BOG – OER. Een oefening

Niet denken!  (Verdorie, mislukt.)

Ik word altijd een beetje wantrouwig wanneer een voorstelling zichzelf een ‘oefening’ noemt – het klinkt als een voorafname op een mislukking, en zeg niet dat de makers ons niet hebben verwittigd. In het geval van OER, van de Vlaams-Nederlandse ‘collectie’ theatermakers BOG, mislukt de oefening inderdaad grandioos, maar dan bedoel ik op grandioze wijze, want de mislukking van de poging om niet te denken – dat is de inzet – leidt tot een bloedmooie en uiterst reflectieve voorstelling.

OER presenteert zich als een poging om het denken uit te schakelen en louter te zijn, één te zijn met de weidse natuur waarin de voorstelling speelt (neen, niet ‘speelt’, ‘is’), en in veel perscommentaren werden de drie associatieve monologen van Benjamin Moen, Judith de Joode en Lisa Verbelen benoemd als streams of consciousness – maar het articuleren van gedachten gebeurt live allerminst à l’improviste, zoals bijvoorbeeld in Sarah Vanhees Turning Turning, a choreography of thoughts wel het geval was. De teksten die we horen zijn geen uitdrukking van wat de performers op dat moment zien en beleven, integendeel, ze liggen netjes vast, zijn grondig doordacht, ingestudeerd en zelfs uitgegeven door de Nieuwe Toneelbibliotheek. Daarmee strandt de oefening in niet-denken ironisch genoeg van bij aanvang al in een zeer bedacht concept, maar dat geeft niet, want dit is theater: het doet nooit wat het belooft. Of wacht eens: misschien betreft het oefenen niet zozeer de makers, als wel het publiek? Zo start OER in ieder geval, met een disclaimer in pancartes: De Joode en Verbelen manen het publiek via geschreven bordjes aan hun verwachtingen te vergeten en zich over te geven aan het moment zelf – aan het nu. Nu!

De teksten, afzonderlijk geschreven door Moen, de Joode en Verbelen, onderzoeken elk op een eigen, gevoelige manier de verhouding van het denken en de onafscheidelijke taalcomponent die aan dat denken vastzit tot respectievelijk de tijd, de realiteit en het voelen. In zekere zin bevat die volgorde een hiërarchie van abstract-filosofisch naar concreet-persoonlijk, en dat klopt ook met de enscenering. Moen start als eerste, ver weg en bijna onzichtbaar in het duinenlandschap. Enkel zijn woorden bereiken ons, terwijl zijn persoontje aan de horizon volstrekt onbelangrijk lijkt. De Joode komt een stuk dichterbij, zandbergen op’ en afklauterend, terwijl Verbelen tenslotte neus aan neus met het publiek staat. Tussen de drie monologen weven zich subtiele draadjes van echo en herhaling, waardoor deze drie zeer particuliere ‘bekentenissen’ toch opgetild worden tot de worsteling van een groep, een generatie – de echo’s breiden zich trouwens moeiteloos uit naar het werk van generatiegenoten als Freek Vielen, Rebekka de Wit of Hof van Eede.

Deze generatie lijkt in de eerste plaats te worstelen met de betekenis van zijn ‘ik’ in het grotere geheel. De monologen spreken alle drie over ‘vastzitten’ of ‘gevangen zitten’ (in de tijd, in hun ego…), terwijl het blijkbaar hun grootste verlangen is om de platoonse scheiding van lijf en geest te vernietigen, een te worden met de omgeving door enkel nog lichaam te zijn. Te veel denken staat volgens Moen het handelen in de weg, dus wat wordt nagestreefd is ‘pure ervaring zonder denken’. Bij Verbelen leeft vooral het verlangen om voorbij te gaan aan de eigen particulariteit, om zichzelf te kunnen delen en waarlijk tot bij een ander te komen. Tegelijkertijd – want iedere monoloog is eigenlijk een dialoog met zichzelf (bij Moen, die ‘alleen’ is) of met het publiek (Verbelen, die toeschouwers heeft) – schrikt de spreker terug voor zoveel genotvol zelfverlies, wordt de uniciteit van het eigen ‘ik’ en zelfs de eigen superioriteit benadrukt, waarna daarover vervolgens weer een schuldgevoel opduikt. Inderdaad, voor een oefening in niet-denken wordt er bijzonder veel getobd. De sprekers bekritiseren hun eigen woorden, evalueren voortdurend de zwaarte, de lichtheid, de lading ervan.

Een tweede heikel punt is het gekmakende besef van een ‘mogelijkheidszin’ – de Franse auteur Georges Perec dient daarbij als leidraad –: de idee dat de realiteit maar één versie is van wat zou kunnen zijn, en dat alles wat is ook anders kan zijn, omdat het anders kan gedacht worden. Moen doet een geestig experiment in dat ‘anders denken’ van de wereld, en de levendige en absurdistisch verregaande beschrijving van een veld vol blauwe duiven bewijst zijn gelijk: op het moment dat hij het beeld maakt, beschrijft, zie je de fantasie voor je, is dat veld er heel even écht – omdat wat in taal kan worden gevat nu eenmaal bestaat. Bij de Joode, die de meest ritmische tekst van de drie heeft geschreven (het gaat bij momenten op naar Van Ostaijen) komen echter ook de dubbelzinnige krachten van de taal tegenover de realiteit bovendrijven: taal creëert weliswaar die realiteit, maar terzelfdertijd is een woord niet in staat om de idee erachter ooit helemaal te vatten: Ooooo arme woorden/arme arme woorden/stukjes luchtverplaatsing/Ik geef ze nog één kans/Ik hou de woorden in mijn armen en leg ze/ thuis in de kast,/voor later, je weet maar nooit. Bij Verbelen tenslotte, die het over liefde en menselijke relaties heeft en zichzelf geregeld afserveert als ‘sentimenteel’, is de conclusie gelijklopend: er valt niets te begrijpen, enkel iets te ervaren. De mogelijkheden van dat ervaren zijn onuitputtelijk, maar het is het denken, het zijn die verdomde woorden die grenzen van interpretatie opleggen – en daar komt Susan Sontag even om de hoek piepen.

Het denken zet vast én bevrijdt, zo is het, want de dingen zijn nu eenmaal paradoxaal, zoals BOG meermaals moet erkennen. In elke tekst zijn overigens ook nogal wat ‘grote thema’s van deze tijd te onderscheiden: de present shock van een door social media aangevuurd en eeuwigdurend ‘nu’, de globalisering en digitalisering, de ecologische uitdagingen, de vluchtlingenproblematiek… maar ze broeien onder de woorden zonder er ooit doorheen te breken. We blijven in het schijnbaar volstrekt particuliere oogpunt steken van die ene ‘ik’ die aan het woord is. Percussionist Lucas Kamer begeleidt de woordenstromen met soms dienstbare, soms dwingende ritmes. Hij zit rechts van het speelveld in een glazen box, die bij aanvang van de voorstelling met rook wordt gevuld, alsof hij de pthia is, de mythische priesteres van het orakel van Apollo, die zich door kruidige walmen liet bedwelmen om de toekomst te lezen. In het weidse landschap liggen verder drie enorme geometrische figuren, die een soort ultieme simpelheid verbeelden, alsof de wereld toch maar gewoon een blokkendoos is, bestaande uit een blauw vierkant, een rode driehoek en een gele cirkel.

BOG wordt zo langzamerhand een meester in het bedenken van deze ‘simpele’ theatrale concepten, vertegenwoordigd door de al even rudimentaire drieletterwoorden van hun titels (BOG, MEN, GOD, DAM, …) De voorstellingen zijn niet simpel in die zin dat ze de realiteit verkleuteren, of in eenvoudige schema’s de werkelijkheid proberen te vatten, maar dat ze integendeel van een wereld met een enorme complexiteit de essentie weten te raken. En als taal de werkelijkheid vormgeeft, dat komt BOG met essentiële taalbeelden als GOD, MEN of DAM tot even essentiële voorstellingen. Zoals ook in dit geval weer, met OER.

Belgische première – 1 tem 4 augustus op Theater aan zee

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.