Etcetera Magazine. Tijdschrift voor podiumkunsten.

In between violet and green - Atelier Bildraum & Thomas Smetryns

© Fred Debrock

In between violet and green - Atelier Bildraum & Thomas Smetryns

Vincent Focquet

In between violet and green - Atelier Bildraum & Thomas Smetryns 

Tijdens het schilderen van Les Nymphéas moet Monet urenlang met kinderlijke verwondering naar zijn vijver in Giverny hebben gekeken. Met eenzelfde verwondering heeft Atelier Bildraum een geheel eigen universum gecreëerd op de klanken van Thomas Smetryns. Ook ik word gegrepen door een gevoel van fascinatie tijdens het kijken naar In between violet and green.

 

Atelier Bildraum bestaat uit fotografe Charlottte Bouckaert en architect Steve Salembier die buiten de veilige grenzen van hun eigen discipline op zoek gaan naar een beeldtaal voor het theater. Twee seizoenen lang zijn ze de metgezel van het Gentse LOD muziektheater. In de eerste vrucht van deze kruisbestuiving vermengen de praktijken van de twee ensembles zich tot een organisch geheel. In between violet and green zit verbazingwekkend simpel in elkaar. Vertrekpunt zijn de waterlelies van Monet en zijn omgang met de zintuiglijke ervaring. Niet met een penseel, maar met behulp van camera, beeldend werk en geluid vormen de makers een beeld van wat er rond hen gebeurt. Charlotte Bouckaert en Steve Salembier herleiden performen tot een minimum en wisselen af op de scène af tussen het creëren van mysterieuze beelden en het presenteren van miniaturen. Deze beelden en miniaturen worden gefilmd en in realtime geprojecteerd. De praktische handelingen en de betoverende beelden op het grote scherm aan de achterwand, worden ondersteund met geluid dat soms filmisch is, maar even vaak concreet. Muzikanten Jakob Ampe, Benjamin Dousselaere en Thomas Smetryns zitten op een rijtje achter een groot rek vol materiaal aan de linkerzijde van de scène. De hele voorstelling lang plunderen Bouckaert en Salembier dat rek leeg om er vervolgens mee te doen wat Monet met zijn penseel deed: een nieuwe werkelijkheid creëeren.

 

Helemaal aan het begin van de voorstelling transformeert Bouckaert een potje met een zanderige substantie en een ventilator met behulp van een camera op het projectiedoek tot een storm, een zwerm vogels en een zondvloed. Zo eenvoudig kan het zijn. De visuals zijn zo kernachtig en zo precies gekozen dat ze in een museumcontext zouden kunnen werken. Thomas Smetryns' compositie is rijk genoeg om ook onafhankelijk makkelijk overeind blijven en van Bouckaert en Salembier gaat op scène een focus uit die uiterst aantrekkelijk is. Maar het is de confrontatie van deze drie elementen met elk hun eigen taal, die de voorstelling zo uitzonderlijk maakt. Het is als een woord in Google Translate naar drie verschillende talen vertalen: zo ontstaan drie vertalingen die nooit exact dezelfde inhoud hebben en verandert de betekenis van wat op scène gebeurt voortdurend. Een miniatuurboom is een interessante verkleining die de werkelijkheid behapbaar maakt. Maar laat deze voorbij de camera schuiven en je bevindt je plots in een idyllisch bos. Voeg hier onheilspellende muziek aan toe, en het sprookjesbos wordt een beklemmende  en vijandige omgeving.

 

De muzikale compositie gaat dus een interessante onderhandeling aan met de beelden en de performers. Zij is een goede compagnon die van op de achtergrond je trip begeleidt, maar soms ook naar voren treedt en je radicaal van koers doet veranderen. Dit dankzij de kunde van de drie muzikanten, wiens aanwezigheid in tegenstelling tot die van de beeldenmakers jammer genoeg een beetje verstopt blijft achter het grote rek. Enkel wanneer de compositie evolueert naar een lied met tekst botsen muziek en beeld met elkaar. Plots moet er via de woorden iets verteld en dus ook begrepen worden, waardoor het vrije en fluïde samenspel – en de vrije associaties die dat aan de lopende band opriep - wordt beknot.

 

Transmedialiteit is hier geen vergezocht gedoe, maar lijkt een vanzelfsprekende zijnstoestand. Veruit de meest inventieve creatie, die terecht een groot deel van de voorstelling in beslag neemt, is een rolband waarop miniaturen van onder andere bomen, serres en een verlaten parkingplaats traag voorbij de camera schuiven. Zo ontstaan taferelen die de indruk wekken dat je in slow motion vanuit een trein naar het universum van In between violet and green kijkt. Die taferelen voelen realistisch aan omdat ze naar herkenbare gezichten refereren, maar tegelijkertijd zorgen ze voor een extra laag magie door hun afzondering van de rest van de wereld, hun schijnbare verlatenheid door de mens en de trage focus die ze krijgen. Ze bieden de toeschouwer een verstild inzicht in de wereld volgens Atelier Bildraum. Waar het impressionisme van Monet vooral op zoek gaat naar de schoonheid van de natuur in, bijvoorbeeld, de tuin met vijver van de kunstenaar, draagt de schepping op scène onmiskenbaar de sporen van de wereld waarin wij op dit moment leven. Dat levert een stuk minder opgewekte beelden op. Strak gerangschikte grijswitte tentjes die de grauwe realiteit van de buitenwereld even binnenhalen, worden gevolgd door villa’s: een kritiek op de troosteloze tegenstellingen van onze tijden.

 

Op dit moment ontstaat een hoogtepunt dat meteen de sterkte van het creëren op scène illustreert. Charlotte Bouckaert maakt met haar hand een beweging langs de lampen boven de rolband zodat op beeld de illusie onststaat dat donkere wolken over de villa's glijden. Het spel van de creatie en de uitvergrootte beelden zorgt ervoor dat de toeschouwer oscilleert tussen magie en onttovering, tussen het monumentale en de alledaagse praktijk erachter. Het belangrijkste verschil met Monet’s waterlelies is de ruimte voor reflectie over de daad van het creëeren die in In between violet and green wordt toegelaten. Denk aan de hand die wolken suggereert of aan hoe Bouckaert het potje met zand manipuleert.  Zo tonen  Bouckaert en Salembier hoe je, zoals Monet, minutieus beelden kan creëeren. In between violet and green gaat dus over het scheppingsproces. Het is als kijken naar een goochelaar die - nog volop in actie - zijn truc uitlegt. In between violet and green toont zich grandioos in het blootleggen van het grootse in het kleine. De camera kunnen we dus zien als het oog van een kunstenaar als Monet. Wat zich ervoor bevindt, verliest op slag zijn neutraliteit. Na het applaus stormt het publiek dan ook niet naar het café, maar naar de kleine werkjes op scène, op zoek naar die immense visuele rijkdom die net nog vakkundig onthuld werd. 

 

Niet alleen de verwonderde blik delen de makers met Monet. Ook het doel om werk te maken waarin de toeschouwer zichzelf kan verliezen in het kijken is gemeenschappelijk. Volgens de makers is Les Nymphéas de eerste installatie in de kunstgeschiedenis. Ook In between violet and green slorpt je als toeschouwer naar binnen en eist een bijna lichamelijke verhouding tot het werk. De titel, afkomstig uit de briefwisseling van Monet met Cézanne, verwijst naar blauw, de kleur die volgens Monet alles met elkaar verbindt en dominant is in zijn waterlelies. Die waterlelies komen in miniatuur terug als mini-billboards. Waar we naar kijken is vergelijkbaar met deze billboards. Het is niet echt, en dat weet je, maar je verliest je er maar al te graag in. Zo slagen zowel Monet als Atelier Bildraum en LOD erin om, zonder ook maar een keer in illusionisme te vervallen, de kijker een wereld voor te houden die even zijn realiteit wordt.

 

De rust en verstilling van het onophoudelijk en geduldig creëren maakt van de voorstelling een verademing in een versnellende wereld. Voor een keer kijken we naar een scherm en zien we geen razendsnelle informatiestroom maar zorgvuldig opgebouwde, intrigerende beelden. Wat we zien op scène zijn vijf mensen die eerst heel erg goed hebben gekeken en geluisterd naar wat er zich rond hen bevindt en op basis daarvan stapsgewijs hun eigen universum bouwen. Bijna een eeuw na Monet is In between violet and green een manifest voor de verwondering. Die verwondering hoeft, misschien in tegenstelling tot de schilder, helemaal niet altijd positief te zijn. Er is ook plek voor dingen die niet mooi zijn. Wat hier gevraagd wordt is aandacht en een onderzoekend blik die niets in zijn omgeving neemt voor wat het is. Die oproep tot fascinatie voor de omgeving werkt. Wat er langs het treinraam schuift bij mijn terugrit is jammer genoeg niet zo slepend traag maar de vanzelfsprekendheid ervan is voor een hele tijd verdwenen.