkelde Avanessian verder in zijn project DISCREET tijdens de afgelopen Berlijn Biënnale 2016, met als thema ‘the present in drag’. In plaats van een esthetische weergave te maken, richtte Avanessian in de Akademie der Künste een Intelligence Agency for the People op. Daarin kwamen drie weken lang data-analisten, theoretici en hackers samen om na te denken over nieuwe codes en strategieën. Hij bracht geen in het heden gewortelde descriptie van wat voor ons ligt, maar een constructieve deelname aan de vormgeving hiervan. Geen kennisoverdracht, maar performatieve kennisproductie.

Op 18 april jongstleden nodigde ik, samen met Wouter De Raeve en Alice Haddad, vanuit het onderzoeksproject Perhaps it is HighTime for a Xeno-architecture to Match Armen Avanessian uit om samen met architect Markus Miessen in het Kaaitheater het neologisme ‘xeno-architecture’ uit te werken. Ze besloten geen lezing te geven, maar verschillende geur-, video- en performancekunstenaars uit te nodigen om het concept live te ‘testen’. Vanuit een verlangen naar het onverwachte lieten Avanessian en Miessen de artiesten geheel vrij in hun benadering van wat xeno-architectuur zou kunnen zijn. Waar een aantal van de bovenstaande voorbeelden zich nog in zekere mate verhouden tot (bestaande) theorieteksten, werd deze relatie in de black box van het Kaaitheater losgelaten. De desoriënterende uitkomst wierp een belangrijke kritische vraag op: kun je nog wel van kennisproductie spreken wanneer kennis het toneel verlaat, en de artistieke ingreep de overhand krijgt op de theorie die hij verder beoogt te ontwikkelen?

Performatieve theorie-manipulatie

Zoals hierboven beschreven, bestaat het speculatieve project uit zowel een rationele analyse van ‘wat is’ als een imaginaire voorstelling en aftasting van ‘wat kan zijn’. Waar de verhouding tussen het kenbare en onbekende door academici als Meillassoux, Negarestani en Avanessian wordt geproblematiseerd aan de hand van artistieke onderzoeksmethoden, uit de speculatieve beweging zich in het theater door bestaande (en dus niet per se SR-gerelateerde) theorieteksten in experimentele settings te plaatsen en deze van binnenuit performatief uit te dagen om zo onze (opvatting van) kennis uit te breiden.

“Wat is de balans tussen ‘te veilig’ en ‘te veel’? De speculatieve experimenten van Vandevelde, Rosefeldt, Fritz, Andersen en Aleppo geven een waardevolle aanzet om hier verder over na te denken.”

Het werk van choreograaf Michiel Vandevelde is in deze context een goed voorbeeld. Zijn vierluik, waarvan de eerste drie voorstellingen reeds zijn getoond, is een zoektocht naar nieuwe theatrale vormen voor theoretische (filosofie) teksten. In Love Songs (veldeke) worden vijfentwintig politiek-filosofische teksten gezongen door negen jongeren. In Antithesis:The Future of the Image verbindt hij theorie aan door hem gekannibaliseerde, populaire muziekfragmenten en bijbehorende dansbewegingen. Vanuit een nieuwsgierigheid naar ‘de toekomst van het beeld’ tast Vandevelde de mogelijkheden af van reproductie en re-appropriation terwijl teksten over dit onderwerp (onder andere The Future of the Image van eigen hand en HAPPIDROME: Part One van Adam Curtis) op de achtergrond worden geprojecteerd. Samen, maar in stilte leest het publiek de tekstfragmenten, die meer dan achtergrondinformatie een bril zijn om de performance te lezen. Als het originele, ‘onschuldige’ beeld door technologische manipulaties niet meer bestaat, wat betekent dit dan voor tekst, theorie en, sterker nog, voor ons denken?

In Our Times, zijn derde voorstelling, gaat Vandevelde hier verder op in. Wederom spelen bestaande teksten (Wat doet ons denken?, een briefwisseling tussen filosoof Jean-Luc Nancy en curator Daniel Tyradellis) een grote rol. Dit keer worden ze in een op de film Spring Breakers geïnspireerde setting nagezongen op hiphop- en popmelodieën, terwijl zakken chips en snoeprepen met honkbalknuppels de zaal worden ingemept. Hoe beïnvloeden filosofie en popcultuur elkaar en (op welke manier) kunnen we hedendaagse nihilistische vluchtigheid inzetten voor nieuwe manieren van kennisontwikkeling? Plaatsen de herkenbare tonen van Britney Spears’ Everywhere Nietzsche, Heidegger of Plato in een nieuw, aantrekkelijker daglicht? Our Times roept belangrijke vragen op, maar blijft vaag in zijn suggesties. De soms bijna ridicule tekstmanipulatie is hier sterker aanwezig dan in Antithesis en het is vaak moeilijk om de inhoud nog goed te begrijpen.

Het samenbrengen, verweven en manipuleren van bestaande teksten zien we ook terug in de gevierde video-installatie Manifesto van regisseur Julian Rosefeldt, momenteel onder meer te zien op het Athens and Epidaurus Festival. In een enorme, verduisterde zaal zijn op dertien verschillende grote schermen simultaan verschillende fragmenten van kunsthistorische manifesten te zien, door actrice Cate Blanchett vertolkt in verschillende hedendaagse situaties. Zo spreekt ze als nieuwslezeres over conceptuele kunst en onderwijst ze Dogma 95 aan 10-jarige kinderen, waarna ze op het schoolbord Jean-Luc Godard citeert: ‘It doesn’t matter where you take it from, but where you take it to.’ Door steeds voor een andere video plaats te nemen kun je zowel de aparte films bekijken als het gevoel hebben door een collage-installatie te wandelen. Het hoogtepunt is de ontmoeting van de verschillende schermen, waarbij alle karakters van Blanchett tegelijk de zaal inkijken en synchroon op luide en steriele toon sleutelparagrafen uit hun manifesten voordragen. Hoewel de teksten inhoudelijk niet zijn gelieerd aan het speculatief realisme, maakt deze immersieve samenkomst de stuwkracht van de manifesto’s en de constructieve werking van (hun) speculaties voelbaar.

Waar het bij samen-in-stilte lezen (Antithesis) of luisteren (Manifesto, Love Songs en Our Times) natuurlijk ook om een participatieve aangelegenheid gaat, zetten collectieve leesclubs nog een stap verder door in performatieve context samen teksten hardop uit te spreken.
Zo organiseerde Aleppo, een Brussels laboratorium voor experimenten op het vlak van performance en politiek, vorige zomer als onderdeel van het openbare-ruimte-festival Parckfarm een over twee avonden gespreide lezing van het Xenofeminist Manifesto (een feministische ‘toepassing’ van het speculatief realisme) in het Dudenpark. Tijdens Poppositions 2017 werden in het oude, koloniale ING-gebouw theorieteksten gelezen over white privilege. Ondanks de verschillende settings (technofeministische proposities in de natuur, het schuldgevoel van de koloniale omgeving) en kleine performatieve ingrepen (op vlak van leesritmes en -tempo’s en een soort luisteroefening in nederigheid) blijven deze leesclubs dicht bij een traditioneel academische seminarievorm waarin het begrijpelijk maken centraal staat.

Kunstenaar Henry Andersen en choreograaf Bryana Fritz zetten met hun, wat zij noemen ‘semi-fictional’ Slow Reading Club (SRC) een stap verder richting ‘wat kan zijn’. Met de deelnemers behandelen Andersen en Fritz verschillende teksten in steeds wisselende choreografische en ruimtelijke contexten vanuit de vraag hoe deze het collectieve en individuele lezen beïnvloeden. In plaats van de teksten te deconstrueren wordt kritiek opgeschort, waardoor in een intieme relatie tussen lezer en tekst iets ongekends tot stand kan komen. De protocollen die Fritz en Andersen zorgvuldig opzetten, hebben tot doel het menselijk lichaam in een ongewone verhouding tot het lichaam van de tekst te plaatsen. Gezamenlijk wordt bijvoorbeeld het gedicht Hammer/Tulip van Cody-Rose Clevidence gelezen, waarbij de leesgroep als collectief lichaam aangeeft hoelang de stiltes tussen elk woord zijn. Ook schenken Fritz en Andersen een thee die tong en geest wat verdooft, waarna in tweetallen The Atrocity Exhibition van toonaangevend speculatief denker en schrijver J.G. Ballard wordt ‘geërotiseerd’. ‘Probeer de noodzakelijkheid van elke aanraking en elke uitspraak te voelen’, luidt de opdracht. Dit is gemakkelijker gezegd dan gedaan: het licht bedwelmende middel en de fysieke verbondenheid tijdens het lezen creëren een intieme sfeer die vaker afleidt dan daadwerkelijk verdiept.

speculatie versus Speculatie

Bovenstaande voorbeelden zijn geen artistieke representaties van het Speculative Realism maar bewuste of onbewuste pogingen om het menselijke begripsapparaat via speculatie te vergroten. ‘In plaats van ofwel kennis-overdracht ofwel kennis-productie denk ik liever aan kennis-totstandkoming’, zegt Bryana Fritz wanneer ik haar vraag naar de producerende krachten van samen lezen. Een mooie nuance die de hierboven aangehaalde voorbeelden en bewegingen eer aandoet: door afstand te nemen van de illusie controle te hebben over kennis of tekst, deze juist los te laten in een ontmoeting met lezers, luisteraars, andere objecten en vooral met elkaar, wordt niet geprobeerd het onbegrijpelijke begrijpelijk te maken, maar juist om het rationele voorstellingsvermogen te vergroten zodat ook het onbegrijpelijke hierin kan bestaan. In Our Times en de Slow Reading Club worden de theorieën echter zodanig gemanipuleerd en vrijgelaten dat het moeilijk blijkt deze inhoudelijk nog goed te volgen. Hebben we hier te maken met een onbegrijpelijkheid die het kenvermogen (op de lange termijn) uitrekt, of een onbegrijpelijkheid die haar functie is verloren? De speculatieve beweging ontstond vanuit een ongenoegen met deconstructieve en postmoderne Kritiek (hoofdletter); om na te denken over nieuwe richtingen is kritiek (kleine k) noodzakelijk, maar het dient geen doel op zich te worden. Eenzelfde gevaar schuilt in een fetisjering van speculatie, waarbij de verbeelding zich, zoals Negarestani waarschuwt, niet meer binnen de veranderlijke grenzen van de rede bevindt, maar hierbuiten de vrije loop krijgt. ‘Wat kan zijn’ wordt nonsens wanneer de banden met ‘wat is’ worden doorbroken. Hoe groot kan de letter S van speculatie groeien voordat zij haar productieve kracht verliest? Wat is de balans tussen ‘te veilig’ en ‘te veel’?
De speculatieve experimenten van Vandevelde, Rosefeldt, Fritz, Andersen en Aleppo geven een waardevolle aanzet om hier verder over na te denken.

In lijn met een volwaardige interpretatie van ‘contingentie’ is het nieuwe of onbekende niet per definitie een volledige verbastering van het origineel. De contingentie van het bestaan, de voortdurende mogelijkheid van volledige en onbegrijpelijke verandering, zit hem juist in het feit dat we niet kunnen voorspellen hoe de wereld er morgen uitziet en dus ook niet of die überhaupt wel verschilt van de wereld van vandaag. Geforceerde wanorde is slechts een andere, zij het onverwachte of overdreven, vorm van orde. Een overdreven creatie van chaos, crisis en snelheid gaat voorbij aan de ware aard van contingentie, waarin ook niet-verandering als onmisbare optie dient te worden erkend. Deze opvatting van contingentie werpt wellicht een nieuw licht op de idee van het speculatieve experiment: ‘The difficulty is’, zegt Meillassoux tegen Hecker, ‘to break with this lawful randomness in a way that is other than random and show that controlled narratives can still be constructed in a world without substance’.55Ibid.

De grote uitdaging voor kennis-totstandkoming en ontwikkeling van een nieuw speculatief kennisapparaat zit dus misschien niet zozeer in het performatief onbegrijpelijk maken van wat academisch begrijpelijk is, maar in het testen van vervreemdende settings en manipulaties, waarin op experimentele wijze wordt afgetast hoe het is om werkelijke contingentie te leren.

essay
Leestijd 10 — 13 minuten

Lietje Bauwens

Lietje Bauwens studeerde filosofie in Amsterdam en woont nu in Brussel waar ze werkt als schrijver en programmamaker aan onder andere Perhaps it is High Time for a Xeno-architecture to Match. Daarnaast is ze als redacteur verbonden aan het kunstmagazine Mister Motley.