Als objectiviteit het wint van waarde…

Het nieuwe Kunstendecreet doorgelicht.

Met de eerste indienronde voor de projectsubsidies in september 2015 werd het nieuwe Kunstendecreet operationeel. Dat decreet, dat nog onder Joke Schauvliege werd goedgekeurd, is onmiskenbaar het resultaat van veel goede intenties. Een nieuw evaluatiesysteem moest de peer review-beoordeling kwalitatief verbeteren, de werkdruk voor de commissieleden en administratie (die respectievelijk instaan voor de artistieke en zakelijke beoordelingen) verlagen en meer afgestemd zijn op een kunstenlandschap in transitie.

Maar houden die goede intenties ook stand in de praktijk? De voorbije maanden kwamen een aantal structurele pijnpunten en ongewenste neveneffecten van het nieuwe decreet aan het licht, die de commissieleden beduusd achterlieten. Een serieuze verzwaring van het evaluatieapparaat, als resultaat van een doorgeslagen objectivering van de adviesprocedure, en een gefragmenteerde, ongelijke en vaak ontransparante machtsverhouding tussen de betrokken spelers lijken de voornaamste boosdoeners. Kersvers commissielid Dries Douibi neemt het Kunstendecreet en het nieuwe beoordelingssysteem kritisch onder de loep en maakt een eerste evaluatie.

Deze tekst werd geschreven ‘in tempore non suspecto’, voor de preadviezen van de structurele ronde werden bekend gemaakt.

Objectiveren, objectiveren, wie zijn best doet, zal het leren…

1. Net zoals onder het vorige Kunstendecreet wordt het artistieke luik van de subsidiebeoordeling gedragen door vrijwilligers uit de sector. Het engagement om te zetelen in een beoordelingscommissie kunnen we beschouwen als een vorm van gemeenschapsdienst. De sector beseft dat we via deze gedeelde verantwoordelijkheid een uitzonderlijk en fragiel kunstenlandschap kunnen onderhouden. De methode van peer review (kritische beoordeling door collegas uit de eigen beroepsgroep, red.) wordt onder de huidige uitvoering van het Kunstendecreet echter grondig bemoeilijkt, onder andere doordat de samenstellingscriteria voor de commissies werden verstrengd. Als iemand uit de poule van beoordelaars een link heeft met een van de dossiers die in een bepaalde commissie worden besproken – gaande van vernoemd worden in een intentieverklaring tot deel uitmaken van de raad van bestuur – mag die in principe niet toetreden tot de commissie in kwestie. In een kleine kunstensector zoals de onze is dat niet vol te houden. Natuurlijk moeten we belangenvermenging te alle prijzen vermijden, maar op deze manier worden beoordelaars met veel knowhow uitgesloten, vooral diegenen die een nauw contact hebben met kunstenaars en kunstprojecten. Het risico ontstaat dat de peer op termijn verdwijnt uit peer review omdat we vruchteloos proberen iets te objectiveren dat nooit helemaal te objectiveren valt.

2. Omdat de objectiviteit van de beoordeling al schijnbaar gewaarborgd wordt door de verstrengde samenstelling, zagen de ontwerpers van het nieuwe Kunstendecreet er geen graten in om de commissies met meer dan de helft te verkleinen. Dat zou de efficiëntie van de procedure moeten verhogen. In de praktijk blijkt dit geen succesformule: waar de vroegere commissies net via subjectieve meerstemmigheid een graad van objectiviteit bereikten, kan een goede ‘debater’ nu gemakkelijker wegen op het finale oordeel en worden de dossiers vanuit minder perspectieven beoordeeld. We kunnen er niet omheen dat er altijd beoordelaars zullen zijn die minder voeling hebben met een voorliggend dossier, waardoor in een slechts zevenkoppige commissie een oordeel soms dan wel mager onderbouwd wordt. Een ander risico bestaat erin dat als iemand een negatieve ervaring heeft met een bepaalde organisatie of kunstenaar, deze disproportioneel kan gaan doorwegen.

3. Ook aan de kant van de aanvragers dreigt de doorgedreven formattering van de dossiers inhoudelijke diepgang in de weg te staan. Omdat elke functie gebonden is aan een vast template gaat kostbare ruimte voor differentiatie verloren, terwijl net die ons kunstenlandschap tekent. De vraag naar internationale uitstraling of digitale ontsluiting is bijvoorbeeld niet voor elke organisatie van gelijk belang. Door de gefragmenteerde structuur van de dossiers kunnen kunstenaars hun artistieke verhaal niet meer op hun eigen manier opbouwen, waardoor de inherente logica van hun werking wordt uiteen gespeeld. Aanvragers moeten in hun dossier nu vooral bewijzen op welke manier ze aan de verschillende beoordelingscriteria voldoen, terwijl de echte artistieke visie wordt doorgeschoven naar de bijlagen. Complexiteit en persoonlijke inbreng lijken niet langer de hoogste prioriteit, terwijl het nieuwe Kunstendecreet net meer wilde tegemoet komen aan het specifieke artistieke profiel kunstenaars en organisaties. Het resultaat is dat de commissieleden soms worden geconfronteerd met ‘generische’ dossiers waarin de artistieke kwaliteiten ver zoek zijn.

4. Niet alleen de inhoudelijke diepgang verdwijnt door de zucht naar objectificatie, ook de werkdruk voor de commissieleden en de administratie wordt onrealistisch hoog. De schriftelijke verslagen die je als commissielid moet voorbereiden zijn zo sterk geformaliseerd dat je bijna over elk dossier een nieuw dossier moet schrijven. Als beoordelaar ben je in de praktijk meer bezig met het samenvatten van een aanvraag dan met het kritisch beoordelen ervan. Elk dossier moet nu door vier, in plaats van door twee commissieleden worden voorbereid. In een structurele commissie zoals Transdisciplinair – multidisciplinair 1 die 30 dossiers moet evalueren krijg je als commissielid dus al snel 24 aanvragen op je bord. Het Kunstendecreet slaagt er daarmee niet in om haar oorspronkelijke intentie, de creatie van een ‘efficiënter’ beoordelingssysteem met een lagere werkbelasting, waar te maken. Integendeel. Voor een sector die zich geconfronteerd ziet met een gebrek aan middelen en die door de noodgedwongen inzet van ‘menselijk kapitaal’ steeds vaker te kampen heeft met burn-outs, houdt dit zware evaluatieapparaat een risico in op verdere fysieke en mentale uitholling. Bovendien maakt de werkdruk het niet evident om een evenwichtige mix aan profielen samen te brengen in een commissie.

5. De Vlaamse Kunstinstellingen, die verhoudinggewijs met de meeste middelen gaan lopen, worden geëvalueerd door aparte beoordelingscommissies. Dat terwijl ze al quasi zeker zijn van een serieuze verhoging van middelen, zo stipuleerde de minister althans in zijn Strategische Visienota Kunsten (het richtinggevende kader voor de beoordeling, waarin de beleidsprioriteiten en -instrumenten van de minister worden uiteengezet, red.). Ongeveer een derde (32%) van de middelen van het Kunstendecreet is op dit moment al gereserveerd voor de vijf grote instellingen en dat percentage zal alleen nog maar toenemen, onder andere omdat er twee nieuwe Kunstinstellingen bijkomen (Vooruit en Concertgebouw Brugge). De paradox is dus dat er een belastend evaluatieapparaat is gecreëerd, maar dat dat enkel wordt ingezet om een beperkt aandeel van de subsidiemiddelen te verdelen. In de praktijk leidt deze scheefgetrokken balans tot absurde situaties: een kleine organisatie die een bescheiden bedrag aanvraagt moet een zwaar dossier indienen om uiteindelijk slechts een kleine kans te maken op geld, terwijl de grote vissen al bij voorbaat zeker zijn van een grotere geldstroom. Deze manke financiële verhouding vergroot de kloof tussen de Vlaamse Kunstinstellingen, die niet geconfronteerd worden met precarisering, en de rest van het veld. Op termijn kan dit leiden tot isolering. Is er een realiteit denkbaar waarin de grote instellingen zelf de aanvuurder zijn van meer solidariteit, bijvoorbeeld als pleitbezorger van een evenwaardige evaluatie voor iedereen onder het Kunstendecreet?

To peer or not to peer

1. Een van de grootste achilleshielen van het nieuwe Kunstendecreet is het ingeperkte ‘landschapsoverzichtvan de commissies. Vroeger beoordeelde de commissie ‘theater’ alle aanvragen die onder die discipline werden ingediend. Op die manier kon ze de diversiteit van het theaterlandschap mee bewaken en sturen. Wie hoog in de ranking terechtkwam, had dat niet enkel te danken aan een overtuigend dossier, maar ook aan zijn unieke positie in het landschap. Nu is die landschapsbepalende rol in hoofdzaak gereserveerd voor de minister van Cultuur, op basis van een voorzet van de administratie. Hoewel het decreet stipuleert dat de administratie ‘een ontwerp van beslissingmoet maken, waarin de uiteindelijke contouren en diversiteit van het landschap worden bepaald, zal het de facto de minister zijn die de finale puzzel legt. Dat is om velerlei redenen problematisch.

1.1 In de commissies wordt veel expertise gebundeld, maar die wordt niet ingezet bij de moeilijkste opdracht van de hele beoordeling: op basis van individuele adviezen tot een selectie komen en zo een dynamisch kunstenlandschap creëren waarin zeer diverse spelers elkaar bevragen en aanvullen. De minister mag zijn plannen dan wel aftoetsen bij de commissievoorzitters en lokale overheden als hij dat wenst, een taak die zo cruciaal is als het landschapsoverzicht zou niet bij één (gepolitiseerde) partij mogen berusten. Die kan eenvoudigweg nooit over even veel expertise beschikken als een meerstemmige commissie.

1.2 Bij de beoordeling kan een commissielid niet meer ten volle inschatten wat de uniciteit is van een organisatie of kunstenaar; of het organisme de biotoop gezond houdt dan wel of het levensvatbaar is binnen een bepaalde biotoop. De inhoudelijke versnippering in een commissie zoals Transdisciplinair – multidisciplinair 1, om opnieuw dat voorbeeld te gebruiken, is groot: dossiers over uiteenlopende festivals (Theater Aan Zee, Stormopkomst, Zomer van Antwerpen, Kunstenfestivaldesarts) liggen er op dezelfde plank als dossiers van gezelschappen (Irene Wool vzw), werkplaatsen (Workspace Brussels), grote(re) kunsthuizen (STUK, Beursschouwburg, Vrijstaat De Werf), kleinere initiatieven (Moussem vzw, Het Bos) en tijdschriften (Staalkaart, Streven, rekto:verso). Het is geen sinecure om over zo’n diverse spelers voldoende expertise samen te brengen. Het risico bestaat dat de beoordeling enkel nog gaat berusten op de ‘papieren realiteit’ van een dossier. De disconnectie is met andere woorden tweeledig: de minister heeft op zijn eentje niet voldoende expertise om het kunstenlandschap in overschouw te nemen, en door de diversiteit van de dossiers zijn ook commissieleden niet meer in staat hun oordeel af te stemmen op de positie van een speler in dat landschap.

1.3 Welke beslissing de commissies ook nemen, een organisatie of kunstenaar kan altijd claimen ‘onmisbaar’ te zijn voor een landschap of omwille van zijn geografische spreiding (zeker met het oog op de lokale verkiezingen in 2018). Op papier is de minister de eindverantwoordelijke die onder het mom van spreiding of diversiteit de adviezen volgt, of niet. De beslissingsmacht lag in het verleden altijd al bij hem, maar deze twee factoren (de monopolie op het landschapsoverzicht en het politieke argument van geografische spreiding) geven hem nu een stuk meer munitie om ontransparante beslissingen te verantwoorden. Dat maakt de cultuurminister en de Vlaamse Regering structureel kwetsbaar voor lobbying en het zet organisaties er op hun beurt toe aan om gebruik te maken van een rechtstreekse weg naar de kabinetten, wat het systeem van peer review hypothekeert.

2. Ook de administratie, die de zakelijke dossiers beoordeelt, ziet zijn verantwoordelijkheid en de impact van zijn adviezen serieus toenemen. Vroeger kon de administratie een positief of een negatief advies toekennen (‘geslaagd’ of ‘gebuisd’ zeg maar); nu moet ook zij, in navolging van de artistieke commissies, waardeschalen toekennen (van ‘zeer goed’ tot ‘volstrekt onvoldoende’) die in rekening worden gebracht bij de overkoepelende ranking. In die ranking worden alle dossiers opgenomen en onderverdeeld in groepen, afhankelijk van het advies dat ze kregen. Wie twee keer een ‘zeer goed’ advies kreeg (artistiek en zakelijk) zit in de hoogste groep (1), wie twee keer ‘volstrekt onvoldoende’ kreeg komt terecht in de laagste groep (25). In principe wordt het beschikbare cultuurbudget verdeeld op basis van deze hiërarchie. In tegenstelling tot de artistieke adviezen zijn deze zakelijke adviezen echter niet het resultaat van een ‘overlegmodel’, alsof een zakelijke beoordeling niet voor interpretatie vatbaar is. Ze worden geschreven door één medewerker van de administratie en een teamverantwoordelijke van Kunsten en Erfgoed, zonder publiek gekend draaiboek of waardenkader. Het onderscheid tussen zakelijk ‘zeer goed’, ‘goed’ en ‘voldoende’ is bovendien weinig transparant en minder betekenisvol in verhouding tot de impact die de scores hebben. Zo kende een zakelijk medewerker aan een niet nader genoemd dossier een ‘goed’ in plaats van ‘zeer goed’ toe omdat de raad van bestuur bestond uit een meerderheid vrouwen en het genderevenwicht zijn inziens dus niet werd gerespecteerd. In vergelijking met het vorige Kunstdecreet is het oordeel van de administratie nu dus mee doorslaggevend en het is maar zeer de vraag of dat wenselijk is.

3. De Belgische taalwetgeving dicteert dat de aanvragen in het Nederlands moeten worden opgesteld, wat de autonomie verkleint van een deel van de internationale kunstenaars en kunstwerkers in Vlaanderen. Instellingen die in het buitenland zijn gevestigd en die werk van een Vlaamse kunstenaar willen ondersteunen, moeten zich echter niet aan die taalverplichting houden. Nieuw binnen het Kunstendecreet is dat ook zij middelen kunnen aanvragen. Het slinkend cultuurbudget indachtig roept dit de vraag op of die ondersteuning wel een kernopdracht moet zijn van het nieuwe decreet. We hebben moeite om de projectbeurzen te honoreren van kunstenaars om werk te maken, maar we willen wel investeren in een prestigieus buitenlands museum dat het werk van die kunstenaar toont? Het is overigens vaak moeilijk om bij dit type aanvragen na te gaan of er geen sprake is van dubbelfinanciering met subsidielijnen in eigen land.

Van regelzucht naar ontransparantie

1. Het nieuwe Kunstendecreet is ontworpen om tegemoet te komen aan een veranderend kunstenlandschap dat zich niet langer uitsluitend vanuit disciplines laat begrijpen. Door de invoering van functies (ontwikkeling, participatie, presentatie, productie, reflectie) kunnen aanvragers hun ‘artistieke dna’ nu op een andere manier articuleren, vooral diegenen die zich vroeger moeilijk tot één disciplinaire kleur konden bekennen. De functies zijn het fundament van het nieuwe Kunstendecreet en mee richtinggevend voor de aanvraagprocedure: de functie bepaalt op basis van welke criteria een dossier wordt beoordeeld. In de uitvoering ging het er uiteindelijk anders aan toe: er werd beslist om de beoordelingscommissies eerst in te delen volgens disciplines en pas in tweede instantie volgens functies. Ook bij de beoordeling van de projectsubsidies was de beslissing van de minister gemotiveerd op basis van disciplines. De kwaliteitsoordelen voor de podiumkunsten werden strenger gehandhaafd dan die van bijvoorbeeld de beelden kunst om de diversiteit van het landschap te waarborgen. Helemaal consequent in het volgen van de disciplines was men echter ook niet bij de verdeling van de commissies: ‘multidisciplinair’ en ‘transdisciplinair’ werden in de structurele ronde bijvoorbeeld op een hoop gegooid. De evaluatieprocedure lijkt dus op twee benen te hinken. Een doordachte synergie tussen een discipline- en functiegerichte benadering blijft uit. Is dat een groeiprobleem of een structureel probleem?

2. We kunnen in elk geval de vraag stellen of het wel wenselijk is om de disciplinaire logica los te laten waarop het oude Kunstendecreet was geënt. De minister volgt duidelijk nog niet, en ook het kijkgedrag van het gemiddelde commissielid is nog steeds behoorlijk disciplinair gekleurd. Binnen de sector is er weinig migratie van kijkers. Beroepshalve kijken de meeste professionals disciplinair, en zelfs binnen de disciplines wordt de expertise vaak nog verdiept en gespecialiseerd. We zitten kortom met een subsidie-instrument dat een (halfslachtig) postdisciplinair harnas drukt op een landschap dat misschien niet enkel als zodanig valt te begrijpen en dus ook moeilijk zo te beoordelen.

3. Omdat de vaste commissies volgens discipline werden uitgedoofd en de nieuwe commissies geen (verondersteld) afgebakend veld meer omvatten, werd het niet nodig geacht om de nieuwe commissies een richtbudget ‘per discipline’ mee te delen. Ergens voelt dat als een schijnzet, omdat de disciplines duidelijk nog steeds richtinggevend zijn bij de samenstelling van de commissies. Een financieel kader helpt een commissie om prioriteiten te stellen en realistische en gegronde beslissingen te nemen. Nu staat de minister enkel zichzelf die ruimte toe, wat zijn invloed onnodig vergroot. Tot nog toe werd door belangenbehartigers van het kunstenveld het strategisch geloof gepredikt dat het niet communiceren over deelbudgetten de minister de kans gaf om bij zijn collega’s in de Vlaamse regering te pleiten voor meer middelen. De vraag is of die strategie in tijden van ‘schaarsteretoriek’ de meest duurzame is. Als garantie voor een solide sector lijkt het vandaag net opportuun om het richtbudget op voorhand vast te leggen en daar een transparante politieke discussie over te voeren. Hoe dan ook, nu de budgetten voor de lopende en volgende projectsubsidieronde (januari en mei 2016) bekend zijn, vallen de argumenten weg om het richtbedrag niet mee te delen aan de commissies.

4. Door de gebrekkige communicatie tussen de verschillende commissies worden de kwaliteitscriteria niet eenduidig gehanteerd. Wat een ‘zeer goed’ betekent voor de ene commissie wordt door de andere als ‘goed’ gelabeld. Deels is dat natuurlijk eigen aan een intersubjectief beoordelingssysteem, maar we moeten ons bewust zijn van een risico op competitie tussen de verschillende commissies. Op termijn kan er een dynamiek ontstaan die leidt tot een race to the top. Commissies die niet voldoende zicht hebben op de consequenties van hun beoordelingen binnen het grotere geheel en niet geïnformeerd worden over het deel van de koek dat ze mogen verdelen, kunnen het zekere voor het onzekere nemen en hun beoordelingen structureel hoger gaan inschalen om ‘hun’ projecten de middelen te garanderen die ze in hun ogen verdienen.

Tussen papier en realiteit

1. Anders dan vroeger worden de commissies nu ad hoc samengesteld uit een poule van beoordelaars die voor vijf jaar zijn aangesteld en wisselen per aanvraagronde. Hoe de administratie die commissies samenstelt en op basis van welke criteria is enigszins ontransparant. Bovendien schuilt er een groot risico op fragmentatie in het tijdelijke karakter van de commissies. ‘Het doel is om te komen tot een gezonde balans tussen continuïteit enerzijds en voldoende afwisseling van beoordelaars anderzijds,’ lezen we op de website van Kunsten en Erfgoed. De vraag is of echte continuïteit wel mogelijk is als de verschillende commissies niet voldoende kunnen doorgroeien. Commissiewerk is tenslotte collectief werk, ook op groepsniveau moet ervaring worden opgebouwd, zodat een advies meer kan zijn dan de som van de individuele oordelen. Binnen het nieuwe Kunstendecreet wordt enerzijds te weinig rekening gehouden met de kijkgeschiedenis die iemand heeft opgebouwd en die de kwaliteit van een beoordeling kan versterken, anderzijds worden tegen kruissnelheid nieuwe blikken geïntroduceerd, maar deze krijgen niet de kans om ervaring op te bouwen, bijvoorbeeld door ze in te zetten in zowel in de project- als de structurele rondes. De split tussen commissie en praktijk wordt nog versterkt doordat de werkbezoeken/prospecties en de commissievergaderingen van elkaar zijn gescheiden. Binnen het nieuwe Kunstendecreet is het best mogelijk dat iemand op basis van een extern werkingsverslag van een lid uit een andere commissie een oordeel moet uitspreken over een dossier van een organisatie waarmee hij niet vertrouwd is. In de databank wordt er kortom wel ‘ervaring’ opgebouwd, maar niet in de praktijk van de beoordelaar.

Hierbij moet ook gezegd dat dit nieuwe systeem van aparte werkbezoeken en prospecties voor de werkings- en projectsubsidies van september en oktober 2015 nog niet opgestart was op het moment dat de commissies bijeenkwamen. Deze aanvragen werden dus beoordeeld zonder verslagen uit de praktijk. Het maakt eens te meer duidelijk dat de timing van de overgang naar het nieuwe Kunstendecreet, samenvallend met de aanvragen voor de cruciale werkingssubsidies, niet optimaal was. Idealiter had het nieuwe evaluatiesysteem warm kunnen lopen via een aantal projectrondes.

2. Een bijkomend risico van het tijdelijke karakter van de commissies is dat de rol van de voorzitters kan evolueren van ‘modererend’ (zoals beoogd in het nieuwe Kunstendecreet) naar ‘sturend’, omdat zij een corrigerende rol spelen bij de samenstelling van een commissie en de aanvragen die de commissies worden toegekend.

3. Het nieuwe Kunstendecreet stipuleert dat beurzen (subsidies die geen resultaatverbintenis inhouden, red.) meerjarig kunnen zijn. De vraag dient zich aan of deze meerjarigheid niet net de fragiele eigenheid van beurzen onder druk zet. We hebben in Vlaanderen een uitzonderlijk subsidie-instrument dat kunstenaars toelaat om zonder veel verantwoording een beurs aan te vragen, en dat moeten we absoluut blijven verdedigen. Maar de zaak verandert wanneer de schaal van de beurs toeneemt in tijd en omvang. Naast meerjarige beurzen zijn ook de projectsubsidies (subsidies voor projecten die qua tijd en doelstelling beperkt zijn, red.) meerjarig geworden. Zo wegen ze echter zwaar op de projectsubsidiepot die historisch gezien altijd al ondergefinancierd is geweest. Zelfs al zou de minister het budget met twee miljoen euro verhogen, dan nog zou het enkel toereikend zijn om de eenjarig positief geëvalueerde aanvragen te honoreren. Je zou kunnen opperen dat die lacune zich uitvlakt als het systeem enkele jaren loopt, maar dat is niet zeker. Zijn meerjarige projectsubsidies en beurzen kortom wel de juiste prioriteit?

4. De Strategische Visienota Kunsten stipuleert dat meerjarige projecten geen alternatief mogen zijn voor een werkingssubsidie. De minister wil het onderscheid tussen een ‘project’ en een ‘structuur’ zuiver en correct toepassen. Maar doordat de werkingssubsidies in het nieuwe Kunstendecreet verlengd worden van twee/vier naar vijf jaar, wordt de instroom van nieuwe organisaties toch opgevangen door de meerjarige projectsubsidies, wat volledig indruist tegen hun identiteit en functie. Ware het niet wenselijker geweest om de werkingsmiddelen te flexibiliseren in plaats van de projectsubsidies uit te stretchen?

Een ander effect van het wegvallen van de tweejarige werkingssubsidies is dat de uitstroom van minder functionerende organisaties abrupt zal gebeuren. Voorheen gold de terugval van een vier- naar tweejarige subsidie als een duidelijk signaal. Werd daar niet passend op gereageerd, dan was het oordeel streng maar ‘rechtvaardig’. Nu heeft een commissie of de landschapszorger/minister deze tool niet meer tot zijn/haar beschikking.

Hoe nu verder? Vijf vragen in het hoenderhok

Vraag aan de minister van Cultuur

 Het schept een gevaarlijk precedent om de belangrijke taak van ‘landschapszorger’ binnen het ministerambt te leggen. Dat maakt het nieuwe beoordelingssysteem willens nillens maar structureel extra kwetsbaar voor politieke inmenging. Deelt u die bezorgdheid? In Vlaanderen kunnen we niet echt spreken van een traditie van vakministers. Mogelijks komt er na u iemand aan het roer zonder competentie en kennis over de sector. Om de kwaliteit van het beoordelingssysteem ook in dat geval te garanderen, zou de expertise van de peer review verstandiger kunnen ingezet worden dan op de wijze die het Draaiboek Kwaliteitsbeoordeling (dat informatie, een gemeenschappelijk scenario en gedeelde principes biedt waarop alle betrokken beoordelaars kunnen terugvallen, red.) nu stipuleert.

Vraag aan de sector (gerepresenteerd door de beoordelaars)

Door wie willen jullie beoordeeld worden? Hoe kunnen we als sector gezamenlijk meer verantwoordelijkheid opnemen rond een evenwichtige en gezagvolle samenstelling van de commissies en de poule van beoordelaars? Hoe kunnen we het beoordelingssysteem meer autoriteit verlenen door beter te waken over de kwaliteit van de beoordelaars en eigenbelang uit te sluiten?

Vraag aan de voorzitters

Jullie nemen een cruciale positie in binnen het nieuwe Kunstendecreet omdat jullie van het eerste tot het laatste moment bij het beoordelingsproces betrokken zijn. Een voorzitter is een erg gewaardeerd vertrouwenspersoon en aanspreekpunt voor aanvragers, beoordelaars, administratie, adviescommissie en de minister. In die zin zijn jullie de uitgelezen instantie om de transparantie van het beoordelingsproces te bewaken en te communiceren aan het bredere kunstenveld. Zou het niet zinvol zijn om de ‘neutraliteit’ uit jullie functieomschrijving om te buigen tot een streven naar gezamenlijke transparantie?

Vraag aan de administratie

Als administratie zijn jullie het enige apparaat dat zich professioneel bezighoudt met de uitwerking van het Kunstendecreet. Jullie takenpakket is dan ook bijzonder groot: jullie evalueren onder andere de kandidaat-leden van de poule, stellen de commissies samen, bepalen welke dossiers op welke tafel komen en stellen de zakelijke beoordeling en het ontwerp van beslissing op, … Net daarom is het in ieders belang om jullie functioneren zo transparant mogelijk te houden, gebaseerd op een systeem van grondige checks and balances en in dialoog met het artistieke veld. Zou de rol van de administratie er bovendien niet in moeten bestaan om het kunstenveld zoveel mogelijk te ontlasten van bureaucratie en om te pleiten voor een vereenvoudigde procedure, zodat de aanvragers zoveel mogelijk middelen en menselijk kapitaal kunnen investeren in de kunstenaars en kunstpraktijken zelf?

Vraag aan de adviescommissie

Het is misschien niet verwonderlijk dat in een artikel van een kersvers commissielid ter evaluatie van het Kunstendecreet de adviescommissie slechts in de laatste paragraaf ter sprake komt, maar opvallend is het wel. De adviescommissie heeft als functie ‘de visie, de methodiek en de evaluatie te ontwikkelen’ die een kwaliteitsvolle artistieke beoordeling mogelijk moeten maken. Daarmee zijn ze zowel de ‘co-creators’ van het Draaiboek Kwaliteitsbeoordeling als de ‘beoordelaars’ van de procedure, wat een kritische positie moeilijk maakt. Dit artikel is niet het eerste schrijven dat zich constructief en kritisch uitlaat over het nieuwe Kunstendecreet, toch zijn er tot op heden weinig aanpassingen gebeurd. Het nieuwe Kunstendecreet heeft de reputatie sterk gedragen te zijn door het kunstenveld. Door de vele kinderziektes en structurele problemen is een stuk van die reputatie reeds weggeërodeerd. Toch kunnen we er niet omheen dat het een zeer belangrijk instrument is voor ons veld. Hoe kunnen jullie je evaluatiepraktijk zo openstellen dat al die kritische en constructieve geluiden mee in rekening gebracht worden ter versterking van het Kunstendecreet, zodat we terug kunnen aanknopen bij het oorspronkelijke enthousiasme en de dynamiek van alle betrokken partijen?

essay
Leestijd 14 — 17 minuten

Dries Douibi in samenwerking met Charlotte De Somviele

Dries Douibi is curator, kunstenaar en dramaturg. Hij co-organiseert het Bâtard Festival in Brussel en werkt onder andere met Milo Rau, Kate McIntosh en Edit Kaldor.

Charlotte De Somviele is als onderwijsassistente verbonden aan de vakgroep Visual Poetics (UAntwerpen). Ze schrijft freelance over dans en theater voor o.a. De Standaard en is lid van de kleine redactie van Etcetera.