De Gedekende © Cy Leong

Beperking als vermogen

Over de toekomst van inclusiedans in het Vlaamse dansonderwijs

In de Angelsaksische wereld is inclusiedans al jaren een gevestigd begrip. Ook in onze contreien is er aandacht voor dansers met een beperking. Aan de dansopleiding van Het Koninklijk Conservatorium Antwerpen vormt inclusiedans onder impuls van danseres en choreografe Iris Bouche sinds kort een vast onderdeel van het lessenpakket. Is die keuze vooral ingegeven door sociale motieven, of staat er ook artistiek iets op het spel?

Spreek je over een ‘danser’, dan roep je bij menig toehoorder automatisch het beeld op van een gespierd en lenig jongens- of meisjeslichaam. Het kan de meest halsbrekende bewegingsfrases tot een goed einde brengen en beschikt over een schier onuitputtelijke voorraad energie. Hoewel de moderne en hedendaagse dans vraagtekens plaatste bij het gewichtloze balletlichaam en sterchoreografen zoals Alain Platel en Jérôme Bel de laatste decennia vaak werkten met (het bewegingspalet van) dansers die sterk afweken van de maatschappelijke norm, worden onze danspodia vandaag nog steeds grotendeels bevolkt door ideaaltypische lichamen. Erg kritisch springt de hedendaagse dans niet om met zijn belangrijkste instrument.

De dominante beeldvorming sluit een grote diversiteit uit, niet alleen op het vlak van leeftijd en huidskleur, maar ook wat lichamelijke en verstandelijke mogelijkheden betreft. Het gebrek aan verscheidenheid binnen de reguliere dansopleidingen zorgt mee voor betrekkelijk homogene gezelschappen en -podia. Meer nog, nu de grote gezelschappen steeds kleiner worden en dansers noodgedwongen van het ene kortlopende project naar het andere hollen, moeten zij niet alleen beschikken over een ‘superlijf’, maar ook over sterke sociale skills, organisatietalent en zelfredzaamheid. Die eis, samen met de schaarste aan ‘andere’ professionele rolmodellen, maakt dat de drempel nog steeds erg hoog is voor jonge dansers met een minder evident profiel om in testromen in het dansveld en -onderwijs. Dat Vlaanderens enige inclusieve dansgezelschap Platform-K, waarin dansers met en zonder beperking samenwerken, vorig jaar uit de subsidieboot tuimelde, helpt allesbehalve om deze vicieuze cirkel te doorbreken.

Artistieke verrijking

Lichaamsnormen en schoonheidsnormen vanuit de brede maatschappij worden kortom vaak gecontinueerd op scène. Inclusiedans probeert die normering te doorbreken. Inclusie of insluiting staat hier voor het erkennen en waarderen van de verschillen tussen dansers. Anders dan bij integratie, waarbij een minderheid zich aanpast aan de dominante norm, vertrekt men bij inclusie van het principe dat beide groepen evenwaardig zijn en van elkaar kunnen leren. Binnen inclusiedans dient het individuele lichamelijke potentieel dus als belangrijkste inspiratiebron. Dansers met en zonder beperking vormen een spiegel om elkaars mogelijkheden en beperkingen te onderzoeken. Die zoektocht heeft zowel een ethische als een esthetische dimensie. Inclusiedans vertrekt vanuit een drang naar grotere sociale rechtvaardigheid: iedereen moet de kans krijgen om zijn artistieke talenten en ambities waar te maken. Dat kan op zijn beurt leiden tot een verruimd begrip van wat hedendaagse dans kan zijn. In het Verenigd Koninkrijk, waar inclusiedans ondertussen een rijke traditie kent, wordt er naar de inclusieve kunstpraktijk niet toevallig verwezen als the last remaining avant-garde movement.

Het belang van de inclusieve danspraktijk en de ontwikkelingen in het buitenland sterkten de opleiding hedendaagse dans van het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen in haar keuze om de inclusieve danspraktijk op te nemen als een vast deel van het curriculum, zowel via een aanbod van inclusieve danslessen (het Danslabo) als symposia die dieper inzoomen op de artistieke relevantie van inclusiedans. In april 2015 werd zo Rethinking Bodies georganiseerd, een intensieve studieweek met workshops, lezingen en voorstellingen over het potentieel van de inclusieve danspraktijk voor hedendaagse dansers.

Inclusieve dans verrijkt de studenten niet alleen als danser en onderwerpt wat we als artistieke kwaliteit beschouwen aan een kritische ondervraging, het verruimt ook de contexten waarin ze hun talenten en competenties kunnen inzetten, zoals (buitengewoon) onderwijs, zorg en welzijn, buurtwerk of sociaal-cultureel werk. Ondanks de positieve ervaringen van de studenten blijven er, ook aan het Conservatorium, nog veel vooroordelen leven tegenover deze evolutie. Eén hardnekkig vooroordeel is dat inclusie de kwaliteit van de dans naar beneden zal halen. Om dergelijke vooroordelen te counteren, maakten de dansstudenten uit het derde jaar onder begeleiding van docenten Iris Bouche en Karel Tuytschaever in 2015 een voorstelling samen met leerlingen van De Leerexpert Dullingen in Brasschaat. Die school biedt type-4-onderwijs voor leerlingen met een motorische en/of meervoudige beperking. Een groep van negen dansers met beperking en tien dansers zonder beperking werd samengesteld. De voorstelling De gedekende haalde inspiratie bij het beeldend werk van Berlinde De Bruyckere, in het bijzonder haar sculpturen met dekens. Alle studenten bezochten samen haar tentoonstelling in het S.M.A.K. in Gent en gingen nadien aan de slag met vragen rond zorgen en lijden, en een aantal fysieke opdrachten met dekens.

Een belangrijke drive van inclusiedans zit in het potentieel voor de dans zelf. “Yes, I am an artist with a disability, but my interest isn’t in disability, my interest is in dance…”, stelt Katie Marsh, een van de zes dansers met beperking uit de documentaire Physically Being Me. De verdere ontwikkeling van de dans(taal) is gebaat bij de aanwezigheid van een grotere diversiteit aan dansers. Alle dansers worden uitgedaagd om hun comfortzone te verlaten, om beproefde technieken en patronen achterwege te laten en opnieuw te vertrekken vanuit dans als communicatiemiddel. De aanwezigheid van mensen met een beperking stelt heel wat vanzelfsprekendheden in vraag: noties zoals schoonheid, elegantie, techniciteit, virtuositeit en authenticiteit. Maar inclusiedans stelt ook de vraag naar de creatieve autonomie van dansers met een beperking, de verhalen en expressievormen die zij met zich meebrengen en, op een symbolisch niveau, wie gerepresenteerd wordt op de scène en wie zich daarin – aan de zijde van het publiek – mag herkennen.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het een sinecure is om een dansvoorstelling te maken met jongeren met een beperking. Vooral methodologisch was het voor docenten Bouche en Tuytschaever een uitdaging. Zo hebben jongeren met een verstandelijke beperking soms moeite om de combinatie van danspassen of het geheel van de choreografie te onthouden. Om die reden vertrok het creatieproces vanuit de bewegingen van de leerlingen zelf. Er werd niets aangeleerd, alle bewegingen kwamen vanuit de jonge dansers zelf. Zij maken hun eigen materiaal, waarop de choreografen voortwerken. Een oefening kan bijvoorbeeld zijn om ‘je naam te schrijven’. Die opdracht is heel concreet. Sommigen kunnen niet schrijven, maar meestal kunnen ze wel hun naam schrijven. Je vraagt hen eerst om hem letterlijk te schrijven en maakt hen duidelijk dat dat al een beweging is: ‘Hoe gaat de letter S en hoe kun je dat nog doen als heel de ruimte je schrijfblad is? Misschien kun je het lopen en niet schrijven.’ Bouche en Tuytschaever leerden hen dus heel objectief kijken, zonder te zeggen wat ze moesten doen. Het is een kwestie van heel dicht bij hen beginnen en stilaan op te bouwen naar abstractie.

De risico’s van inclusiedans

Hoewel inclusiedans een artistieke verrijking met zich meebrengt, zijn er ook heel wat problematische en soms ook paradoxale risico’s. Eén: door dergelijke praktijken te organiseren en te benoemen, loop je het risico om bepaalde groepen te blijven verbijzonderen, terwijl hun aanwezigheid net het nieuwe normaal zou moeten worden. Er bestaat ook een kans dat je de verschillen tussen dansers met en zonder beperking onnodig in de verf zet en de overeenkomsten miskent. Elke danser wordt immers geconfronteerd met de kwetsbaarheid van het eigen lichaam. Dansers met en zonder beperking delen een grote en dagelijkse betrokkenheid op hun lichaam en op het lichamelijke. Ze botsen op de grenzen van hun lichaam en proberen zichzelf daarin zo ver mogelijk te pushen.

Een tweede risico is dat je onder de gezamenlijke noemer van de inclusieve danspraktijk groepen of mensen plaatst die niet per se onder diezelfde noemer willen thuishoren. Sommigen koesteren dit ‘label’ als een belangrijk deel van hun identiteit, anderen willen zich er net aan onttrekken. Jo Verrent, producer bij Unlimited, een ambitieus ondersteuningsprogramma van de Britse overheid voor kunstenaars met een beperking, vat het als volgt samen: “Aren’t disabled artists just ‘artists’? Well, yes and no. All artists are artists – and in a perfect world, no one would need to take on a label just to gain funding, find a way in or get taken seriously. But that’s currently not the case and by identifying positively, it could be argued that disabled artists can gain a voice and a platform that can push them further, faster.”

Een derde is dat je onbewust bestaande verwachtingspatronen en onuitgesproken kwaliteitscriteria projecteert op deze minder evidente dansers. Uit angst of vanuit de drang om je te bewijzen, bevestig je zo de bestaande esthetiek, terwijl we nood hebben aan een nieuwe, complexere esthetiek die meer variatie en menselijke diversiteit op het podium toelaat. Gerenommeerde buitenlandse gezelschappen zoals Candoco Dance Company, Corali Dance Company of Stopgap Dance Company en makers als Caroline Bowditch, Claire Cunningham en Marc Brew tonen alvast dat het kan. Zij dagen de status quo uit en verruimen het spectrum en het vocabulaire van hedendaagse dans. Of zoals choreografe Janice Parker stelt: “We have to ask the question, ‘Who can dance and what can dance be?’ We have a sense of a hierarchy of a normative form at the top, which has two arms and two legs! And it’s very dominant at the moment, in our culture. How can we turn that round, not to put something at the bottom of the hierarchy, but to make a spectrum? There’s all different vocabularies in there and dance needs them all. Disabled people have that capacity to create extraordinary movement that has a whole other spectrum and vocabulary in there.” 

De grote ambitie van inclusiedans is om virtuositeit dus los te koppelen van een schijnbaar onbegrensde en perfecte fysieke beheersing. Net elementen van kwetsbaarheid, imperfectie, menselijke variatie en de interactie en vindingrijkheid die daarmee gepaard gaan, worden een motor voor artistieke vernieuwing en een andere verhouding tot het publiek. In De gedekende zorgde het principe van inclusie ervoor dat elke danser zijn of haar grenzen leerde verleggen, zo getuigt Iris Bouche: “Het gedragspatroon van dansers met en zonder beperking verandert binnen zo’n workshop, omdat het milieu verandert waarbinnen ze werken. De gedragspatronen waar ze in de school of in hun instelling dagelijks op kunnen terugvallen, bieden geen houvast meer en daardoor verleggen ze vaak hun fysieke grenzen zonder dat ze het zelf beseffen. Bij De gedekende wilden we vertrekken vanuit het potentieel van de jongeren, niet vanuit twee groepen maar vanuit één grote groep, waarbinnen elk zijn of haar mogelijkheden kon communiceren en hun individuele expressie tonen. Op het eerste gezicht zou je denken dat dansers en jongeren met een beperking weinig gemeen hebben, maar ik geloof dat ze één grote gemeenschappelijke deler hebben: ze hebben allebei een obsessie met hun lichamelijkheid.”

Uitdagingen voor de toekomst

Hoewel het project een fijne ervaring was voor alle betrokkenen en de dansopleiding zeker niet ontevreden was over de artistieke kwaliteit van de voorstelling, bleven de betrokkenen achteraf toch nog op hun honger zitten. De beperkte tijdspanne waarin de voorstelling tot stand kwam en de prille ervaring van de dansstudenten, leek het sociale aspect van het project te sterk op de voorgrond te plaatsen. De dansstudenten stelden zich, zeker in het begin, te veel ten dienste van deze once-in-a-lifetime opportunity voor de leerlingen van De Leerexpert. De tijd, ruimte en de durf ontbrak soms om het artistieke onderzoek voorop te plaatsen. Er was ook geen mogelijkheid om nadien dieper door te werken met dezelfde groep. Net die duurzame tijdsinvestering is cruciaal binnen inclusieve dansprocessen, wat natuurlijk zijn repercussies heeft op financieel, pedagogisch en infrastructureel vlak. Om hieraan tegemoet te komen, ontwikkelde de dansopleiding een vervolgonderzoek: een inclusief danslabo waar fundamenteel onderzoek naar de inclusieve danspraktijk centraal staat.

Het labo streeft naar continuïteit door wekelijkse danslessen aan te bieden. Studenten aan het Conservatorium dansen er samen met dansers met een beperking. Momenteel bereikt de groep vooral dansers met een zekere ervaring die al eerder in projecten betrokken waren. Nieuwe dansers aantrekken blijft ontzettend moeilijk. Mensen met een beperking en hun netwerk (zorgverleners, ouders) ervan overtuigen dat dansen ook voor hen is weggelegd, is geen sinecure. Tijdens de wekelijkse lessen ligt de focus puur op artistiek onderzoek. Ook houden verschillende deelnemers hun ervaringen nauwgezet bij voor verder kwalitatief onderzoek. Een voorstelling maken is niet van tel, wel worden er toonmomenten voorzien.

Om als opleiding effectief dansers met een beperking te bereiken, heeft het Conservatorium nog een lange weg te gaan. Er is nu eenmaal een grote drempel om er binnen te stappen. Ligt dat aan de naam, de uitstraling? Het vraagt alvast veel moed om aan een auditie mee te doen, hoewel de audities geen vooropleiding vergen. De opleiding is net op zoek naar persoonlijkheden, naar dansers met een ziel die een zekere uitstraling hebben. Dat kun je niet aanleren. De dansopleiding biedt wel alle vaardigheden en kennis om die ziel op een podium te brengen. Als er iemand met een beperking komt, moeten we wel zeker zijn dat we als school een goede context kunnen bieden om die persoon te begeleiden. De campus op zich is toegankelijk en de opleiding is kleinschalig genoeg, dus wij kunnen een individuele en persoonlijke begeleiding bieden. Sarah Whatley werkte in 2010 al zo’n inclusief begeleidingsmodel uit voor de universiteit van Coventry. Daarin wordt het maatwerk en persoonlijke coaching van dansstudenten met een beperking concreet beschreven. Toch hebben we meer nodig dan enkel interne processen.

In Vlaanderen staan we nog maar aan het begin van een breed toegankelijk kunstenlandschap voor mensen met een beperking. Binnen de amateurkunsten, de cultuureducatie, het deeltijds kunstonderwijs, de kunsthumaniora en het hoger kunstonderwijs groeien hun kansen om hun artistieke talenten te ontwikkelen en zich volledig te wijden aan hun passie. Maar dat landschap is erg broos. Het is nog lang geen ecosysteem waarin kunstenaars kunnen doorstromen naar het echte werkveld. De financiering blijft precair, specialisatie gering, drempels blijven hoog.

We hebben nood aan een breed netwerk dat bottom-up nieuw talent opmerkt, ondersteunt en begeleidt; aan voorstellingen en rolmodellen die de ambitie aanwakkeren van een sluimerende generatie dansers met een beperking; aan moedige programmatoren die inclusief werk durven te presenteren in het reguliere programma en de verwachtingen van het publiek over hedendaagse dans durven bijstellen.

Een impulsbeleid vanuit de overheid dat inzet op onderzoek, educatie, creatie en spreiding kan deze evolutie versnellen en versterken. In het Verenigd Koninkrijk zien we alvast welke vruchten dat kan afwerpen. Naast het ondersteuningsprogramma Unlimited promoot The British Council met Disability Arts International bijvoorbeeld de inclusieve podiumkunst in het buitenland. Op dat punt ligt er in Vlaanderen nog veel terrein braak, als we zowel ons dansonderwijs als onze podia ten gronde willen diversifiëren.

essay
Leestijd 9 — 12 minuten

Kris De Visscher

Kris De Visscher studeerde Pedagogische Wetenschappen aan de Katholieke Universiteit Leuven. Sinds 2011 werkt hij voor Demos als stafmedewerker personen met een beperking en jeugd. In 2016 bracht hij samen met collega An Van den Bergh de publicatie Voor het voetlicht uit over podiumkunst van mensen met een beperking. Hij werkte ook mee aan verschillende onderzoeksprojecten, symposia en publicaties over de inclusieve danspraktijk.