Amor © Juliette Van Dormael en Julien Lambert

Amor – Jaco Van Dormael & Michèle Anne De Mey

Back to life, back to reality: de theaterzaal in een comateuze toestand

Amor is de nieuwste creatie van het koppel Jaco Van Dormael en Michèle Anne De Mey en ging op 3 oktober in première in het Théâtre National. Een reële gebeurtenis vormt het uitgangspunt van deze  voorstelling, maar wat wordt er precies bedoeld met realiteit, luidt de vraag die wordt opgeworpen door een voice-over, onmiddellijk nadat de lichten zijn gedoofd. Het antwoord dat Van Dormael en De Mey daarop lijken te geven, is dat de realiteit vooral een mentale belevingswereld is. In 2016 belandde choreografe De Mey namelijk in een coma ten gevolge van een thermische shock. Amor is een scenisch-filmische recreatie van haar comateuze toestand, een verblijf in het niemandsland tussen leven en dood. Het publiek wordt met andere woorden uitgenodigd een buitenzintuiglijke wereld te aanschouwen.

Jaco Van Dormael staat bekend als filmregisseur van onder andere Le huitième jour (1996) en Mr. Nobody (2009). Die bagage neemt hij ontegensprekelijk mee in zijn theaterwerk. Zijn vorige stukken Kiss & Cry (2014) en Cold Blood (2016) noemde hij ‘nanodansen’, waarbij  de choreografie uit bewegende vingers bestond. Die nanodans verscheen uitvergroot op een scherm. In hun eerste stuk behandelde het koppel het thema van de verloren gegane liefde, in het tweede stond de dood centraal. Met Amor kiezen Van Dormael en De Mey voor een combinatie van die thema’s, maar ze komen bij deze aanzetten met een nieuwe vorm: het podium wordt ingenomen door De Mey, die een solo danst. Die dans bestaat uit een aantal episodes, waarin telkens uitdrukking wordt gegeven aan gevoelens (zoals angst, liefde, bevrijding,… ), die met haar comaervaring gepaard gingen. Toch ontbreken ook in deze voorstelling de projecties en de special effects niet. Achteraan op het podium staat immers een scherm opgesteld, waarop verdubbelingen van De Mey’s dansende lichaam of natuurbeelden geprojecteerd worden. Die eerste zijn schaduwachtige vermenigvuldiging en van De Mey’s lichaam, die een out of body experience of een levitatie visualiseren. Terwijl die laatste vooral het beeld scheppen van de coma als een staat van ongerepte natuurlijkheid, een mentaal Arcadië.

Zo zien we Michèle Anne De Mey na de voice-over proloog in het midden van het podium, dat als een soort vaalgrijze, overwegend lege slaapkamer is ingericht. Enkel een stoel, een tafel en een bed moeten die ruimte oproepen. Op het scherm achteraan wordt een sneeuwstorm geprojecteerd. Deze scène verbeeldt het moment waarop De Mey het contact met de wereld begon te verliezen en ze zachtjes in een coma tuimelde. Het is het moment tussen waken en slapen in. In die tussenwereld gelden kennelijk andere wetten, te zien aan de danseres en de stoel, beide bevestigd aan onzichtbare kabels, die (op schijnbaar magische wijze) de zwaartekracht tarten. De stoel blijft op het keerpunt van vallen balanceren, terwijl De Mey haar lichaam kan overgeven aan onmogelijke bewegingen. De dynamiek is in deze openingsdans daardoor vederlicht als in een klassieke balletvoorstelling.

Ook vóór de scène verschijnt geregeld een scherm: een episode van de dans wordt afgerond en afgewisseld door een filmisch intermezzo. Dan weerklinkt een voice-over die een brug slaat tussen de zaal en de scène door het spektakel van metacommentaar te voorzien. Op andere momenten in de voorstelling worden op de schermen fragmenten getoond met een wetenschappelijk-documentaire inslag. In deze documentaire worden bijvoorbeeld in een snelle montage enkele beelden van hersenscans en close-ups van neurowetenschappers getoond. Die mannen deden belangrijke ontdekkingen op het gebied van bijna-doodervaringen,  zo deelt een geaffecteerde voice-oververteller mee. Deze fragmenten mikken vooral op (pseudo)wetenschappelijke sensatie: de toeschouwer moet zich samen met de verteller verwonderen over die buitenzintuiglijke ervaringen. De video’s laten weinig over aan de verbeelding, noch bewerkstelligen ze een uitdagende stijlbreuk of interessante frictie met andere scènes.

De voorstelling bouwt een narratief op dat er vooral op uit is om de toeschouwer te ontroeren. Het is het verhaal van De Mey die terechtkomt in en weer verdwijnt uit een comateuze toestand; een verhaal dat op zichzelf eigenlijk uit weinig diverse episoden bestaat. De Mey’s toetreding tot deze afgescheiden wereld is vormgegeven als een wonderlijk schouwspel. Een zeemzoete schoonheid ontvouwt zich vervolgens, ook met behulp van de technologie, voor het publiek. De Mey verhaalt bijvoorbeeld in gebarentaal dat ze gestorven geliefden tegenkomt. Die gebaren worden vergroot geprojecteerd en naar gesproken taal vertaald door een vrouwenstem. Het narratief bevat ook minder positieve fasen: het wordt duidelijk dat in de comawereld ook dreiging en angst binnendringen. Het beeld van het mentale Arcadië wordt aan het einde van de voorstelling echter gerecupereerd. De Mey’s afscheid van de vredige wereld wordt dan ook voorgesteld als deerniswekkend en onttoverend. In de weinig van elkaar verschillende episodes danst De Mey telkens met een gelijkaardige, moderne danstaal, waarbij ze de meubels op het podium beurtelings als danspartners neemt. Ondanks de tamelijk geslaagde opener, kan De Mey’s expressieve dans dus verder weinig overtuigen.

Ook in de muziekkeuze wordt de kaart van de melancholie getrokken. Zo verschijnen er in de loop van de voorstelling plots meerdere 3D-beeltenissen van een man, die boven het hoofd van De Mey zweeft en haar het lied Nothing Compares 2 U toezingt. Hij treurt om de afstand die hen scheidt en de 3D-projecties worden hier ingezet om die afstand tussen twee gescheiden werelden te illustreren. Een andere opvallende muzikale keuze is dat De Mey tijdens de voorstelling minstens drie keer op de nogal pathetische tonen van Henry Purcells When I Am Laid In Earth danst, ook wel bekend als Dido’s Lament. In dit lied treurt de koningin van Carthago om het vertrek van haar geliefde Aeneas, die niet aan zijn plicht om Rome te stichten kan verzaken. Niet lang na het vertrek van Aeneas zal Dido sterven van verdriet, waarmee ook de thematieken van het nakende afscheid en de dood in de verf worden gezet. Er bestaat een overvloed aan muziekrepertoire dat over die thematiek handelt en toch kiezen Van Dormael en De Mey ervoor om precies dit gezwollen lied in crescendo te laten terugkeren tijdens de voorstelling. Het voelt alsof de tranen spontaan in de ogen zouden moeten springen, niet per se door de tekst van het lied, maar hoofdzakelijk door het machtige volume ervan.

De combinatie van projecties, de special effects en de dans in Amor zorgen voor een vormelijke variatie. Conceptueel is de voorstelling echter magertjes. De aanzet van de voice-over om te reflecteren over de relatie tussen werkelijkheid en theatrale en filmische verbeelding is op zich een prikkelend uitgangspunt voor een voorstelling. Wat betekent het om de scène als mentale of parallelle ruimte in te vullen? Kan de technologie nog andere rollen bekleden dan spektakelmaker of illusiekraker? In hun eerste voorstelling deden Van Dormael en De Mey een geslaagde poging om die reflectie in te bouwen, in Amor wordt daarentegen niet veel ruimte gelaten aan het publiek om die vragen te overdenken. Van Dormael en De Mey zetten met Amor per slot van rekening in op een immersief totaalspektakel, dat toeschouwers moet meevoeren in verrukking en melancholie om de schoonheid, de liefde, het verlies,… Van Dormael en De Mey manifesteren zich op die manier als rechtstreekse erfgenamen van de Romantiek. Zoals de romantici, of de uitlopers daarvan, de symbolisten, zoekt het kunstenaarskoppel zijn toevlucht tot een andere werkelijkheid, een die de rede te boven gaat en waar de hoogstindividuele emotie centraal staat. Van Dormael en De Mey zullen veel mensen hebben geraakt en in de toekomst zullen ze dat waarschijnlijk blijven doen, wat op zich een mooie verdienste is, maar uiteindelijk is Amor vooral een escapistisch stuk: vooral voelen en niet denken.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

Elke Huybrechts

Elke Huybrechts studeert aan de Universiteit Antwerpen en loopt stage bij Etcetera.