Chiara Maestrelli

DANIEL LINEHAN EN NOÉ SOULIER

Concertgebouw Brugge programmeerde op één avond twee dansvoorstellingen waarvan de titel de-zelfde structuur heeft: ‘Doing while doing’ van Daniel Linehan en ‘Mouvement sur mouvement’ van Noë Soulier. Beiden gaan ook over dans en choreografie. Maar waar Linehan lichtvoetig patronen varieert om het medium te verkennen, graaft Soulier naar de wortels van de danspraktijk, en terloops ook van het denken. Zo botst hij op iets anders: hoe dans niet enkel een spel, maar ook een zelftechnologie is.

‘Doing while doing’ is al bezig als het publiek binnenkomt. Daniel Linehan stapt geagiteerd heen en weer, voorwaarts en achterwaarts. Zijn enige attributen: een pc en een stoel. Het scherm van die pc zie je ook geprojecteerd tegen de achterwand. Zo leer je dat deze ‘Doing while doing’ behoort tot een lange reeks ‘doing x while doing y’ bestanden. Protocols van opvoeringen dus met soms  enig-matische combinaties als ‘doing zen while doing war’. ‘Doing while doing’ vat al die andere titels kort samen. (Je weet trouwens niet of die andere titels meer dan ideeën zijn). Een tweede venster vertelt dat ‘Doing while doing’ zelf bestaat uit veertien items, elk met een exacte duur, samen eenenvijftig minuten. Pieptonen uit de pc leggen die timing dwingend op. Het geeft soms vreemde breuken en overgangen.

Volgens het programma wil Linehan via deze structuur het publiek dichter bij hem brengen en vice versa. De voorstelling biedt dan ook een collage van fragmenten uit eerder werk en nieuwe ideeën. Linehan becommentarieert ze doorlopend. In ‘talk about past’ zie je hem ijsberen terwijl hij nadenkt over onze relatie tot het verleden en de toekomst. Hij breekt een lans voor het recente verleden. We waarderen het minder dan het verre verleden of de verre toekomst, terwijl net dat verleden niet ge-bukt gaat onder vastgeroeste ideeën. Je kunt er nog onbevangen mee omgaan. Precies wat Linehan doet: onbevangen met dingen omgaan, hun vele facetten in vivo ontdekken.

In het volgende fragment, ‘thinking four thoughts’, ijsbeert Linehan niet, maar staat hij nagenoeg stil terwijl hij, als een demonstratie van zijn eerdere bewering,  recente herinneringen ophaalt of een oefening hoofdrekenen doet. In elk ‘item’ kruist Linehan zo thema’s, spreekstijlen en bewegings-codes op arbitraire, en daardoor ook verrassende manier. Het is een gestructureerde manier om freewheelend op mogelijkheden te botsen. Maar komt Linehan zo dichter bij ons? Of verdwijnt hij net in dit kwikzilveren mengsel van gedachten en gestes? Eerder dat laatste. Toch blijven een aantal gedachtewendingen insisteren. Dat goed en kwaad een kwestie van bewustzijn is bijvoorbeeld. Of dat een tragedie slechts verschilt van een komedie door de frequentie waarin dilemma’s zich voor-doen. Een individu is altijd tragisch, een groep mensen wordt komisch.

In het tweede, kortere deel van dit stuk springt Linehan minder van de hak op de tak. Er verschijnt een duidelijk thema: ‘Endings’. Hij vraagt zich af hoe kunstenaars een punt zetten achter een tekst, een film, een voorstelling. Die vraag combineert hij met nu haast acrobatische strapatsen. Maar toch is er een inzet. Linehan suggereert dat kunstwerken  ‘frames’ zijn die betekenissen tijdelijk op elkaar betrekken. Een einde laat dat verband oplossen. De echte vragen, zo concludeert Linehan duiken pas dan op. Maar wat die zijn laat hij in het midden. De lichtvoetigheid blijft, maar het einde laat een donkere rand verschijnen.

Noé Soulier denkt evenmin dat we, al zeker niet inzake de kunst, ooit het laatste woord zullen spre-ken. Maar hij maakt in ‘Mouvement sur mouvement’ wel een punt. Hij studeerde de ‘improvisation technologies’ van William Forsythe helemaal in. In die video zet Forsythe met woord en daad uiteen hoe ruimtelijke ideeën en problemen een improvisatie kunnen structureren. Niet enkel de demon-straties worden ingestudeerd, maar ook de kleine, soms onwillekeurige gebaren en tics waarmee Forsythe zijn betoog ondersteunt. Al die extra’s zijn bewegingen die bewegingen verduide-lijken. Vandaar de titel van het stuk: ‘Beweging over beweging’.

Soulier voert dat allemaal live op. Schijnbaar moeiteloos. En toch is het een hallucinante prestatie. Soms zou je zweren dat je Forsythe zelf ziet. Daar houdt de krachttoer niet bij op. Net als Forsythe geeft Soulier al dansend bedenkingen ten beste over dans. Maar die gaan niet over improvisatie, maar over wat dansen als activiteit betekent voor en doet met iemand.

Dansen, zo bedenkt Soulier zich, gebeurt altijd voor iemand anders. Is het niet een publiek, dan een danspartner of een leraar. Het rare van dansbewegingen, bedenkt hij zich daarna, is dat ze ook bijna alleen op die manier gedefinieerd zijn. Niemand kan voor de vuist weg zeggen wat een arabesk is, maar iedereen herkent de figuur, door ze te zien en dan zelf te doen en te vervolmaken. Daarin lijkt dansen op denken, vervolgt hij onverhoeds: ook dat leren we door anderen na te volgen, nog voor we de abstracte regels van het redeneren beheersen. Waarna hij plots ook ruiterlijk toegeeft dat hij zelf vaak liever kijkt naar dans dan ze zelf uit te voeren. Sterker nog: dat hij altijd ook zelf een beetje toeschouwer is van zijn eigen dans.

Al die bedenkingen botsen op de vreemdste manieren tegen de bewegingen aan. Soms lijken de woorden de bewegingen te illustreren, soms gaan ze er helemaal tegen in. Als kijker word je duizelig van de poging om die twee lijnen van het gebeuren te volgen, zo sterk eisen ze elk voor zich de aandacht. Toch wordt dit werk nooit krachtpatserij. Het vloeit zelfs bijna voorbij.

Zo mis je trouwens bijna de ‘clou’ van het betoog. Dansen, zo merkt Soulier finaal op, is altijd een manier om aan je zelf te werken. Voor het oog van anderen werk je aan een betere versie van jezelf door je lichaam actief vorm te geven. Daarin lijkt dansen op de filosofie zoals de oude Grieken die op-vatten: een manier om via oefening, in gesprek met anderen, jezelf te veranderen. Een zelf-technologie dus. Of je daar echt beter van wordt is uiteraard een andere kwestie, maar deze voorstelling verbeeldt wel een geloof in dat werken aan jezelf. Dat is niet lichtvoetig, maar des-ondanks minder duister dan de duizelig makende sprongen van Linehan.

Gezien op 1 maart 2014 in het Concertgebouw te Brugge.

”Mouvement on mouvement” nog op toernee in het buitenland, zie  www.noesoulier.tumblr.com

“Doing while doing” nog op toernee in het buitenland, zie  http://www.caravanproduction.be/?page=calendar

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis.