What Nature Says

De klankperformances van Myriam Van Imschoot

Het verlangen om de (af)scheiding te overspannen

Midden februari ging What Nature Says in première op het Burning Ice Festival in het Brusselse Kaaitheater. Vijf performers bootsen kettingzagen, sirenes, water en vogels na met enkel mond, lijf en micro. Zoals de Foley artists, maar dan zonder objecten, technologische snufjes of sound effects. Een gesprek met de artiest die van joelen een kunst maakte.

In een vorig leven was de Brusselse geluidskunstenaar danscriticus voor De Morgen, wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Culturele Studies (KU Leuven) en dramaturg bij onder andere Meg Stuart en Philipp Gehmacher. Ze richtte Sarma op, werkplaats voor kritiek, onderzoek, dramaturgie en creatie, en ontwikkelde daarbinnen Oral Site, een open source development platform voor orale en experimentele publicatieformats. Sinds 2007 spitst ze zich toe op installaties, performances, video’s en sound poetry.

Of het klopt dat ze niet naar het nieuws kijkt of kranten leest, steek ik van wal – omdat het zo’n tegendraads gegeven is. ‘Een autistisch trekje,’ geeft Van Imschoot toe. ‘Ik kan moeilijk vluchtig en selectief lezen, dus lees ik een krant van de eerste tot de laatste pagina. Kranten zijn te veel opgeschoven richting magazines, met onevenredig veel aandacht voor televisie en lifestyle, ook op de culturele pagina’s . Dat zeg ik niet vanuit een elitair standpunt; ik vind het vreemd dat er als richtlijn een soort wereld wordt voorgehouden waarvan ik denk dat hij niet eens representatief is voor de zogenaamde ‘modale lezer’. Ik blijf steeds haperen tijdens het lezen, zit constant de machinaties en manipulaties te achterhalen. Behoorlijk arbeidsintensief!’ Politiek interesseert Van Imschoot wel. Ze leest boeken over politieke filosofie en geschiedenis. En als vrienden bellen is haar openingszin: ‘Wat gebeurt er in de wereld?’ ‘Mensen weten wat er vijf minuten geleden is gebeurd, maar niet wat er vijftig jaar terug aan de hand was. Dat ze alles nu direct weten zorgt voor een valse geruststelling.’

Van Imschoots performances vertrekken van een ongewone insteek. Ze gaan over wuiven, jodelen en vals zingen, maken gebruik van oude bandopnames of interviews, focussen op menselijke, dierlijke of machinale geluiden. Hoe begint ze eraan? ‘Ken je de film Stalker van Tarkovski? Het hoofdpersonage baant zich een pad door een steen telkens voor zich uit te gooien, ernaartoe te lopen en hem van daar opnieuw in het ongewisse te werpen. Mijn verlangens zijn als stenen die ik voor me uitgooi; ik verbind me ertoe ze achterna te gaan. Het is doelgericht en toch grillig, want het pad ontstaat pas na de worp, afhankelijk van de plek waar de steen toevallig landde.’

Efemeriden (2013) vertrok van zo’n steenworp: ‘Het idee was dat ik de versplinterde, maar specifieke woongemeenschap van de Brusilia-woontoren in Schaarbeek zou mobiliseren voor een gebaar richting de stad. Ik wou een vibrerend beeld maken.’ Ze besloot haar buren te filmen tijdens een door haar georkestreerde wuifperformance op de balkons. Zo’n veertig mensen verschijnen als minuscule insecten tegen een panorama van beton met een wolkenkrans eromheen. Ze wuiven lang, tot ze nagenoeg geheel oplossen in de vreemdheid van dat uitgerekte gebaar. Ook LIFT (2013), haar eerste kortfilm, vertrekt van die woontoren waarin ze zelf huist. Etage na etage filmt ze de balkons waar privéruimte en buitenwereld samenkomen. ‘Het is één lange camerabeweging die de façade van het gebouw scant, maar ook de wereld eromheen oproept via het stedelijke gedruis. Naarmate we hoger klimmen, klinkt de stad ijler en onwezenlijker.’

Joelen

Voor de solo Living Archive (2011) vertrok ze van oude muziekcassettes, opnames van interviews en ingesproken brieven die haar vader opstuurde – een verbindingsofficier bij de marine. ‘De oudste opname van m’n eigen stem is een magnetische band waarop ik de oren van m’n nonkels kop zeur om te jodelen. Het is mijn technologische geboortekreet: als een hyena boots ik de stembuitelingen van het jodelen na. Net wanneer mijn oom uiteindelijk een Tiroler-lied aanheft, loopt de band af. Die ontdekking bleef me intrigeren, want ik herinnerde me daar uiteraard niets meer van. Het is merkwaardig hoe snel je eigenlijk een vreemde wordt tegenover jezelf. Met schrijven heb ik dat ook: ik herken me in geen enkele van mijn vroegere teksten. Dat geeft niet, ik ben volledig opgeschoven naar het orale, en dat is hoe dan ook vluchtig.’

Van Imschoot beluisterde maandenlang alle materiaal, sloot zich op in de repetitieruimte, danste urenlang op de tapes en zong mee: ‘Ik dreef het hele archief door mijn lijf.’ Onderhuids speelde een persoonlijke zoektocht mee. ‘Ik stelde me op als een detective, verwikkeld in een soort private investigation. Je zit daar met al die schoendozen vol banden en delft de brokstukken op van een onsamenhangend verleden. Er is een crime scene, maar je weet nog niet wat de misdaad is.’ Het familiearchief benaderd als een orakel: ‘Wat wordt er verteld tussen de lijnen, welke opdrachten ontwaar ik? Bedoeling was om bij de materialiteit van het gehoorde te blijven: luisteren naar het stotteren en haperen, het timbre, naar de snelheid en verhevigingen…’

De jodelopname kwam uiteindelijk niet in de voorstelling, maar intussen kán ze het wel. In haar Berlijnse lerares Doreen Kutzke, aka de jodelqueen van Kreuzberg, vond ze een muzikale partner. Ze voeren samen twee door Van Imschoot gecomponeerde jodelduetten op: Hola Hu (2013) en Kucku (2014), waarbij ze unisono zingen als kwamen hun stemmen uit één keelgat. ‘Jodelen is een zondige vreugde. Tijdens mijn kinderjaren in de jaren 1970 raakte de Tiroler-folklore bezoedeld. In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog hoorde het bij het moffengebroed. In mijn composities ga ik wars van die besmetting puur vocaal om met de zangtechniek. Een bekende jodelfrase wordt tot tien keer toe herhaald met almaar meer glitches, weglatingen en inkervingen, tot de stilte het overneemt. In de hiaten zindert het lied na, en al die connotaties die je – ondanks dat rigoureuze uitbenen – niet kunt bedwingen.’

Dezelfde behandeling van klank, als materie waarin culturele resten zinderen, hanteert Van Imschoot voor YOUYOUYOU (2014). In die performance werkt ze met de zaghareet of de youyou, een Arabische vreugdekreet die je op huwelijken hoort. Op uitnodiging van Moves Without Borders realiseerde ze het project met acht lokale performers in Jaffa, op een boogscheut van Tel Aviv, waar een grote Arabische gemeenschap leeft. In december vorig jaar, bij de Brusselse versie met twaalf vrouwen, barstte in het Beursschouwburgcafé een geëxalteerde vreugde los. Als een plotse wervelwind kwamen de performers uit alle richtingen tegelijk naar het midden van de ruimte.

Nijlpaarden en eendagsvliegjes

Kettingzagen, meeuwen, nijlpaarden, eendagsvliegjes, kabbelende beekjes: in de nieuwste creatie van Van Imschoot werkten de artiesten van What Nature Says (2015) soms een hele dag om één minuut geluid goed te kunnen nabootsen. De vijf performers (Mat Pogo, Anne Laure Pigache, Jakob Ampe, Jean-Baptiste Veyret Logerias, Caroline Daish) komen uit noise underground scenes, bruitisme, koorpraktijkenen popmuziek. Zoals een schilder zo scherp mogelijk kijkt naar de wereld, zo luisterden Van Imschoot en haar geluidmakers zo accuraat mogelijk. Niet alleen de virtuositeit telt, zegt Van Imschoot, ook het engagement bij zo’n onmogelijke opdracht. Zelf leert ze telkens opnieuw de stemtechnieken van haar performances aan. ‘Ik vind het belangrijk om me lichamelijk in te schakelen. Ik ben geen antropoloog die erbuiten staat. Kunst is voor mij een andere vorm geven aan overdracht en overlevering, je midden in the line of transmission plaatsen.’

‘In een eerste fase van het creatieproces gingen we aan de slag met tutorials op YouTube. We lachten ons vaak een bult. Kinderen, jongeren, volwassenen, beatboxers, stemimitators of gewoon mensen die trots zijn op een partytrick, leggen hun trucjes uit voor de webcam. Hoe klink je als krekel, helikopter, straaljager? Het heeft iets sulligs om zo stapsgewijs je kunstgrepen te etaleren, maar het is ook herkenbaar. We kunnen zo trots zijn wanneer we ons onderscheiden door een kunstje. Zijn kunstenaars zoveel beter? Ik denk het niet. Natuurlijk gaat het mij niet om het effect op zich, maar om een kinderlijk plezier dat tot een complexer verhaal uitgroeit, waarbij de noties rond natuur mee op de helling komen te staan.’

De voorstelling vindt plaats in twee zalen, zodat het publiek de performance twee keer beleeft: een keer mét en een keer zonder dat het de performers bezig ziet. ‘Je krijgt de mogelijkheid om je waarneming te toetsen. Wat hoor en verbeeld je je als je de klankproductie niet ziet, wat als je ze wel ziet? Ik bied verschillende perspectieven aan. Je kan naar de klanken luisteren als een fenomeen van vibratie, frequentie, zindering; je kan oor hebben voor wat ze oproepen en tenslotte kan je oog hebben voor het performatieve gebaar, want iedere klank wordt steeds uit een lijf gewrongen – inclusief de fratsen die daarmee gepaard gaan.’

De geluiden die de performers maken met hun lijven worden versterkt in een set-up van geluidskunstenaar Fabrice Moinet, die het signaal doorstuurt naar de andere ruimte. ‘De paradox is dat je weet dat mensen de klanken produceren, maar je het menselijke erin niet altijd herkent.’ ‘Nabootsing’ klinkt cheap, weet Van Imschoot. ‘Het modernisme in de kunst heeft de band met de werkelijkheid doorgeknipt. Kunst moest autonoom zijn. Toch blijft mimesis nazinderen, ook in de avant-garde en eigenlijk doorheen de hele twintigste eeuw.’ In de naoorlogse hedendaagse muziek, met de musique concrète, ziet zij die verzelfstandiging terug. ‘Componisten in de lijn van Pierre Schaeffer gebruikten opgenomen alledaagse geluiden, maar in hun collages was de herkomst van de klank niet langer van tel. Ze wilden de luisteraar binnenhalen in de klank zelf, los van de haken waarmee die klank aan de realiteit vasthing. Dat was een noodzakelijke beweging, die emancipatie van het geluid. Maar zelf vind ik verwijzingen wel van belang.’

Auditieve ontbossing

‘Mijn favoriete scène uit What Nature Says is het ontbossingstafereel. Daarvoor luisterden we naar houtzagen, tractoren, kettingzagen, enzovoort. In dat amalgaam van geluiden kan de toeschouwer denken aan de hectaren Amazonegebied die dagelijks verdwijnen, aan land grabbing en andere ontginningsmanoeuvres. Maar je kan er evengoed vervelende grasmaaiers in horen. Een klank houdt geen moreel verdict in. Lawaai, sonore vervuiling, de trend van stilteoorden of decibeldrempels… pas wanneer je klanken in een bredere ecologische en sociale praktijk plaatst worden ze politiek.’

Van Imschoot verwijst naar Bernie Krause, een bekende field recorder die de symfonie The Great Animal Orchestra schreef. ‘Hij maakte geluidsopnames in een bos in Noord-Amerika voor en nadat er selectief werd gekapt. Op de foto voor en na die kap ziet de plek er nagenoeg exact hetzelfde uit. Maar op zijn sonogrammen (visualisering van geluid, MV) zie je op auditief niveau wel degelijk een gat. ‘Een gezonde habitat kent een evenwichtige geluidsdistributie van alle aanwezige dieren, planten, beken, micro-organismen. Zoals radiozenders uit elkaars frequentiegolven blijven, zo zoeken die organismen verschillende timeslots op of hogere en lagere frequentiegolven. Vogels en krekels verdelen zo hun territorium. Waar op de foto’s de ontbossing slechts een cosmetische ingreep leek, kon Krause via het geluid wel degelijk een grote verschraling vaststellen van de biodiversiteit.’

Afscheid nemen

Waarom is het pijnlijk om te luisteren naar stemmen van een dierbare overledene, vraag ik haar. ‘Iedere opgenomen stem heeft iets unheimich, zegt Van Imschoot. Hij representeert een splitsing tussen wat was en wat overblijft. Het is een reststem.’ In haar werk zoekt Van Imschoot een verhouding tot de geesten ‘die rondwaren als pendant van een voortschrijdende moderniteit. Daar ligt volgens mij ook de lijn met folklore en jodelen, met vocale praktijken die in de marge leven of dood zijn verklaard. Alsof ze op een no place zijn beland en alleen in het cabaret van het erfgoedreservaat hun nummertjes nog eens mogen opvoeren. Je kan van die zwerfpraktijken iets meenemen in het nu, er iets van overleveren, door ze zelf te incarneren. Dat hoeft niet altijd respectvol. Je kan de restjes oppeuzelen, het blijft wel weer ergens aan kleven.’

Afstand, afscheid, afscheiding, verlies en – in weerwil daarvan – contact. Daar ligt misschien wel de grond van Van Imschoots artistieke werk. Het contact terugzoeken via bandopnames en audiocassettes. In Pick up Voices (2007) vroeg Van Imschoot Christine De Smedt de stemmen en gebaren over te nemen van vier choreografen die ze ooit interviewde. In Black Box (2009) – een installatie in samenwerking met Kristien Van den Brande en Ayméric de Tapol – werden interviewfragmenten van dansers en andere kunstenaars op singles geperst. Je kon ze opvragen in een jukebox. ‘Met stemmen die door het landschap schallen gebeurt iets gelijkaardigs: traditioneel werden het jodelen en de youyougebruikt om een fysieke afstand te overbruggen.’ In de roepperformances Vozes de Magiao (2011) en Singelstemmen (2012) die Van Imschoot met Toine Horvers bracht in de Portugese bergen en de Rotterdamse stationsbuurt, zoekt ze dezelfde ervaring op. Ook in het wuifgebaar herken je het verlangen om de (af)scheiding te overspannen. Het zijn stuk voor stuk manieren om de gevreesde scheiding ongedaan te maken. Een landschap is afstand in de ruimte, geschiedenis is afstand in de tijd. In haar werk overbrugt Myriam Van Imschoot beide; met behulp van sonoor materiaal en tijdsdocumenten en met inzet van haar eigen lichaam.

Deze zomer gaat Van Imschoot schrijven aan een novelle op basis van een geluidsarchief van bestaande interviews. Verder ligt er een samenwerking in het verschiet met acteur en auteur Willem de Wolf. Ze plannen een tekst-theaterperformance op basis van de ervaring die Van Imschoot had toen ze met Jean-Baptiste Veyret-Logerias enkele jaren geleden een koor opstartte in Brussel. ‘Die eerste bijeenkomsten waren pure Tati voor mij. Er is bij zo’n repetitie veel wachten, maar in die leegte ontstaat een tragisch-komische glans; waarbij je staart, gluurt en luistert in een hoog-zintuiglijke sluimerstand tot het weer aan jou is, met veel vals zingen en missers tussendoor. Ik werk met geluid zoals met materie. Ik kijk enorm uit naar de samenwerking met Willem, omdat hij heel opmerkzaam is, en veel kracht puurt uit de observatie, het kleine detail dat veel prijsgeeft over menselijke verhoudingen. In tegenstelling tot andere koorprojecten zijn het acteurs die een koor spelen, geen zangers. Niet de afgewerkte compositie staat centraal, maar het hele leerproces met z’n falen, herhalen, de verveling en de chit-chat tussendoor. Puur klankmatig vind ik niks mooier dan vals zingen!’

Of ze van nature een wars wezen is, wil ik nog weten. ‘Wars zijn is geen standaard parcours’, antwoordt ze, terwijl ze de kurk niet uit de wijnfles trekt, maar erin duwt.

gesprek
Leestijd 8 — 11 minuten

Mia Vaerman