© Orion Maxted

Orion Maxted

Leestijd 14 — 17 minuten

Cybernetica vs. Decartes

De geest van het non-cartesiaanse theater volgens Orion Maxted

Het theater als complex systeem waarin spontaan een globale, zelfregulerende orde ontstaat? Het theater als schaalmodel van de menselijke geest, van de hele wereld, van mierenkolonies tot Wikipedia? Volgens informaticus en performancekunstenaar Orion Maxted is het theater de plek par excellence waar de aloude cartesiaanse scheiding tussen geest en lichaam – én tussen ‘ik’ en ‘jij’– opgeheven kan worden.

‘Vandaag beschouwt de wetenschap samenlevingen, organismen en hersenen als complexe adaptieve systemen. Dit betekent dat ze bestaan uit een groot aantal relatief autonome actoren (zoals cellen, neuronen of individuen) die op lokaal niveau via een reeks kanalen met elkaar interageren. Uit deze non-lineaire interacties groeit een vorm van coherente, gecoördineerde activiteit – een fenomeen dat we zelforganisatie noemen. Deze organisatie is in wezen verspreid over de componenten van het systeem: ze is niet lokaal, gecentraliseerd, of gestuurd door één of een klein aantal actoren, maar ze ontstaat uit de verbindingen tussen alle actoren.’

Francis Heylighen, Challenge Propagation: Towards a theory of distributed intelligence and the Global Brain, (2014).

 

De theorie van de complexe adaptieve systemen en de verwante onderzoeksvelden van cybernetica en systeemtheorie lijken de veranderende technologieën van onze tijd te onderschrijven: biotechnologie, artificiële intelligentie, het internet, geopolitiek en economie, om er slechts een paar te noemen. Meer nog, deze theorieën bieden een gedeelde, systematische basis om deze verbonden velden te begrijpen, terwijl, zoals sommigen stellen, ze ook opnieuw verbinding zoeken met vele niet-dualistische denkwijzen uit de Oosterse traditie. Dit suggereert dat we misschien wel in een revolutie leven, of een tweede Verlichting, namelijk één van complexe systemen.

“Als de verklaring voor hoe we denken simpelweg bij een andere denkende entiteit wordt gelegd, verklaart ze helemaal niets.”

Hoe kunnen hedendaags theater en performance zich dan verhouden tot deze ontwikkelingen? Ik ben op zoek naar hoe we kunst-denken kunnen stroomlijnen met wetenschaps-denken. Niet door kunst, theater of poëzie ‘te doden’, maar door uit te zoeken wat ze gemeen hebben. En zo een wereldbeeld gebaseerd op systeemdenken beschikbaar te maken voor theaterpublieken. Immers, kunst, theater en poëzie zijn specifieke manieren om ons te helpen de wereld rondom ons waar te nemen en te ervaren.

In mijn recente voorstellingen, [THE MACHINE], HUMAN SIMULATION en ook THE WISDOM OF CROWDS (werktitel), heb ik de mogelijke pistes onderzocht om theater en performance te maken volgens de principes van de systeemtheorie. Ik creëerde complexe adaptieve systemen waarin de ‘relatief autonome’ actoren die met elkaar interageren acteurs of het publiek zijn, verbonden in een systeem dat hoofdzakelijk bestaat uit taal, communicatie.

Ik verkies om in mijn werk te vertrekken van concrete principes: processen, feedback loops en transformaties die kunnen toegepast worden op taal, beweging, objecten, aanwezigheid, positionering, kleur, volume, enzovoort. De interactie van die concrete principes met de wereld genereert steeds een theorie, zoals een spin die een web spint. Op een bepaalde manier is deze tekst ook zo’n web, hopelijk een interessant web, waarin ik probeer mijn denken over en de relevantie van complexe adaptieve systemen in theater en ons begrip van de wereld, vorm te geven. De oorsprong van deze tekst was een publiek gesprek dat ik voerde in de Beursschouwburg met professor Francis Heylighen, directeur van de onderzoeksgroep Evolution, Cognition and Complexity (ECCO) aan de VUB. Een onderzoeksgroep waar ik als kunstenaar ook deel van uitmaak. Dat gesprek werd een ‘cybernetic aftertalk’, dat nu zijn vervolg vindt op deze pagina’s.

Miniatuurschouwburg

Tijdens dat gesprek stootten Francis Heylighen en ik op het concept van Het Cartesiaanse Theater. Het Cartesiaanse Theater is een metafoor uit de cognitiewetenschap voor het lichaam-geest-probleem. Dat theater net in deze context opduikt, is natuurlijk intrigerend.
In wat volgt probeer ik de relatie tussen het theater, de geest en complexe systemen te doorgronden aan de hand van het Cartesiaanse Theater.

De metafoor van het Cartesiaanse Theater expliciteert wat sommigen onder ons zich inbeelden wanneer ze aan ‘het bewustzijn’ denken: het idee van inputsignalen die van buitenaf komen – via de ogen, oren, neus, tastzin enzovoort – en die vervolgens onze hersenen binnendringen, alle zenuwen en neuronen passeren, totdat ze uiteindelijk op een specifieke plek belanden – een grens of een eindmeet  – waar alle inputsignalen samenkomen op een schermpje of een miniatuurschouwburg in het centrum van ons brein (dat de meeste mensen een paar centimeter achter het voorhoofd situeren) waar ‘wij’ – of liever: een miniversie van onszelf – kijken naar alle beelden, geluiden en andere zintuiglijke data die voorbij flitsen terwijl we nadenken, beslissingen nemen, bevelen uitsturen.

Dit idee is ronduit fout, stelt Daniel Dennett, de Amerikaanse filosoof die in zijn boek Consciousness Explained de term Cartesiaans Theater lanceerde om deze manier van denken over bewustzijn van de tafel te vegen. Het probleem is namelijk dat dit ‘theater’ een toeschouwer vereist, een homunculus (letterlijk ‘kleine mens’). En dat roept heel wat vragen op. Want hoe kan die toeschouwer überhaupt zien? Moet er dan ook geen kleine schouwburg in zijn hoofd opgesteld staan? En daar is toch een nóg kleinere toeschouwer voor nodig, met een nóg kleinere schouwburg? Eentje die op zijn beurt weer een toeschouwer nodig heeft? Enzoverder enzovoort, reductio ad absurdum, een oneindige herleiding. De verklaring van hoe we denken wordt hier simpelweg bij een andere denkende entiteit gelegd, en verklaart dus helemaal niets. Om het met Francis Heylighen te zeggen: ‘Dit doet denken aan een recept voor cake dat als ingrediënt cake bevat.’ Dennetts punt is dat deze denkwijze de bal volledig misslaat. En toch vinden we het moeilijk om bewustzijn op een andere manier voor te stellen, omdat het idee van een ‘bevoorrecht centrum’ in ons brein zo appetijtelijk, verleidelijk en aanlokkelijk is. Net als cake.

Conflict van wereldbeelden

Het punt dat Dennett wil maken, is dat we ons vandaag in het Westen nog altijd vastklampen aan restanten van het cartesiaanse dualisme, maar dan in materialistisch-dualistische vorm. Dat beïnvloedt hoe we de wereld zien en ermee omgaan. Om dat ten volle te begrijpen, moeten we in de voetsporen treden van de Britse cyberneticus en antropoloog Gregory Bateson, die in een essay uit zijn boek Steps to an Ecology of Mind teruggaat in de tijd en een beknopte geschiedenis schetst van onze wereldbeelden.

Uit oude antropologische gegevens blijkt dat heidense godsdiensten uitgingen van een eenheid tussen mensheid en natuur. In den beginne baseerden we ons op aanwijzingen uit onze natuurlijke omgeving – patronen, dieren, verhalen – en gebruikten we die als metaforen om onszelf beter te begrijpen: het totemistische wereldbeeld. Daarna keerden de verhoudingen schijnbaar om. We vertrokken van de verhalen over onszelf en ons leven, en gebruikten ze om betekenis te geven aan de wereld. De sterren, de rivieren enzovoort: het animistische wereldbeeld. Maar daarna liep het mis. We brachten een scheiding aan tussen enerzijds het idee van de geest en anderzijds de natuurlijke wereld, wat ons bij het concept van de goden bracht. Daarbij kwam nog dat Griekse en Indiase filosofen een visie op de wereld introduceerden die in essentie uit afzonderlijke delen bestond: het atomistische wereldbeeld.

We spoelen even door naar het post-renaissance-Europa van de zeventiende eeuw, waar die twee wereldbeelden met elkaar in conflict kwamen: de goden (ondertussen synoniem met het christelijke wereldbeeld) versus de atomisten (inmiddels gereduceerd tot het mechanistische wereldbeeld).Tussen die twee vuren zat de twijfelende homunculus zelve, René Descartes, die probeerde de twee wereldbeelden te verzoenen. Hij wilde de epistemologische autoriteit op God heroveren, maar was tegelijk bezorgd dat het mechanistische wereldbeeld, dat dieren als automaten beschouwt, geen ruimte laat voor een menselijke geest, ziel of vrije wil. Om een lang verhaal kort te maken: de situatie mondde uit in het cartesiaanse dualistische wereldbeeld, bestaande uit twee afzonderlijke soorten substanties: lichaam en geest.

“Van een afzonderlijke ‘ik’ die het lichaam eenzijdig domineert, is het een kleine stap naar machtsgebruik en intimidatie van anderen.”

Vanaf zijn ‘Ik denk, dus ik ben’-redenering plaatste Descartes de geest boven het lichaam. Hieruit leidden we af dat het brein de realiteit simpelweg reflecteert naar onze geest, waarbij dit brein dienstdoet als een soort spiegel van de werkelijkheid – een visie die ook wel de naïeve reflectie-correspondentietheorie wordt genoemd. Hoewel de wetenschap niet langer in dualisme gelooft (want hoe kunnen de dingen van de geest communiceren met dingen van het lichaam als dat twee absoluut verschillende dingen zijn?), leven de scheiding en hiërarchie tussen lichaam en geest voort op een seculiere en materialistische manier, namelijk als de scheiding die Dennett via het Cartesiaanse Theater omschrijft als cartesiaans dualisme.

Het onderliggende probleem is dat we de geest, het brein en de wereld door een ‘scheidingsbril’ zien en niet door een ‘verbindingsbril’ – we zien verschillen in plaats van gelijkenissen. In het Cartesiaanse Theater leidt die scheiding tot het idee dat de geest zich op een specifieke plek bevindt, afgescheiden van de rest van het brein. Dit is een overblijfsel van het reductionisme – de poging om fenomenen te verklaren door ze in afzonderlijke onderdeeltjes op te splitsen en dan de eigenschappen van elk onderdeel te bepalen. Die scheiding zorgt ervoor dat we de werking van onze geest, en bij uitbreiding de werking van de wereld, niet begrijpen. Of sterker nog, deze fout in ons denksysteem zou weleens deel van de kern van onze moderne globale crises kunnen zijn.

Zoals Bateson het verwoordt: ‘Wanneer je de geest afscheidt van zijn immanente structuur […] bega je volgens mij een fundamentele fout die je uiteindelijk duur te staan zal komen.’ Van een afzonderlijke ‘ik’ die het lichaam eenzijdig domineert, is het maar een kleine stap naar machtsgebruik en intimidatie van anderen. Het wordt ‘ik’ tegen ‘jij’; de mensheid tegen haar omgeving – en ‘het organisme dat zijn omgeving vernietigt, vernietigt zichzelf’, om Bateson opnieuw te citeren. We hebben het idee dat we buiten de wereld staan, alsof we die wereld enkel observeren. Wij, mensen gescheiden van onze omgeving, zien daarom niet echt hoe gebeurtenissen in de wereld met elkaar verband houden, dus crisissen lijken uit het niets op te duiken. En we zien al zeker niet dat de oorsprong van die problemen bij onze manier van denken ligt – exact bij datgene waarvan we dachten dat het onze problemen zou oplossen, dus. Maar wanneer we de eenheid veranderen van ‘ik’ naar ‘ik samen met mijn omgeving’, dan wordt samenwerken de meest logische strategie.

Autopoietisch

Je vraagt je misschien af wat dit nu eigenlijk met echt theater te maken heeft. Het Cartesiaanse Theater is immers een metafoor voor het brein-geest-probleem, niet voor het theater op zich. Toch is het geen toeval dat het theater een rol toebedeeld kreeg in dit verhaal over bewustzijn, wereldbeelden en complexe systemen – wel integendeel.

Volgens Dennett beelden we onze geest meestal in als een theater en is dat net de reden dat we die geest niet begrijpen. Gaat de omgekeerde redenering ook op? Met andere woorden: in hoeverre stellen we een theater voor als een cartesiaanse geest? En als dat zo is, sluit die voorstellingswijze nog wel aan op onze moderne tijd met zijn complexe systemen?

Bevat het theater niet de restanten van een soort cartesiaanse hiërarchie, van een specifieke macht van de geest ten opzichte van het brein, zoals Bateson het beschrijft? Houdt het niet stiekem vast aan het idee van een ‘script’ van ‘bevelen’ dat van de geest van de auteur doorgegeven wordt doorheen de passieve geleiding van theater, acteurs, podium enzovoort, rechtstreeks naar het brein van het publiek? Houdt het niet stilzwijgend vast aan zijn imago van ‘spiegel’, en dus aan de naïeve reflectie-correspondentietheorie van kennis? Komt theater niet vaak neer op een enscenering van waarnemingen voor een homunculus, voor de geest van het publiek? Op een manier impliceert de architectuur van het theater nog steeds het oude wereldbeeld, waarin geprivilegieerde centra ideeën uitzenden en ontvangen, en niet het beeld van een wereld die het resultaat is van een heel systeem. Het versterkt het beeld van de geïsoleerde toeschouwer – en alle problemen die uit die isolatie voortvloeien.

“Kunnen we ons een netwerk inbeelden, zoals de natuur, waarin macht en autoriteit voortdurend gedelegeerd en herverdeeld worden?”

Natuurlijk zijn deze argumenten net zo toepasbaar op andere kunstvormen, zoals cinema of televisie. Misschien begrijpt Daniel Dennett hedendaags theater gewoonweg niet, of viseert hij het theater omdat hij het als een anachronisme beschouwt. Maar daar gaat het niet over. Ik denk namelijk dat theater net die unieke eigenschappen heeft waardoor het niet-cartesiaans kan zijn. En ik zou graag met jullie een nieuwe soort van niet-cartesiaans theater inbeelden – een theater waar macht en autoriteit continu gedelegeerd en herverdeeld worden doorheen het hele systeem. Een theater gebaseerd op complexe adaptieve systemen.

Poreuze grenzen

Dualisme en reductionisme helpen ons niet verder; we moeten een systeem niet beschouwen als zijnde ‘ergens gesitueerd’, niet als een begin- of een eindpunt, niet als een onderdeel, maar wél als een geheel verspreid over verschillende componenten en hun onderlinge relaties. Die relaties tonen aan dat het geheel beschikt over eigenschappen die ontbreken in de onderdelen op zich.

De relaties tussen de onderdelen zijn belangrijker dan de onderdelen zelf, aangezien systeemtheorie elk onderdeel op zijn beurt weer verklaart als een kleiner systeem opgebouwd uit onderdelen en relaties, waarbij elk onderdeel weer uiteenvalt in een nóg kleiner systeem en onderlinge relaties enzovoort. Uiteindelijk bestaat alles uit relaties (of relaties met relaties). De materiële basis is dus een abstractie in systeemtheorie – het maakt niet uit of iets lichaam of geest is, wat telt is hoe de relaties georganiseerd zijn. Dit overstijgt de lichaam-geest-dichotomie uit het cartesiaanse dualisme. Voorbeelden van onderdelen van zo’n complex adaptief systeem zijn proteïnes, neuronen, cellen, computers, bedrijven en mensen. Die laatste ‘categorie’ toont aan dat we het theater effectief als een substraat kunnen gebruiken om complexe systemen te implementeren.

“In het theater dat ik voorstel, staat de performance voor de werking van een systeem, terwijl de menselijke actoren de onderdelen uitmaken.”

Het meest elementaire onderscheid binnen systeemtheorie wordt gevormd door de grens tussen een systeem en zijn omgeving. Die omgeving omvat al wat geen deel uitmaakt van het systeem, maar dat er wel rechtstreeks of onrechtstreeks mee interageert. De systeemgrens is daarom altijd subjectief en poreus; ze schuift op of is verschuifbaar. De relatie tussen het systeem en de omgeving wordt geconceptualiseerd als input en output. Het systeem reageert op input – met andere woorden, een verandering in de relatie met zijn omgeving – zodra het systeem die gewaarwordt. Hierna onderneemt het systeem een actie die invloed heeft op die omgeving: de output. De flow van input naar output is een proces, een transformatie.

In het soort theater dat ik voorstel, staat de performance voor de werking van een systeem, terwijl de typisch menselijke actoren de onderdelen uitmaken. (Je kunt ze ‘handelende personen’ noemen, of ‘knooppunten’.) Verschillende systemen of actoren worden aan elkaar gelinkt wanneer de output van het ene systeem de input van een ander systeem wordt. Er zijn drie basismanieren om systemen te koppelen: sequentieel, parallel of circulair. Wanneer twee of meer systemen met elkaar verbonden zijn, worden ze één systeem. Het resultaat is het beeld van een netwerk van mensen, waarin taal en actie niet alleen verspreid, maar ook collectief getransformeerd worden. Kortom: het equivalent van gedachten in het brein.

Er bestaan verschillende manieren om het netwerk te structureren en verschillende regels, voorwaarden, acties enzovoort om de onderlinge relaties aan te gaan. Enkele van de belangrijkste structuren zijn circulair. Eenvoudige feedback-lussen – waarin meer van ‘dit’ meer van ‘dit’ veroorzaakt – kunnen explosief zijn, waardoor het systeem non-lineair wordt en het op een loopje zet. Feedforward-lussen daarentegen – waarin meer van ‘dit’ net minder van ‘dit’ veroorzaakt – laten het systeem toe om voorspellingen te doen en zelfcorrigerend te worden.

Het publiek als brein

In wat volgt beschrijf ik enkele interne processen uit The Wisdom of Crowds (werktitel), een experimentele performance die met ideeën uit de cybernetica, algoritmes en systeemtheorie aan de slag gaat, en dat we aan het publiek voorstelden tijdens het Cybernetic, Algorithmic, SystemicTheatre Symposium in Frascati in juni 2017. Het doel van het werk is om het publiek, de acteurs en de theaterruimte te transformeren tot een brein dat in staat is problemen op te lossen en een performance te maken. Een brein is een complex adaptief systeem en een brein creëren betekent, volgens definitie van Heylighen, het creëren van condities voor de ‘spontane ontwikkeling van een globale orde uit lokale interacties verspreid over alle componenten’.

De componenten van deze geest zijn de toeschouwers, die interageren door wat ze schrijven op hun smartphones. Geprojecteerde teksten vragen het publiek om hun smartphones boven te halen en in te loggen op een netwerk. De toeschouwers ontdekken dat ze kunnen schrijven wat ze willen, en dat hun schrijfsels op de scène geprojecteerd worden. Verder merken ze dat ze elkaars teksten weg kunnen stemmen of net de hoogte in kunnen stemmen. De individuele leden van het publiek zijn in feite via een algoritme verzameld in een netwerk. De interface tussen smartphone en toeschouwer is eenvoudig en gebruiksvriendelijk, want we willen dat de focus ligt op hoe uit de lokale veranderingen en interacties patronen ontstaan die tot een soort ‘globale orde’ leiden, zodat de leden van het publiek verbonden raken en één enkele, denkende entiteit worden.

“De geest en complexe adaptieve systemen zijn gelijk aan elkaar. Het theater als een complex adaptief systeem, is dus een geest.”

We ondersteunen met ons tweehonderdkoppige publiek een netwerk van 200 x 199 connecties. Het systeem monitort die stuk voor stuk. Telkens wanneer iemand de tekst van iemand anders aanpast of een positieve beoordeling geeft, wordt de band tussen hen versterkt.Telkens wanneer iemand een plek naar beneden wordt gestemd, verzwakt de band. Als een idee wint en dus op het podium geprojecteerd wordt, dan wordt de connectie tussen toeschouwers die samenwerkten om deze gedachte te schrijven en positief te beoordelen, dubbel versterkt. Dit alles betekent dat het brein dat zo gecreëerd wordt doorheen het proces leert welke de beste relaties zijn en wat de beste samenwerkingen zijn. Kortom: we zetten zo een eenvoudig neuraal netwerk op, gemaakt van mensen – een algoritme dat de verbanden tussen neuronen in de natuur (in het brein) imiteert. Dit type algoritmes kent momenteel een groot succes in de artificiële intelligentie, op het vlak van herkenning en deep learning.

Zo werden computergestuurde neurale netwerken getraind om afbeeldingen van katten te herkennen. Interessant is dat programmeurs ontdekten dat ze via reverse engineering de neurale netwerken konden vragen om recursief naar katten te zoeken in afbeeldingen waarop geen katten te zien waren: door het gebied te stimuleren dat hun kattenherkenningsnetwerken prikkelde, verschenen er effectief beelden van vreemde katten op de afbeeldingen. De propositie van The Wisdom of Crowds heeft hier wat van weg: als een publiek een performance kan herkennen en als we hen via een neuraal netwerk verbinden, en dan op dat neurale net reverse engineering toepassen, kunnen we dan zo een performance tevoorschijn laten komen?

Er verschijnen ook drie cybernetische concepten: competitie, stigmergie en feedback. In het stemproces zien we competitie. Het ‘brein’ produceert ‘onderbewuste’ ideeën die vechten om aandacht, opdat ze zouden verschijnen in het gedeelde werk/speelvlak op de scène en in het ‘bewustzijn’ – waar zo’n idee waarschijnlijk maar enkele seconden standhoudt vooraleer het vervangen wordt door een ingeving van een andere toeschouwer. Wat doorgaat voor het ‘bewustzijn’ is dan ook niet meer dan de breinmodule die het hele netwerk op dat moment tot winnaar kroont. Op een bepaald moment zal het publiek erachter komen dat het elkaars teksten kan editen. Dit brengt ons bij het concept ‘stigmergie’ – een proces dat insecten die in kolonies leven gemeen hebben met Wikipedia, eiwit-interactienetwerken en het bewustzijn, en dat in feite neerkomt op een agens die een spoor achterlaat in de omgeving (een feromonenspoor, een zin of een eiwit) dat nadien een andere agens stimuleert om die taak verder te zetten of er een vervolg aan te breien. Taalhandelingen in ons brein, zoals praten in onszelf, doen dienst als een geïnternaliseerde ‘stigmergie’.

We kunnen het netwerk – het publiek dus – opsplitsen in twee deelnetwerken, waardoor er twee deelbreinen ontstaan. Deze twee breinsystemen schrijven dingen naar elkaar – ze zijn verbonden door hun drang naar communicatie en competitie. Tegelijkertijd verschijnen twee acteurs in de ruimte. De ‘publieksbreinen’ pikken al snel op dat ze elk een acteur kunnen controleren, zoals een avatar of een marionet, en zo de acteur van het andere netwerk en zijn omgeving kunnen beïnvloeden. De acteurs zullen zeggen of doen wat de publieksbreinen denken en schrijven.

Verschillende feedbacklussen worden zo zichtbaar: tussen de acteurs, de twee publieksbreinen en de tekst. En zoals dat gaat in een feedbacklus, leidt elke actie tot een volgende actie – een voorwaarde om complexiteit en aanpassing te laten ontstaan.

Het probleem dat zich nu stelt voor het brein, het publiek dus, en voor mezelf als maker, is hoe het publieksbrein zo te coördineren zodat ze samen kunnen denken en een voorstelling kunnen maken, of een probleem kunnen oplossen, waarvan het geheel groter is dan de individuele delen. Iets wat effectief zou lijken op De wijsheid (of de waanzin) van de massa’s.

Een uitgebreide geest

Uit het geheel van deze geest ontstaat zo een performance. Bovendien merken we bij het creëren van de ‘theatergeest als complex aanpassings-systeem’ dat die geest grote gelijkenissen vertoont met onze samenleving. Om Bateson nogmaals te citeren:

‘Let me list what seem to me to be those essential minimal characteristics of a system, which I will accept as characteristics of mind:

  • The system shall operate with and upon differences.
  • The system shall consist of closed loops or networks of pathways along which differences and transforms of differences shall be transmitted. (What is transmitted on a neuron is not an impulse, it is news of a difference.)
  • Many events within the system shall be energized by the respondent part rather than by impact from the triggering part.
  • The system shall show self-correctiveness in the direction of homeostasis and/or in the direction of runaway. Self-correctiveness implies trial and error. Now, these minimal characteristics of mind are generated whenever and wherever the appropriate circuit structure of causal loops exists. Mind is a necessary, an inevitable function of the appropriate complexity, wherever that complexity occurs. But that complexity occurs in a great many other places besides the inside of my head and yours. […] let me say that a redwood forest or a coral reef with its aggregate of organisms interlocking in their relationships has the necessary general structure. […] A human society is like this with closed loops of causation. Every human organization shows both the selfcorrective characteristic and has the potentiality for runaway.’11Gregory Bateson, Steps to an Ecology of Mind, p. 488

Wat blijkt nu? De geest en complexe adaptieve systemen zijn gelijk aan elkaar. Het theater als een complex adaptief systeem, is dus een geest. De elementen die evolueren en de geest zijn hetzelfde – beide blijken, in de ruimste zin, in te staan voor het in stand houden en het ontwikkelen van verschillen en verschillencomplexen in netwerken.

theater = complex systeem = geest = evolutie

Onze geest is een schaalmodel, een miniatuurstukje van het patroon dat doorheen de hele wereld terugkeert – en geen afspiegeling van de wereld. Hetzelfde geldt voor het theater.

Het theater als een complex systeem, als een geest, als evolutie, wordt een vergrootglas – zowel voor toneelgangers als voor wetenschappers – om deze heerlijke nieuwe systemische wereld mee te bekijken, vorm te geven en te bestuderen. Zoals systeembioloog Hans Westerhoff (professor in de synthetische systeembiologie aan de Universiteit Amsterdam) al zei: echte complexe systemen zijn onbegrijpelijk voor de individuele menselijke geest. Maar als we meerdere geesten samenvoegen dan wordt het misschien wél mogelijk om zo’n systeem van binnenuit te bouwen en te begrijpen. Het bewustzijn verliest wat van zijn mysterieuze waas wanneer we zien dat het deel uitmaakt van een netwerk en dat dat netwerk – net als het theater –v erder reikt dan de individuele acteur of toeschouwer: het omvat het hele systeem. Bewustzijn is dan ook een eigenschap van het geheel, collectief gecreëerd en vervolgens afgeleid en verspreid naar elk onderdeel, elk individu, dat dan weer in dezelfde termen uitdrukking geeft aan het geheel: ik, jij, wij, het.

‘Nobody is really in control, so we give up control, then it turns out that what I really want is what you want.
And I don’t know what you want.
Surprise me.’ (Alan Watts)

 

Met dank aan:
Francis Heylighen, wiens lezingenreeks Cognitive Systems aan de Vrije Universiteit Brussel van onschatbare waarde is geweest voor de totstandkoming van dit essay – net als onze gesprekken. Ook dank aan Sandra Stanionyte en Katarina Petrovicˇ.

The Wisdom of Crowds
Frascati, Amsterdam, 14-17 maart 2018

 

Francis Heylighen, Cognitive Systems: a cybernetic perspective on the new science of the mind (lesnotities 2014- 2015, ECCO: Evolution, Complexity and Cognition, Vrije Universiteit Brussel).
Daniel Dennett, Consciousness Explained, Little, Brown and Co., 1991.
David Bohm, Wholeness and the Implicate Order, Routledge, 1980.
David Bohm, Thought as a System, Routledge, 1992.
Gregory Bateson, Steps to an Ecology of Mind, University of Chicago Press, 1978.
Alan Watts, Nature, Man, Woman, Vintage Books, 1958.
Francisco J. Varela, Evan Thompson en Eleanor Rosch, The Embodied Mind: Cognitive Science and Human Experience, Massachusetts Institute of Technology, 1993.
James Surowiecki, The Wisdom of Crowds, Doubleday, Anchor, 2004.

Je kan hier de tekstversie met illustraties van Orion Maxted bekijken.

essay
Leestijd 14 — 17 minuten

Orion Maxted

Orion Maxted is performance- en theatermaker. Hij studeerde informatica voordat hij een opleiding muziek en performance aanvatte. Hij behaalde een master in Theater aan DAS (officieel DasArts). Hij werkt regelmatig samen met het departement Systeembiologie aan de Universiteit van Amsterdam en is artistiek lid van de onderzoeksgroep Evolution, Complexity and Cognition aan de Vrije Universiteit Brussel. Orion wordt ondersteund door Frascati Producties, Amsterdam.

essay