(c) Brecht Vandenbroucke

De curator voor het voetlicht

Een pleidooi voor zichtbaarheid én engagement in de podiumkunsten

Terwijl kunstenaars voortdurend kritisch besproken en geanalyseerd worden, blijft de functie en invloed van de programmator vaak ongrijpbaar. De term ‘curator’, die gangbaar is in de wereld van de beeldende kunst, kan meer zichtbaarheid geven aan het werk van deze ‘bemiddelaar’ en zo een kritisch discours rondom de functie ontwikkelen.

De functie van programmator is niet los te zien van de opkomst van het vlakkevloertheater. Dat vrije theater, met zijn grillige dynamiek –wars van regels, protocollen, kaders en hiërarchie– schiep ruimte voor iemand om de artistieke identiteit van een huis of festival te bepalen. De invulling van die functie is heel divers: iedereen doet het anders, een richtlijn bestaat niet en er is nog altijd geen opleiding voor (hoewel er op dit moment meerdere masteropleidingen en cursussen opduiken over curatorschap in de podiumkunsten). Toch zijn er een aantal gemene delers: de programmator selecteert kunstenaars en gezelschappen, bepaalt het aantal voorstellingen en in welke zaal ze staan, ontwikkelt contextprogramma’s en stelt programma’s samen voor festivals of kleinere clusterprogramma’s.

De inhoudelijke gedachtes erachter –het tonen van een bepaald soort werk, het blootleggen van een inhoud– vinden hun weerslag in contextactiviteiten, programmateksten, publicaties en andere communicatie-uitingen, waarin de programmator een belangrijke rol speelt. Tot slot beheren programmators vaak een eigen programmabudget en zijn ze, afhankelijk van het huis of festival waar ze werken, verantwoordelijk voor de financiële onderhandelingen met gezelschappen.

Opvallend genoeg is er met de ontwikkeling van de functie van programmator nauwelijks een discours over ontstaan. Met de opkomst van de curator in de beeldende kunst zijn er boeken vol geschreven over de taken en betekenis van deze rol, maar in het theater is het nagenoeg stil gebleven. Waarom is reflectie over de organisatie van de kunstsector en de specifieke rollen daarbinnen zo belangrijk? Wellicht omdat een gebrek aan context en historie het kritische denken onder druk zet. Wie niet blootgesteld wordt aan een publiek kritisch bewustzijn, heeft de vrije hand om zich achter allerlei omstandigheden te verschuilen. Macht vereist een discours waarmee je iemands positie en werkzaamheden kunt analyseren, om die vervolgens te kunnen bekritiseren en bevragen. Terwijl de kunstenaar uitgebreid besproken en bekritiseerd wordt vanaf het moment dat hij of zij zijn werk openstelt voor een publiek, blijft de programmator vaak in de schaduw staan, terwijl hij achter de schermen een enorme invloed heeft. Hij bepaalt immers welke stemmen prevaleren boven andere en welke theatermakers de kans krijgen zich te ontwikkelen. Er zijn kunstenaars die groot zijn geworden dankzij het vertrouwen van een program- mator of artistiek leider (of door een groep programmatoren, aangezien programmatoren vaak hun keuzes op elkaar afstemmen).

Bescheidenheid

Sinds kort horen we steeds vaker het woord ‘curator’ in plaats van programmator. Het komt uit de beeldende kunst, waar de curator zorg draagt voor het behoud van een collectie (‘curator’ komt van het Latijnse curare of ‘zorg dragen’). De inhoud van de functie is in het theater niet identiek dezelfde als die in de beeldende kunst. In die laatste wereld zijn de invloed en macht van de curator groot: hij (of zij) kiest de werken uit, geeft kunstenaars de opdracht om aan de hand van een bepaalde invalshoek nieuw werk te ontwikkelen, bepaalt de volgorde en voorziet de werken van een overkoepelend kader (al dan niet thematisch).

Theatermakers hebben daarentegen vaak zelf al de context van hun werk bepaald in de vorm van teksten, flyers en beeld. Daarnaast zijn voorstellingen gebonden aan een duur, anders dan de meeste beeldende kunstwerken en installaties, waardoor de hoeveelheid werken die een podiumcurator zijn publiek kan voorschotelen, beperkter is. Daar komt bij dat hij of zij over aanzienlijk minder keuze beschikt: theatervoorstellingen zijn geen materiële objecten die bewaard blijven. De programmator is voor zijn keuze afhankelijk van voorstellingen die recent zijn gemaakt of hernomen kunnen worden.

Daarnaast heerst er een cultureel ongemak rond de term curator. In Nederland houden we niet van
grote woorden. Jezelf curator noemen wordt binnen het theaterveld al snel gezien als ijdelheid of bravoure. Dat ongemak komt soms voort uit bescheidenheid. Programmators zien zichzelf als dienstbaar aan het werk en kunstenaar, en willen zichzelf niet op de voorgrond plaatsen. Maar ongemak en angst voor verantwoordelijkheid kunnen al snel dicht bij elkaar komen te liggen. Wat mij betreft vraagt de invloedrijke functie van programmator juist om een term als ‘curator’. Door in het woord nadruk te leggen op de keuzes die een programmator maakt, worden ze tastbaarder en daarmee bediscussieerbaar.

Het woord ‘programmator’ legt de nadruk op het plaatsen van werken en voorstellingen in een zaal. Je ‘programmeert’ een seizoen, wat zoveel betekent als: je maakt een selectie uit het aanbod en verdeelt die zo goed mogelijk over de verschillende dagen en ruimtes. Dat is een waardevol vak. Het gaat erom de beste condities te bepalen om een voorstelling optimaal tot haar recht te laten komen. Maar het vakmanschap van de programmator is volgens mij iets anders dan dat van de curator. De functie van veel theaters en festivals behelst immers veel meer dan het louter plaatsen van voorstellingen in tijd en ruimte.

Wellicht dat door de bezuinigingen van de afgelopen jaren –en de onderliggende kritiek dat kunstenaars en kunstinstituten met de rug naar de samenleving waren komen te staan– de behoefte is gegroeid om voorstellingen contextueel in te bedden. Het is in elk geval duidelijk dat theaters en festivals al lange tijd veel meer doen dan alleen het presenteren van voorstellingen. Ze werken thematisch, cureren interdisciplinair door installaties en videowerk naast voorstellingen te plaatsen, organiseren diners waar de scheidslijn tussen eten en voorstelling nagenoeg verdwijnt, geven publicaties uit, creëren ontmoetingsruimtes en organiseren gesprekken en debatten.

Die ontwikkeling is niet alleen een reactie op eerdergenoemde kritiek, ze komt ook voort uit een behoefte onder theaters om zich lokaal te wortelen en duurzamer om te gaan met hun publiek. Wellicht heeft de autonomisering van de kunsten haar doel gemist. We lijden onder de puur representatieve functie van de kunst, en de scheiding tussen kunst en leven. Het losmaken van opdrachtgeverschap en de ontwikkeling van een subsidiestructuur was in eerste instantie uiteraard een overwinning, want het bracht een vrijheid voort die het mogelijk maakte los van de belangen van opdrachtgevers te creëren.Tegelijkertijd ontstond er zo ook een kunstwereld die het risico loopt vrij geïsoleerd van de rest van de samenleving te opereren. Het contextueel inbedden van werk doet een poging om kunst weer midden in de samenleving te plaatsen en verbindingen te leggen met andere disciplines en dagelijkse aspecten van het leven.

De curator speelt hierin een cruciale rol. Zodra een huis of festival niet alleen afzonderlijke voorstellingen presenteert maar bewust draden spint tussen werken en probeert een ‘totaalruimte’ te scheppen, kunnen we spreken over de grotere dramaturgie van een programma. Het gaat erom met oog voor de kracht van de afzonderlijke werken een groter kader te scheppen dat een dieptelezing mogelijk maakt van zowel de individuele elementen en de relaties ertussen als van het grotere geheel. Cureren is verwant aan choreografie, collage en dramaturgie. Maar anders dan die drie begrippen verhoudt het zich niet alleen tot de microwereld van een voorstelling, maar gebruikt het de grotere kaders (van de titel en het programmaboekje, tot de ruimte waarin het plaatsvindt) om het totaalconcept tot uiting te brengen.

De weerstand tegen het begrip ‘curator’ komt vaak voort uit angst dat de curator zich als ‘über-kunstenaar’ opwerpt en de afzonderlijke voorstellingen tot een gesamtkunstwerk forceert. Maar ik denk dat hier hetzelfde geldt als voor een goede dramaturg of kunstenaar: met waarachtig inzicht in de kwaliteiten van de afzonderlijke onderdelen kan dat alleen maar op een interessante manier gebeuren, die de lezing van een afzonderlijk werk vergroot in plaats van verkleint. Context wordt immers altijd geschapen, ook als je doet alsof het niet zo is. Beter zet je het bewust in, waardoor de contextualisering meerdere lagen in het programma aanbrengt en allicht ook verbindingen met andere domeinen legt. Alleen als de contextualisering weloverwogen wordt ontwikkeld, kunnen de keuzes geadresseerd worden, niet in de laatste plaats door de kunstenaars die participeren.

Onaf huis

Het vakmanschap van de curator ligt in de mogelijkheid om een tijdelijk landschap te scheppen dat aanzet tot reflectie en uitwisseling, dat de toeschouwer beweegt en idealiter blijft prikkelen, lang nadat hij of zij het theater verlaten heeft. Cureren gaat voor mij over de beroemde ‘poreuze wanden’ van het theater van dramaturge Marianne Van Kerkhoven. Een curator wordt gedreven door de wil om kunstwerken te verbinden aan het leven omdat kunst –net als wetenschap, journalistiek en politiek– een poging doet om te reflecteren op de wereld, hem in kaart te brengen en te hervormen. Slecht curatorschap gaat voor mij dan ook over het onvermogen om kunst en reflectie als twee kanten van dezelfde munt te zien. Het gaat er niet om de academicus het werk van de kunstenaar te laten interpreteren, maar te zien waar de verbeelding van de academicus begint, en waar de theorievorming van de kunstenaar.

Curatorschap is voor mij ook een antwoord op de kritiek op het kapitalisme, waarin producten passief worden geconsumeerd. Cureren gaat immers nooit over de afname van geïsoleerde gebeurtenissen, maar altijd over de constructie van een geheel. Daarin is het belangrijk geen kant-en-klare ruimte te bouwen waar alle verbindingen al zijn gecreëerd en uitgelegd. Cureren is juist het bouwen van een onaf huis, een geraamte, met spijkers die er maar half zijn ingeslagen waardoor nieuwe spontane verbindingen gelegd kunnen worden. Een landschap dat vraagt om een toeschouwer en alleen door de actieve interpretatie van een publiek tot leven komt.

Een interessant voorbeeld hiervan was de afgelopen editie van het Kunstenfestivaldesarts, waar het centrale thema de toeschouwer uitnodigde tot verdergaande associaties en interpretaties. De centrale gast van het festival was de Franse theatermaker Philippe Quesne, die ‘de grot’ inbracht als thematische rode draad, zonder dat alle voorstellingen onder dat thema moesten worden ondergebracht. Het festivalhart vormde een artistiek project op zichzelf, ontworpen door Quesne. In een grote, zwarte ballon in een oude kerkzaal konden elke avond zo’n honderd toeschouwers deelnemen aan verschillende activiteiten. Het thema van de grot raakte aan verschillende tendensen: zowel de behoefte om je terug te trekken en opnieuw in contact te komen met datgene wat werkelijk belangrijk is, als de angst voor de buitenwereld en de zoektocht naar bescherming. Maar ook de betekenis van het donker, van underground en de behoefte om sporen achter te laten. Zo werd het thema geen geforceerd kader waar alle voorstellingen onder werden geplaatst, maar kreeg het vorm als thematische rode draad die uitnodigde tot verdere reflectie, en als fysieke ruimte (het festivalhart) waar samenkomst en gesprek met het publiek kon plaatsvinden.

De manier waarop een festival gecureerd is, kan bijdragen aan intensievere participatie van de toeschouwers. Zo cureerde Florian Malzacher in september 2012 tijdens Steirischer Herbst het marathonfestival Truth Is Concrete. Tijdens dat programma bracht hij activisten en kunstenaars samen die voorbijgaan aan het louter representeren van de wereld en allen geworteld zijn in een vorm van politiek engagement. Het festival was 24/7 geprogrammeerd, met om en nabij de 300 lezingen, panels, performances, concerten, films en workshops. Zo creëerde Truth Is Concrete een 170 uur durende performatieve ruimte voor reflectie en actie.

Een ander voorbeeld is de Kortrijk Congé-editie van juli 2014 die een ‘stad in staat van uitzondering’ ontwikkelde. (Kortrijk Congé was een jaarlijks festival van één dag en één nacht, dat tussen 2006 en 2016 altijd op locatie plaatsvond en op heel interactie wijze streefde naar een samenkomst van kunst en samenleving.) Vijfentwintig uur betrad je als deelnemer een afgezet deel van de stad, mits je bereid was je paspoort en geld bij binnenkomst af te geven en voedsel te doneren. In deze tijdelijke stad was participatie nodig om de stad draaiende te houden. Het bubbelbad ging alleen aan als er voldoende hout gehakt was om het van de nodige energie te voorzien; er kon alleen gegeten worden als er toeschouwers bereid waren te helpen koken; er was alleen sprake van kennisuitwisseling als mensen bereid waren zich in te schrijven om een lezing te geven en hun kennis te delen et cetera.

Zo bekeken kan het cureren van een programma of festival al snel in de buurt komen van het organiseren van een protest of beweging. De huidige behoefte aan collectief handelen is te begrijpen vanuit een verlies aan maatschappelijke verbeelding van alternatieven. De alomtegenwoordige realpolitik die dromen naïef vindt en utopieën gevaarlijk, heeft een gevoel van onmacht en stilstand voortgebracht. Iedere dag is zichtbaar hoe we als burgers steeds minder agency lijken te hebben over onze omgeving; publieke ruimte wordt geprivatiseerd, demonstraties mogen alleen in het park gehouden worden en vraagstukken rondom zorg, onderwijs en voedsel hebben we uitbesteed. Het is dus niet gek dat de kunst en de instituten zaken als burgerschap, gemeenschap en stemvorming terug op de agenda plaatsen. Kunst –en zeker theater, door de livecomponent– heeft de potentie om publieke vraagstukken gemeenschappelijk onder de loep te nemen, te bediscussiëren en te herdenken.

Juist de curator kan ertoe bijdragen dat het theater zich meer verhoudt tot de samenleving als geheel. Afhankelijk van hoe een programma gecureerd is, heeft het de potentie een diversiteit aan mensen aan te spreken en kan het verschil en oppositie de theaterruimte binnenbrengen. Omdat in het cureren de relatie tussen kunstwerken en buitenwereld centraal staat, kan de curator zich bekwamen in het betrekken van verschillende disciplines en herkomsten binnen één programma. Het is de uitdaging om de kunsten weer in het publieke hart van de samenleving te plaatsen, liefst in samenhang met verwante disciplines als onderwijs, media en politiek.

Verbindingen 

Bewust omgaan met curatorschap als vak biedt ruimte om actief met bovenstaande uitdagingen bezig te zijn. Thematisch werken creëert de mogelijkheid om verbindingen te leggen met mensen die vanuit een andere discipline met vergelijkbare vraagstukken bezig zijn. Wederzijds bestaat daar veel belangstelling voor, is mijn ervaring. Dat viel onder andere op tijdens het programma ME/WE, dat in maart 2014 in Theater Frascati plaatsvond en reflecteerde op de huidige staat van de participatiesamenleving. Imrat Verhoeven, politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam, herkende in een lecture-performance van theatermaker en journalist Anoek Nuyens exact de thema’s die hij in zijn werk aanstipt, maar was zeer verrast over hoe de taal die Nuyens gebruikte meteen tot de verbeelding sprak. Andersom krijgt een voorstelling meer betekenis en waarde als je voelt dat deze in verbinding staat met gedegen onderzoek en analyse van de actualiteit.

Curatorschap als discipline schept tot slot ruimte voor institutionele kritiek. De beeldende kunst wordt sinds de jaren 1960-1970 gekenmerkt door een periode van institutionele kritiek, waarbij kunstenaars de machtsmechanismen van kunstinstellingen, musea, curatoren en subsidiënten hebben ontleed, bekritiseerd en zichtbaar gemaakt. Tot op vandaag is dat merkbaar in het werk
van hedendaagse beeldend kunstenaars. Werken van bijvoorbeeld Andrea Fraser en Hans Haacke hebben de weg vrijgemaakt voor hedendaagse initiatieven als de huidige Gulf Labor Coalition, een alliantie van internationale kunstenaars die de werkomstandigheden van de arbeiders die het Guggenheim Abu Dhabi bouwen sterk bekritiseren en het bestuur van Guggenheim New York onder druk proberen te zetten. Het theater lijkt dit gek genoeg te hebben overgeslagen. Buiten The Curators’ Piece van Tea Tupajic en Petra Zanki zijn er nauwelijks voorbeelden van podiumkunstenaars die de condities waarbinnen werk tot stand komt tot hoofdonderwerp hebben gemaakt.

Curatorschap maakt het mogelijk de machtsmechanismen waarbinnen een programma tot stand komt te betrekken in het festival. De manier waarop de selectie van werken tot stand is gebracht, de wijze waarop kaarten worden verkocht en betaald, de afkomst van het voedsel dat wordt geserveerd en de wijze waarop werken gerealiseerd zijn, kunnen deel worden van de curatie. Zo ontwikkelt de Zwitserse theatermaker Christophe Meierhans op dit moment een project voor verschillende festivals waarbij iedere toeschouwer automatisch per voorstellingskaartje 1 euro doneert; het festival wordt vervolgens afgesloten met een debat, waarbij gezamenlijk gediscussieerd wordt over wat er met het geld moet gebeuren. Het is trouwens opvallend hoeveel kunstenaars de rol van curator op zich nemen of curatoriële praktijken betrekken in hun werk, zoals Thomas Hirschhorn met The Bijlmer Spinoza Festival, een 60-daags programma dat de beeldend kunstenaar in 2009 in de Bijlmer in Amsterdam organiseerde. Tino Sehgal cureerde in oktober 2016 onder de titel ‘Carte Blanche to Tino Seghal’ interventies door kunstenaars in Palais de Tokyo in Parijs.

Compromissen

Hoewel curatorschap zeker een artistieke praktijk is, ben ik niet geneigd de curator en de kunstenaar volledig aan elkaar gelijk te stellen. De kunstenaar bepaalt vaak zijn eigen startpunt, terwijl de curator de kaders bepaalt aan de hand van het werk dat zich presenteert of die door de actualiteit worden ingegeven. Het vakmanschap van de curator ligt in de kunst om de beste condities te scheppen voor alle diverse stemmen die hij of zij heeft uitgenodigd, en tegelijkertijd een overkoepelend kader te creëren dat zowel op zichzelf staat als de afzonderlijke werken verrijkt. Kunstwerken bezitten een bepaalde mate van compromisloosheid, omdat ze zich over het algemeen minder bezig hoeven te houden met het bemiddelen van verschillende belangen.

Het woord ‘curator’ –en het daarmee zichtbaar maken van de curatoriële keuzes– biedt kortom de mogelijkheid om het vak kritischer, bewuster en transparanter te maken. Het erkennen van de inhoudelijke en artistieke invloed van de manier waarop een festival of programma gecureerd is, maakt het mogelijk het vak van de curator te bediscussiëren en te waarderen. Alleen zo kan het worden verdiept en verbonden aan de vele uitdagingen van deze tijd. Zoals de waarde van een kunstwerk vaak besloten ligt in de reflectie op de betekenis van het werk, zo is dat voor de schepping van een artistiek programma precies hetzelfde. Het gaat er niet om slechts ervaringen te produceren. De ruimte om belevingen te contextualiseren en te duiden is van even groot belang. Binnen curatorschap als discipline ligt die reflectie idealiter voortdurend besloten in het scheppingsproces zelf.

essay
Leestijd 10 — 13 minuten

Lara Staal

Lara Staal werkt als programmamaker, schrijver, moderator, dramaturg en docent. Ze werkt op projectbasis bij Frascati Theater in Amsterdam met als voornaamste focus thematische programma’s , de begeleiding van makers en het festival Something Raw.