Parker Bright protesteert tegen ‘Open Casket’ van Dana Schutz © ScottW.H.Young (@HEISCOTT viaTwitter)

Tunde Adefioye

Leestijd 4 — 7 minuten

Het centrum continu verplaatsen

Pleidooi voor een hernieuwde podiumkunstkritiek

Podiumkunst en kunstkritiek brengen elkaar voort: welke artistieke vormen steun en zichtbaarheid krijgen, hangt sterk samen met hoe er waarde aan wordt toegekend (of niet), en door wie dat gebeurt. Sinds ik in België woon, heb ik gemerkt hoezeer critici worstelen met het werk van theatermakers met een migratieachtergrond, specifieker artiesten van kleur.

  • What comes first: the egg or the chicken?
  • I often get the impression the egg is already scrambled before it arrives.

De onwennigheid van critici manifesteert zich op verschillende manieren. Soms schieten de analyses en oordelen van recensenten tekort omdat een voorstelling niet helemaal past binnen de culturele en historische kaders waarmee ze vertrouwd zijn. Hun opgebouwde kennis en kwaliteitscriteria rijmen dan maar moeilijk met wat op het podium te zien is. Anderzijds plaatsen ze podiumkunstenaars juist te veel in de hoek van de ‘andere cultuur’, waardoor ze de eigenlijke hybriditeit van hun referenties uit het oog verliezen. Zo merkte niemand op hoezeer Sachli Gholamalizads (Not) my paradise (2016) schatplichtig was aan het cinematografische oeuvre van Chantal Akerman. Als Belgische met Iraanse roots beschikt Gholamalizad natuurlijk over een breed palet aan invloeden.

Tegelijkertijd wordt het werk van makers met een migratieachtergrond ook wel eens navelstaarderig genoemd, want te veel gericht op het eigen leven, de eigen issues. Die kritiek is off-target, als je het mij vraagt. In een dubbelinterview met Rachida Lamrabet in De Morgen kwam theatermaker Chokri Ben Chikha onlangs scherp uit de hoek: ‘Claus schreef ook autobiografisch. Men stelde hem toch niet constant de vraag: moet dat nu wéér over de oorlog gaan?’
Enzovoort. Soms blijft het water erg diep tussen kunstenaars en critici.

‘Vorm’ en ‘inhoud’ als struikelblokken

Toen Reizen Jihad (2015), het in mijn ogen baanbrekende stuk van SINCOLLECTIEF over Syriëstrijders, nogal lauw werd gerecenseerd door Filip Tielens en Els Van Steenberghe, ontlokte dat protest uit bij een aantal mensen, onder wie Patrick De Groote van de Zomer van Antwerpen. Kort daarna verdedigde Evelyne Coussens in Etcetera haar twee collega’s, die volgens haar enkel kritiek hadden geuit op een ‘gebrek aan verbeeldingskracht’ bij de makers – wat op zich niets afdeed aan de maatschappelijke urgentie van het onderwerp dat in de voorstelling werd behandeld. ‘Steeds vaker’, zo schreef ze, ‘lijkt de kritiek op een kunstwerk samen te vallen met de goedkeuring of afwijzing van zijn boodschap.’

Ik stel me vragen bij dat scherpe onderscheid tussen ‘vorm’ en ‘inhoud’, of ‘kunstwerk’ en ‘boodschap’. In plaats van of/of kan het toch en/en zijn? Critici laten wat mij betreft best beide aspecten, die eigenlijk onlosmakelijk verbonden zijn, in hun oordeel doorwegen.

Bovendien, wie vorm boven inhoud plaatst, glijdt soms af naar een bijzonder kwalijke versie van de art for art’s sake-opvatting. Je zou Coussens’ stelling immers kunnen omdraaien en beweren dat een stuk een goed kunstwerk kan zijn, ondanks de bedenkelijke boodschap die het bevat. Neem nu Ne swarte (2016) van Jan Decorte. Ik herinner me hoe ver de recensie in Knack van mijn realiteit stond. Ja, het decor was minimalistisch
 en mooi, maar wat in die theaterzaal plaatsvond was pure agressie. Het opzichtige gebruik van het swastikateken, het eindeloze vernoemen van het n-woord en de omschrijving van Othello als ‘aap’ door de vingers zien, was niet voor iedereen in de zaal even gemakkelijk, althans niet voor mij.

“Chokri Ben Chikha zei terecht: Claus schreef ook autobiografisch. Men stelde hem toch niet constant de vraag: moet dat nu wéér over
 de oorlog gaan?”

Je zou kunnen zeggen: ‘Ja, maar zo heeft de Bard het gewild!’ Maar de vraag is: wat willen wij, vandaag, in deze wereld, met politici als Trump in de Verenigde Staten, Geert Wilders in Nederland en Theo Francken in België?

‘(Not) my paradise’, Sachli Gholamalizad / KVS © Danny Willems

Kritische lichtpuntjes

Begrijp me niet verkeerd. Het is niet allemaal kommer en kwel in het land van de podiumkunstkritiek. Mensen als Orlando Verde, Charlotte De Somviele, Wouter Hillaert, Carolina Maciel de França en Ciska Hoet tonen dat het anders kan. Die laatste durfde het aan om voorbij de hype van Risjaar Drei (2017) te kijken en de zwakke vrouwenrollen in de voorstelling aan te klagen: ‘Van hedendaagse makers mag men toch verwachten dat ze de man-vrouwverhouding uit klassiek repertoire op zijn minst creatief bevragen?’ Het kwam haar niet enkel op applaus, maar ook op heel wat afwijzende commentaren te staan.

“Neem nu ‘Ne swarte’ van
 Jan Decorte. Ja, het decor was minimalistisch en mooi, maar
 wat in die theaterzaal plaatsvond was pure agressie.”

Van critici, net als van kunstenaars overigens, verwacht ik dat ze niet alleen oog hebben voor relevante sociale theorieën, zoals het feminisme. Ook houden ze best rekening met de relatie tussen een kunstwerk en zijn concrete maatschappelijke context. Zo voerde de zwarte kunstenaar Parker Bright een hoogst eenvoudige maar vlijmscherpe kunstkritische interventie uit tijdens de Whitney Biennial vorig jaar: hij ging met een T-shirt met het opschrift ‘Black Death Spectacle’ voor Dana Schutz’ portretschilderij van de gruwelijk vermoorde zwarte jongen Emmett Till staan. Zijn actie plaatste vraagtekens bij de manier waarop een witte kunstenares en een kunstinstelling, waarin mensen van kleur opvallend afwezig zijn, zich racistisch geweld tegen zwarte gemeenschappen hadden toegeëigend, zonder de dialoog met die gemeenschappen aan te gaan.

Crash course dekolonisering

Ondanks die lichtpuntjes heeft de kunstkritiek nog een lange weg te gaan. Hoe kunnen we een recensentenkorps creëren dat beter aangepast is aan onze tijd? Dat het huidige, zo goed als exclusief witte clubje wat meer kleur en inclusiviteit kan gebruiken spreekt voor zich.

We hebben dringend nood aan een vermenigvuldiging van soorten stemmen, een vermenigvuldiging van kwaliteitscriteria, een vermenigvuldiging van opvattingen over wat goed theater is.

De huidige clubleden raad ik alvast een crash course dekolonisering aan. Binnen zo’n cursus zou Nadia Fadil over postkolonialisme kunnen doceren, Olivia Umurerwa Rutazibwa over whiteness en decoloniality, Joachim Ben Yakoub over oriëntalisme, Gloria Wekker over white innocence en intersectionaliteit; enzovoort. En waarom geen collectieve leessessie van het boek Black Looks van bell hooks organiseren? Dat zou alvast een oké begin zijn. De vraag stellen: ‘Hoe kan ik me beter informeren? Hoe kan ik mijn eigen denken dekoloniseren, zonder de ondervertegenwoordigde en gemarginaliseerde groep te vragen om dat voor mij te doen?’ Daar ligt een belangrijke uitdaging voor critici in België en daarbuiten.

Beste Bewakers van het Koninkrijk van het Goede Theater, zetten jullie een stapje opzij? Laten jullie 
de hangbrug neer? We kunnen ons samen laten inspireren door de wijze woorden van Elsa Barkley Brown, die schreef:

All people can learn to center in another experience, validate it, and judge it by its own standards without need of comparison or need to adopt that framework as their own’. In such politics, […] “one has only to constantly, appropriately, ‘pivot the center’.”11Hill Collins, P. (2000). Black Feminist Thought. Knowledge, Consciousness, and the Politics of Empowerment. P. 270. New York en Londen, Routledge.

Ja. Enkel door het centrum te verplaatsen, steeds opnieuw, kunnen nieuwe kritische perspectieven op de podiumkunsten ruimte krijgen en kan er een andere, meer inclusieve canon ontstaan.

statement
Leestijd 4 — 7 minuten

Tunde Adefioye

Tunde Adefioye is stadsdramaturg van de KVS.

statement