Benjamin Verdonck & Willy Thomas – Wat ik graag zou zijn als ik niet was wat ik ben

Over de malloten die we onherroepelijk zijn

Geen vreemder stuk dan Wat ik graag zou zijn als ik niet was wat ik ben van Benjamin Verdonck en Willy Thomas. Het gaat over alles en niets. Het gaat over verlangens, angsten en ergernissen, over geloof, bijgeloof en magisch wensdenken, maar kaart tussendoor politieke overtuigingen en brandende kwesties aan. Het gaat ook over beelden en woorden: hoe die een onbeheersbare werkelijkheid ‘framen’ en inzichtelijk maken, al is dat dan op een onherkenbaar vervormde manier. Misschien gaat het over de onzekere greep die kunstenaars hebben op de werkelijkheid. Alleen: zij spreken er wel over en houden ons zo een spiegel voor. Een vervormde, maar toch.

Verdonck en Thomas gebruiken teksten van de Argentijn Carlos Warnes (1905-1984), een auteur waar ik nooit eerder van hoorde en hier blijkbaar voor het eerst in het Nederlands vertaald werd. Hij zou bekend, zelfs beroemd geworden zijn nadat Julio Cortázar hem citeerde in Rayuela: een hinkelspel. De programmabrochure vertelt er dit over: als kind werd Warnes opgevoed in een ander gezin omdat zijn ouders te arm waren. Toen hij na een ongeluk zijn job als schrijnwerker niet langer aankon, ging hij aan de slag bij de krant Critica. Hij schreef er stukjes onder pseudoniemen als José Spadavecchia, César Bruto, Uno Qualquiera en Napoleon Verdadero. Grappige namen wel: ‘de beestachtige César’, ‘zomaar iemand’ of ‘de echte Napoleon’. De columns onder de naam César Bruto stonden vol spelfouten: Warnes voerde Bruto namelijk op als de ongeletterde zoon van een zieke redacteur. Onder die naam verscheen in 1947 ook het boek Wat ik graag zou zijn als ik niet was wat ik ben. In de voorstelling is die Bruto dus aan het woord, al vermeldt het programma dat ook Daniil Charms er aan te pas kwam. Dat is geen toeval, want in zijn rare hersenkronkels is Bruto de evenknie van de Russische absurdist. Met dit ene verschil dat bij Bruto zijn sociale realiteit duidelijker doorschemert, maar dan gezien door de vervormende lens van een malloot die de juiste toedracht van dingen zelden snapt maar er toch zijn niet van eigenbelang gespeende interpretatie van brouwt.

Dubbel voorspel

Het stuk begint niet met die teksten, wel met een heel lang, dubbel voorspel. Als je de zaal binnenkomt, dan zie je op het podium rechts van het midden een kleine zetel, in het midden achteraan een trapje en een haast manshoge halve zwarte cirkel of bol, en links een tafelblad op schragen met daarop een lichtbak. Daarna gaan alle lichten uit. In het pikdonker stijgt een lichtende schijf op vanachter de zwarte bol die je nog vermoedt, maar niet meer ziet. Als een maan zweeft ze door het zwerk. Op de achtergrond klinkt oosters aandoend getingeltangel. Kort daarna gaat een tweede maan op, en dan een derde. Ze draaien met zijn drieën quasi verliefd om elkaar heen –althans, dat is de betekenis die je als vanzelf aan die dansende schijven toekent- tot er plots een kleiner, rood maantje verschijnt, gevolgd door een tweede. Zie je wel! Je kan je ogen niet van dit toverspel houden. Al weet je wel min of meer hoe het in zijn werk gaat. Maar die laatste maan die eindeloos hoog wegzweeft, blijft pure magie. De scène ontleent al zijn kracht aan die spanning tussen de betovering die je ervaart, en de wetenschap dat hier een ‘truc’ achter schuilt. Het besef dat we ons toch zo graag in de luren van mooie sprookjes en tovertrucs laten leggen. Zo is de wereld helaas niet.

Als het licht terug aan gaat, volgt een tweede voorspel met een heel ander karakter: onderzoekend en reflexief, eerder dan dromerig en een beetje melancholisch. Aan een tafel op schragen bladert Benjamin Verdonck door een recent nummer van ‘Vogue’. Willy Thomas kijkt toe vanuit de zetel, die hij trouwens zelden verlaat doorheen de voorstelling. Verdonck gaat traag, aandachtig door het tijdschrift. Vaak blijft hij ergens bij stilstaan. Via een camera boven de tafel kan je op het achterdoek zijn blik volgen. ‘Alle nieuwigheden voor het winterseizoen voor 14.95 €,’ belooft de kaft van het tijdschrift. Er werd duchtig geknipt in het blad. Verdonck sneed hele katernen middendoor. Zo ontstaan bij het bladeren ongerijmde beeldcombinaties. De ronde gaten die her en der in de bladen zitten laten de beelden nog meer door elkaar lopen. Het eerste wat opvalt is een weggesneden gezicht. Daarachter duikt een berglandschap op. Net op dat ogenblik begint langzaam sneeuw neer te dwarrelen op Willy Thomas. Die sneeuwbui houdt aan tot het einde van de voorstelling.

Tussen de verhakkelde glamourbeelden duiken in het tijdschrift ook hardere beelden, van strijd en revolutie, op. Foto’s van Warren Richardson bijvoorbeeld, de man die een vluchteling fotografeerde terwijl die aan de Hongaars-Servische grens een baby door het prikkeldraad stak. Of van Corentin Fohlen, die de manifestatie in Parijs na de aanslag op de kantoren van Charlie Hebdo in beeld bracht. Zijn foto’s verwezen door hun beeldcomposities meer dan eens openlijk naar bekende schilderijen als La liberté guidant le peuple van Eugène Delacroix. (De schilder maakte het tijdens de Franse julirevolutie van 1830, een revolutie die snel weer de kop zou ingedrukt worden. Klinkt bekend… ) Ondertussen haalt Verdonck knipsels boven, zoals een foto van dat beroemde schilderij van Delacroix, of van het net zo beroemde ruiterportret van Napoleon door Jacques-Louis David. Hij brengt ze met de tijdschriftbeelden samen in tijdelijke collages. Ze lijken wat lukraak, maar zijn dat allerminst. Ze tonen hoe ook revoluties en oorlogsleed hun schilderkunstige, artistieke sjablonen kennen. Ze spelen daarnaast met de spanning tussen de realiteit van oorlogsellende en de wondere luxewereld van Vogue, die zo’n ‘storende beelden’ schijnbaar moeiteloos absorbeert en esthetiseert.  Verdonck schuift er daarna ook iconische beelden van artistieke revoluties bij, zoals het suprematistische zwarte punt van Kazimir Malevitsj of het urinoir van Marcel Duchamp. Ook die schijnen in deze context ongevaarlijk. Zelfs Caravaggio’s  gewelddadige afbeelding van Judith die Holofernes het hoofd afhakt, is hier niet langer afschuwwekkend, maar alleen maar mooi. Een kaartje met een schilderij van Mark Rothko sluit de reeks kunstenaars af, die in het grote circus van onze cultuur niet langer verbazen, prikkelen of ergeren, maar louter mooi zijn.

In die collages vervangen de hoofden van Willy Thomas en Benjamin Verdonck soms ook andere hoofden op de foto’s. Als om te zeggen dat deze ongerijmde wereld van tegenstellingen in ons hoofd zit, dat het onze realiteit is. Dat zal ook, op een absurde manier, blijken uit wat volgt.

Bouvard en Pécuchet

Zonder enige overgang begint Willy Thomas nu een praatje. Prietpraat grotendeels. Over een oom Aquiles die beweert dat een Dantist iemand is die die gek genoeg is om de boeken van Dante te bestuderen. Dat leidt tot een discussie over de voorstellingen van de Divina Commedia, in het bijzonder over de martelingen in de hel. Verdonck gelooft niet dat die een afschrikwekkende werking hebben –je denkt meteen aan de beelden die hij eerder toonde- gezien de gang van zaken in de wereld. Zo herken je hem als een wat teleurgestelde idealist. Thomas daarentegen blijkt minder ethische remmingen te hebben. Alles is goed als het maar opbrengt. Steeds weer vraagt hij zich af wat iets oplevert in harde pesos. Beter ‘dentist’ dan ‘dantist’ is zijn devies, want een tandarts int per patiënt wel 300 pesos. Al is het wel altijd iets met geld natuurlijk. Volgt een verhaal over een oom die het geld voor de kraanvogel die een kind zou brengen, verspeelde op de paardenrennen in Palermo, waarop de kraanvogel hem strafte door een moeilijk kind af te leveren.

Dat soort verhalen, en er volgen er ettelijke, maken duidelijk dat we hier niet met vooraanstaande burgers te maken hebben, maar met twee malloten, mislukkelingen die ervan dromen dat de dingen zoals ze zijn, een heel andere wending zouden kunnen nemen, mocht er maar aan een paar voorwaarden voldaan zijn. Ze fantaseren er op los. Zo zou Verdonck bijvoorbeeld graag de Sint-Bernardshond zijn die ooit 22 leden van een karavaan redde na een storm in de bergen. Of hij beeldt zich een toekomst als hondenasielman in, die honden redt van een droevig einde als bontsjaal.

Met de regelmaat van de klok waagt het duo zich -als een hedendaagse versie van Flauberts Bouvard en Pécuchet- aan wetenschappelijke en filosofische bespiegelingen die doorgaans kant noch wal raken, en vooral een gebrek aan intellectuele spankracht verraden. Waarna het weer gaat over hoe je met denken en kennis geld in het laatje kan brengen. Soms slaat de fantasie van de mannen compleet op hol, bijvoorbeeld wanneer Thomas droomt van een leven als spook.

Van sjamaan tot kleinburger

Kort na elkaar volgen nu weer twee interludia, en net als bij de aanvang is het ene dromerig en verbazingwekkend, het andere beschouwelijk. Net na het spookverhaal bladert Verdonck weer door het tijdschrift, en blijft haperen bij een foto van naakte Aziatische vrouwen waar een groep mannen met witte stokken omheen staat. Zien we hier een pseudo-sjamanistisch ritueel? Het blijft in het ongewisse. Hoe het ook zij, wat later verdwijnt Verdonck even van het podium om terug te keren als een sjamaan in een pak van lange kleurige linten dat hem helemaal bedekt. Terwijl de figuur rond zijn as tolt, groeit hij ook, tot hij een onwaarschijnlijke lengte bereikt. Het is zo’n beeld dat je mond doet openvallen van verwondering, maar even onverklaard blijft als de maantjes bij het begin van de voorstelling. Toch zegt het iets over de magisch-naïeve denkwijze van het duo op het podium. Als ze iets maar hard genoeg zouden willen, dan zou het misschien wel eens kunnen uitkomen. Zoiets.

De passage van de kleurige sjamaan verandert iets wezenlijks in de verhouding tussen de twee mannen. Verdonck wordt stilaan een even inhalige en zeurderige kleinburger als Thomas. Het dromen en wensen is voorbij. Vanaf nu gaat het over de last van het leven. Over teleurstelling. Samen leuteren ze een eind weg over al wat verkeerd gaat. HET OPENBAAR VERVOER bijvoorbeeld. Of die schandalige verplichting om te WERKEN. ‘Arbeid maakt vrij, maar het is afzien!’ Ze laten zich zo meeslepen door hun eigen gejammer dat ze beginnen te beweren dat je als mens beter af bent in de gevangenis (twijfelachtig, toch in het Argentinië van 1947). Wat stelt vrijheid eigenlijk voor, als ze niets dan verplichtingen meebrengt? Willy slaat van arren moede weer aan het fabuleren. Vader zijn, dat is de oplossing, want dan heb je het voor het zeggen. Je hebt sowieso altijd gelijk. Of rechter zijn misschien. Verdonck vervolgt nog even met zijn eigen wens om een zwaluw, een mier of een adder te zijn. Daarna bladert hij nog één keer in de Vogue, waar trieste beelden van gevangenissen, een ingestorte brug, een landschap in de mist en beelden uit de Syrische oorlog (vermoed ik) op de ondertussen gekende, verhaspelde manier doorbreken.

Dat is net niet het einde van het stuk. Nog even begint Verdonck over een kleine man die heel graag groot zou willen zijn. Maar daar ook wel schrik van heeft bang van is. Ondertussen tuurt Thomas in opperste verbazing naar de selfie die verschijnt op de iPad op zijn schoot en tegelijk op het grote achterdoek. Het ding heeft een vervormende lens, zodat de vreemdste tronies verschijnen, hoe hij zijn hoofd ook draait. Als in een spiegelpaleis. Het is lachwekkend, natuurlijk, net zoals de eerdere wilde verhalen van Verdonck en Thomas. Het vervormde spiegelbeeld is een metafoor voor het onhandige knip- en plakwerk van de kunstenaars in hun poging om een beeld op te hangen van hoe ze de wereld ervaren. Maar op die manier houdt het ook de toeschouwers een spiegel voor: ze doen het heus niet zoveel beter.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis.