Creatief met semantiek: een kritische doorlichting van de Visienota Kunsten

Vokabularium Van tegenframen naar herframen

Naar aanleiding van Robrecht Vanderbeekens nieuwe boek Buy Buy Art. Over de vermarkting van kunst en cultuur (uitgeverij EPO) publiceren we nog een keer zijn bijdrage aan Etcetera’s onderzoek naar het vocabularium waarmee de (podium)kunsten vandaag worden gewikt en gewogen. Deze bijdrage werd gedrukt in Etcetera nummer 141.

Sinds Aristoteles weten we dat de mens zowel een talig als een politiek wezen is en dat deze twee eigenschappen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Woorden zijn politiek en vice versa. Onze taal is daarom allesbehalve neutraal. Ze bepaalt hoe we de wereld zien en vormgeven. Etcetera mengt zich in de taalstrijd en neemt de komende nummers het vocabularium onder de loep waarmee de (podium)kunsten vandaag worden gewikt en gewogen. Welke (ideologische) woorden sturen het huidige cultuurdebat en de artistieke creatie? Welke termen hebben een vergiftigde invulling gekregen of zijn uitgehold door overgebruik? Zijn er artistieke tendensen en/of fenomenen waar we nog geen woorden voor hebben? En zijn we in staat onze realiteit zelf te creëren door een proactieve woordenschat te ontwikkelen?

Onderstaande tekst is een eerste stap in dit traject. Hij formuleert voornamelijk een antwoord op de eerste twee vragen en opent misschien al een deur naar het uitdenken van nieuwe betekenissen. In reactie op de Strategische Visienota Kunsten die op 1 april 2015 publiek gemaakt werd, stelt filosoof Robrecht Vanderbeeken vast dat het cultuurbeleid zich steeds verder ent op de marktlogica. Hij trekt ten strijde tegen het ‘There Is No Alternative’-devies en ontmaskert de lege doos achter het economische plaatje. Weg met die ‘onzichtbare hand’, met dat spook van de markt, wij willen een echte visie. Op tafel, op papier en in woorden. De vraag is of de Visienotie een echte visie toelaat.

Hoe beginnen we aan dat uitdenken van een alternatieve cultuurpolitiek, een die vertrekt vanuit de kunstwereld zelf? De cultuursector heeft maanden uitgekeken naar de eerste Strategische Visienota Kunsten, die als leidraad dient voor de concrete invulling van het nieuwe Kunstendecreet. Ondanks de adviezen uit het veld die de minister in acht genomen heeft, stemt de nota alles behalve hoopvol. Over het zwaard van Damocles – de gefaseerde saneringen – wordt niet gerept. Die stilte trekt een lange schaduw over elke zin uit de nota. Er zullen instellingen verdwijnen, lezen we. Welke? Hoeveel? Het is een open vraag waarmee de sector aan de leiband ligt tot 2016. ‘De grens van het huidige subsidiemodel is bereikt’, declareert minister Sven Gatz (Open vld). Plots is er sprake van ‘overproductie’. Nochtans prijst ook dit beleid als vanouds de rijkdom, diversiteit en ‘fijnmazigheid’ van ons kunstenveld. Tegenspraak troef. Instellingen worden aangespoord om ‘clusters en fusies’ te vormen. Daarmee wordt de sector onder het mom van samenwerking verzocht alvast zelf te saneren. Dat verlaagt binnenkort de kans op liquidatie. Maar ‘samenwerken’ is een hol dictaat als er voorafgaand niet naar noden of inhoud wordt gekeken. Ook het woord ‘synergie’ doet in de Visienota dienst als eufemisme voor sanering. Je hoort het: de beleidscultuur van ons cultuurbeleid is er in de eerste plaats een van woordspelletjes: creatief met semantiek. We spreken dezelfde woorden maar bedoelen er wel iets helemaal anders mee.

Op een streven naar privatisering en vermarkting na, blinkt deze visienota uit in precies een gebrek aan visie, hoewel volgens de minister ‘cultuurbeleid niet alleen over centen mag gaan’. Dat klinkt behoorlijk vals als je de ene besparing na de andere uitrolt. Net daarom is het belangrijk in de eerste plaats nadrukkelijk aandacht te hebben voor de economische agenda van deze rechts-liberale regering en haar cultuurminister. Wat centen betreft, verwijst Gatz ons alvast door: hij belooft dat er een Witboek voor alternatieve financiering volgt, een draaiboek voor de uitverkoop zeg maar. Hij noemt het liever: de sector ‘beleidsdomeinoverschrijdend versterken’ of ‘de samenleving nauwer betrekken’. Samenwerken: dat is nu het nieuwe credo. ‘Er mag wat meer fitness zijn’, klonk het even terug nog…

Laten we inderdaad samenwerken. Te beginnen met een discoursanalyse van het ministeriële jargon. Op uitnodiging van Etcetera werk ik graag mee om samen enkele onschuldige woorden ondersteboven te keren. Woorden zijn macht, machthebbers proberen er greep op te krijgen door ze te verdraaien en voor hun kar te spannen. Als weerwoord vinden sommigen dat we beter beleidstaal vermijden en een eigen woordenschat aanleggen: leren spreken in een eigen taal, smetvrij. Met als voorspelbaar risico dat we, veld versus beleid, naast elkaar praten. Laat ons eerst eens bekijken welke woordenschat ons vanuit de nota opgedrongen wordt en hoe we de betekenis van een aantal termen kunnen ontmaskeren, alvorens hen in een volgend stadium weer met eigen waarden te proberen invullen.

Exclusiviteit

Zowel in de beleidsnota als in de Visienota lezen we: ‘Kunst is te belangrijk om een exclusieve bevoegdheid van de overheid alleen te zijn. Kunst is van en voor ons allemaal.’ Maar over welke exclusiviteit gaat het hier eigenlijk? Is er dan vandaag géén kunstmarkt, géén amusementsindustrie of géén eigen initiatief? Géén private mediaconcerns, géén vtm, Hollywood, Disneyland of Studio 100? Met deze boutade zit Gatz op één lijn met Jo Libeer, de gedelegeerd bestuurder van de werkgeversorganisatie Voka, die graag in de media herhaalt dat ‘die gescheiden werelden’ van kunst en bedrijfsleven ‘niet zodanig mogen verkokeren dat we geen raakpunten meer zien’. Met zulk een beeldvorming lijkt de verdere vermarkting een zegen in plaats van een vloek.

Het omgekeerde is waar: er is nood aan democratische vrijplaatsen voor kunst en cultuur die beschermen tegen de oprukkende vermarkting (inclusief het marktdenken in de publieke sector). Opdat de sector geen exclusieve, private aangelegenheid wordt, maar wel iets van en voor ons allemaal. Onze bezorgdheid zou vandaag dus moeten zijn: ‘Kunst is te belangrijk om een exclusieve bevoegdheid van de markt alleen te worden.’ Want kunst moet ook alleen over de kunst zelf kunnen gaan, niet over recordprijzen of de kunstenaar als vliegwiel voor de economie.

Marktfalen

Wat de minister bedoelt met het ‘vermijden van exclusiviteit’ komt neer op het primaat van de markt. Of liever: het primaat van het marktfalen. Ook dat is zo’n scheefgetrokken term. Het zou betekenen dat de overheid alleen daar moet bijspringen waar de markt geen winst kan maken. Het betekent ook dat de openbare dienstverlening moet wijken zodra de markt het kan overnemen, zogenaamd om ‘concurrentievervalsing’ te vermijden. Want niets mag de markt in de weg worden gelegd.

Maar door zo over de verhouding tussen publiek en privaat te denken, duw je het publieke in een ondergeschikte rol. Tevens lijkt het alsof wat de markt doet dan sowieso goed is. Je bestendigt er bovendien een onrecht mee, namelijk de socialisering van de kosten en de privatisering van de winst. Want zodra een creatieve ontwikkeling rendabel wordt, moeten private belangen het overpakken. De overheid mag alleen zorgen voor wat precair en niet ‘succesvol’ is? Logisch bijgevolg dan dat wat de markt doet, populair lijkt.

Laten we ons taalgebruik bijstellen: marktfalen verwijst niet zozeer naar wat de markt niet doet, waar ze niet aan toe komt bij gebrek aan winstbelofte, maar naar wat ze doet. Met name, haar intrinsiek falen: drainage van experiment, reductie van diversiteit, kunst herleiden tot koopwaar, kunstenaars tot merken, kunstliefhebbers tot consumenten, de transformatie van het kunstenveld tot een gesloten arena van competitie tussen winnaars en verliezers, van uitbuiting, ongelijkheid en vervreemding…

Landschapszorger

Gatz spreekt in termen van een ‘duurzame’ relatie tussen privaat en publiek. ‘Voor een bevredigend resultaat op lange termijn is een sterk begeleidende en stimulerende overgangsperiode nodig’, stelt de Visienota. Dat staat er zo: een overgangsperiode. Om private belangen meer armslag te geven, moet er nu eerst extra ‘gestimuleerd’ worden. Met als doel een aflossing van de wacht. Wat wordt bedoeld is dat, aldus de minister, de overheid niet langer garant kan staan voor ondersteuning. Duurzaamheid betekent dan: zorgen dat de sector zoveel mogelijk financieel zelfbedruipend wordt. Gatz zegt het poëtischer: ‘Ik zie het landschap als een systeem dat zichzelf reguleert, maar waar de overheid als “landschapszorger” de juiste voorwaarden creëert en samen met de sector, de omgevingswijzigingen monitort.’

Maar kan er wel sprake zijn van zelfregulering als de kunstwereld voortdurend rekenschap moet geven aan niet-artistieke belangen? Een zelfregulering in het belang van de kunsten is alleen mogelijk mits de garantie van publieke ondersteuning op lange termijn. En een overheid die ervoor zorgt dat de markt op een armslengte afstand blijft. Kan zelfregulering duurzaam zijn, als je afhankelijk bent van een opbod aan sponsors en de grillen van de kunstmarkt? Om het in de taal van bos- en landschapsbeheer te zeggen: de stroper wordt hier verward met de boswachter. Zorg voor het landschap betekent daarentegen het cultiveren en beschermen van de voedingsbodem ervan, ecocultuur, in het belang van innovatie. Daarmee bedoelen we dan artistieke innovatie, geen economische.

Landschapszorg vereist bijgevolg het tegenovergestelde van wat de Visienota beoogt. Ons beleid zou er goed aan doen de kunstmarkt eindelijk wat te reguleren: speculatie belasten, de toenemende ontwrichting door ‘bedrijfsmecenaat’ aanpakken door transparantie te eisen en zo de witwaspraktijken te bestrijden… Kortom, een wettelijk kader opleggen dat in elke andere markt wél al van toepassing is. Of aansturen op een herverdeling. Waarom zou de winst die de kunstmarkt maakt op kap van de kunstenaar, niet wat mogen bijdragen aan de ondersteuning van artistiek talent en nieuwe initiatieven? Hoewel het idee van een democratische, publieke dienstverlening een evidentie is, dreigen we vandaag door allerhande spraakverwarring de vanzelfsprekendheid ervan te vergeten.

En-enmodel

‘Om kwaliteitsvol te kunnen werken, bestaat de inkomstenstructuur van beeldende kunstenaars steeds uit een en-enstructuur’, stelt de Visienota. Gatz promoot nadrukkelijk ‘een volwaardig partnerschap tussen publieke en private financiering’ en ziet het als ‘een win-win voor beide partijen’. Het lijkt alsof de minister alleen maar het beste van twee werelden wil combineren. Maar als we in rekenschap nemen dat de bestaande toestand reeds een en-ensituatie is – met huizen en kunstenaars die (verplicht) eigen inkomsten genereren en met een publieke cultuursector naast de kunstmarkt, creatieve industrie enzovoort – wordt duidelijk dat Gatz zijn voornemen om naar een ‘volwaardig partnerschap’ toe te werken op exact het tegenovergestelde aanstuurt: een opheffing van het onderscheid en evenwicht tussen die twee werelden.

Gevolg: een verlies voor de publieke sector – die wordt méér van hetzelfde van wat elders al in aanbieding is – en verlies voor bijvoorbeeld de kunstmarkt, want die heeft een sterke en autonome publieke sector nodig waar het gewoon over kunst mag gaan, ongeacht wat het kost en of er al dan niet mee te verdienen valt. Kunst wordt immers slechts voor veel geld gekocht vanuit het symbolische geloof dat het net méér is dan louter koopwaar. Daarom moeten we, net in het belang van een en-enmodel, eenheidsworst vermijden.

Cultural governance

Nog eentje: de Visienota benadrukt herhaaldelijk de nood aan ‘cultural governance als hefboom tot professionalisering’, alsof kunstenaars en organisaties niet ondernemend genoeg zijn. Ook kunstenaars moeten ‘zo vroeg mogelijk in contact worden gebracht met ondernemerschap’. Wat wordt bedoeld is dat ‘de toegang gestimuleerd moet worden tot een grotere pool van private middelen’. Kortom, wie het niet bereddert, moet dat zichzelf verwijten. De vermarkting vormt voor de minister geen probleem omdat hij de cultuursector reeds als een markt opvat. In de Visienota lezen we bijvoorbeeld dat dans in het buitenland ‘een afzetmarkt’ moet vinden; fiscale aftrekken onder de vorm van een kunstkoopregeling moeten ‘de markt impulsen geven’; toegangsgeld heet ‘marktinkomsten’. Enzovoort.

Laten we ondernemersgewijs de mouwen oprollen en de economische huishouding van kunst en cultuur van een taalbad voorzien. Als van kunstenaars dan toch de maatschappelijke rol van voorhoede wordt verwacht, laat hun sector er dan een zijn waarin met een alternatieve organisatie geëxperimenteerd wordt: een labo waarin we onze huishoudkunde (naar de etymologische oorsprong van economie) zelf in handen nemen. Hierin ligt voor cultural governance een rol weggelegd. Om te dromen en om oplossingsgerichte praktijken te ontwikkelen. Prefiguraties van een andere wereld. Marcel Duchamp wees er al op dat kunst etymologisch ‘iets doen’ betekent eerder dan ‘iets maken’. Dus ook in deze zoektocht zit een creatieve uitdaging: hoe gezamenlijk overleggen en tot besluitvorming komen, hoe binnen een collectieve context in ruil en samenwerking voorzien, hoe de condities van samen werken en leven rechtvaardig en creatief vormgeven enzovoort. En bovenal, hoe kan de autonome kunstenaar zijn of haar onafhankelijkheid van de dwingelandij van de markt verhogen, om daadwerkelijk soeverein te zijn? Vrij van de dictaten van private actoren, maar ook vrij van de marktlogica waarvan onze sector stilaan doordrongen raakt.

Dit experimenteel onderzoek is naast contemplatie vooral ook een transformatieve kracht. Hier, in die praktijk, schuilt een belangrijke politiserende potentie voor de cultuursector, in de constructieve en offensieve betekenis van dat woord. Een met een ander venster op onze wereld, dat ook een venster op een andere wereld is. Hier gaat het om veldwerk van de verbeelding, iets waarbij het politieke veld in de leer kan gaan. Waarom zou de kunstensector geen creatief vliegwiel kunnen zijn om uit de neoliberale tijdsgeest van concurrentie en profijtigheid te ontsnappen? Dat zou pas innovatie zijn. Waarom zouden we moeten aanvaarden dat onze huidige cultuurpolitiek de neoliberale symptomen versterkt? Onderbouw bepaalt bovenbouw: laten we niet alleen in woorden, maar vooral ook in de praktijk aan alternatieven werken. Dat is de beste remedie tegen de cultuurpolitieke spraakverwarring uit bovenstaande woordenlijst

essay
Leestijd 8 — 11 minuten

Robrecht Vanderbeeken

Robrecht Vanderbeeken is filosoof. Hij schrijft over kunst, ideologiekritiek, wetenschap en filosofie voor verschillende tijdschriften. In 2015 verschijnt bij epo zijn boek Buy Buy Art. Over de vermarkting van kunst en cultuur.