Steven Heene, Milo Rau & Stefan Bläske © Phile Deprez

All work, all play

Milo Rau ensceneert de hervorming van NTGent

NTGent heeft kwakkeltijden achter de rug. Het vertrek van artistiek leider Johan Simons, een reeks interne strubbelingen en behoorlijk wat tegenvallende producties leken het Gentse stadstheater de afgelopen jaren te vervreemden van zichzelf, en van de stad. De reddende hand komt uit Zwitserland: sinds juli staat theatermaker Milo Rau aan het hoofd van het schip. Niet om het terug op koers te brengen, maar om een nieuwe koers uit te zetten, in lijn met de tijd.

Pas op het einde geeft hij zijn geheim prijs, bijna terloops, het geheim van de ogenschijnlijke rust waarmee Milo Rau de niet geringe uitdaging aangaat om van het Gentse stadstheater a city theatre of the future te maken. ‘Voor mij is de hele herstructurering van NTGent een kunstwerk, een symbolisch project. Alles wat we hier doen – de gesprekken met de raad van bestuur, de administratieve gevechten – beschouw ik als deel van de enscenering.’ Daarmee maakt de nieuwe artistiek leider van zichzelf niet de zwaarbeproefde protagonist van het spektakel, maar de regisseur, die op een afstand staat te filmen en elk obstakel in het proces ziet als een interessante plotwending. Het is per slot van rekening wat hij ook als kunstenaar doet. Deze man maakt geen voorstellingen maar creëert contexten: een radiostudio, een rechtbank, een casting… een stadstheater.

Raus ctionaliserende blik op zijn eigen artistiek leiderschap impliceert niet dat hij minder betrokken is bij zijn nieuwe uitdaging, wel dat hij binnen het Gentse ‘project’ een minder gepersonaliseerde positie inneemt. Rau is zonder twijfel een sterk figuur zoals Johan Simons dat was, maar zijn artistieke persona valt niet samen met het huis – hij is geen archetypische ‘grote regisseur’. Dat blijkt ook uit het driemanschap waarmee hij aantreedt, met naast hemzelf artistiek coördinator Steven Heene en huisdramaturg Stefan Bläske in de cockpit.

Raus wortels als socioloog en journalist bepalen de aard van zijn werk: een onderzoekende, documentaire manier van theater maken. ‘Eigenlijk zijn de producties maar een alibi om de stad in te gaan. Ik ben naar Gent gekomen om te zien wie hier leeft’, zegt hij daarover. Net zo staat hij voor een meer ‘peilende’ vorm van leiderschap. ‘Waar hij ook komt, overal screent Milo direct waar hij is, met wie hij te maken heeft, hoe de sociale verhoudingen liggen’, zegt Heene.

Het ‘veldgerichte’ theater waarmee Milo Rau de afgelopen vijftien jaar naam maakte, is een van de twee sporen die de raad van bestuur van NTGent wist te overtuigen. Na de weinig gegronde koers van een veelal in het buitenland zwevende Johan Simons en de noodgreep van een jonge generatie theaterstudenten die in januari de schouwburg bezette, was het duidelijk dat Gent en NTGent behoefte hadden aan een vernieuwde band. Vanaf het seizoen 2018-2019 zal het publiek daarvan kunnen proeven. Zo zal de eerste voorstelling van Rau in eigen huis draaien rond het beroemde Lam Gods uit de Sint-Baafskathedraal, waarbij vertegenwoordigers uit alle gemeenschappen van de Gentse stadsbevolking zullen fungeren als figuranten in een ‘levend’ altaarstuk.

Naast dit soort stadsprojecten loopt er een tweede lijn door het programma, die draait om text-based theatre. Luk Perceval bereidt als huisregisseur een trilogie voor vertrekkende van Hugo Claus’ roman Het verdriet van België en Rau zelf gaat aan de slag met de Oresteia, gesitueerd in Irak. De twee sporen staan evenwel niet los van elkaar, benadrukt Heene, ze vormen een kronkelende helix die het lokale en globale verbindt. Heene: ‘Een project rond het Lam Gods gaat niet louter over Gent: we willen het samenleven van de bevolkingsgroepen bekijken door een globale bril. En Oresteia onderzoekt niet alleen wat begrippen als wraak en vergeving betekenen in een ver land, maar ook wat ze hier betekenen. We proberen steeds om beide perspectieven samen te gebruiken.’

“Eigenlijk zijn de producties maar een alibi om de stad in te gaan. Ik ben naar Gent gekomen om te zien wie hier leeft.”

Het verbinden van het lokale en het globale en de frictie die dat spanningsveld uitlokt, moet niet alleen in de producties zelf te voelen zijn maar ook in en rond het huis, want ‘het stadstheater moet de plek zijn waar de discussies over de samenleving materialiseren’, zegt Rau. Dat openbare gesprek willen Rau, Heene en Bläske onder meer op gang brengen door scandal-based te werken – Heene spreekt liever van ‘betekenisvolle provocaties’. Voor Oresteia leeft alvast het idee om op het plein voor de schouwburg een glazen box te plaatsen waarin ex-jihadistrijders ondervraagd worden met de leugendetector.

Dat soort interventies moet de trigger worden om concepten als ‘vergelding’ of ‘spijt’ tastbaar te maken. Rau: ‘Ik vind dat theaters zich vaak verschuilen achter een intellectueel alibi. Je maakt een Oresteia en je organiseert er een debat bij met Slavoj Zizek. Goed, maar niet goed genoeg. Het is onze ambitie om voorstellingen, media, politiek en sociaal activisme actief met elkaar te verbinden.’ Heene: ‘Niet alleen door verdiepende omkadering te organiseren voor een bepaald geïnteresseerd publiek, maar door daarnaast ook tactiel te werk te gaan, door uit ons theaterhuis te komen en een idee in de stad te planten. Speelsheid en provocatie zijn twee kernbegrippen die NTGent opnieuw aantrekkelijk moeten maken.’

Een tweede manier om zich met de stad te verbinden en tegelijkertijd de wereld binnen te trekken, is door partnerschappen aan te gaan, onder meer met het gezelschap Action Zoo Humain van Chokri Ben Chikha en met de sociaal-artistieke organisatie Victoria Deluxe – niet toevallig twee Gentse gezelschappen die werken rond superdiverse stedelijkheid. Is dat niet een beetje makkelijk, om de uitdaging rond de verbinding met andere culturen op die manier uit te besteden? Heene benadrukt dat het werken rond superdiversiteit zich op meerdere levels moet ontwikkelen. Heene: ‘Er zijn die bewuste partnerschappen, maar het streven naar diversiteit zit ook in eigen huis: in de communicatie, in het aanspreken van persoonlijke netwerken, het invoeren van boventiteling…’

Het is een work in progress, geeft hij toe, dat zich gaandeweg door alle lagen van de organisatie moet verspreiden. Een concrete timing lijkt daar niet voor te zijn. Rau zet de prioriteiten toch nog even scherp: ‘Uiteindelijk maken we theater, we doen geen sociaal werk. But we try our best. We willen bijvoorbeeld nieuwe acteurs engageren, als kernleden van het ensemble, en niet zomaar als extra, als black face. Er zullen sowieso vijf of zes mensen bijkomen van Afrikaanse of Syrische afkomst.’

Daar raakt Rau een teer punt, want het ‘huis van spelers’ zoals voormalig artistiek leider Wim Opbrouck NTGent nog geen tien jaar geleden definieerde, staat onder druk. De dag voor het interview raakt bekend dat in juni 2018 de vaste contracten van alle acteurs aflopen. De gesprekken over een vervolgparcours voor de ensembleleden zijn gestart, maar het lijkt er in ieder geval op dat de ensemble-idee, zoals NTGent dat als enige van de drie stadstheaters nog aanhield, wordt begraven. Rau en Heene zijn het er niet mee eens. Rau: ‘Een ensemble is noodzakelijk, in die zin dat je een corpus nodig hebt van mensen die ik coworkers zou willen noemen. Artiesten die het huis volgen, niet alleen omdat ze nu eenmaal tot het ensemble behoren zoals een werknemer tot een bank, maar omdat ze zich met het huis verbonden voelen.’ Heene: ‘De ensemble-gedachte blijft bestaan in die zin dat we langere lijnen uitzetten met de mensen die “mee” zijn, die de missie van het huis incorporeren. Noem het een “open ensemble” of een “pool”, maar de kern is dat het gaat over betrokkenheid, niet over contracten.’

Dat klinkt goed, maar op welke manier vormt zo’n groep betrokken mensen zich concreet? Hoe pas je ze in de projecten in, zodat ze allemaal voldoende werk hebben? Rau schudt het hoofd: ‘De beweging verloopt omgekeerd. Ik denk niet vanuit eigen projecten waarin ik vervolgens mensen moet inpassen. Ik vertrek bij de mensen die de ideeën aandragen. Het ensemble vormt zich zo organisch, op basis van hun eigen voorstellen.’ Desalniettemin vereist zo’n open ensemble een grotere flexibiliteit, ook contractueel, geeft Rau toe: ‘Er zullen mensen zijn die maar in één of twee projecten zullen meewerken, en mensen met wie we een traject van jaren zullen uitstippelen. Dus ja, we gaan elk seizoen nieuwe contracten maken.’

Een open ensemble is een middenweg tussen stabiliteit en flexibiliteit, tussen vast en vloeibaar – voor Rau is dat de contradictie die elke moderne samenleving bepaalt. Ook in Gent kan het city theatre of the future dus niet anders dan zichzelf aan de hand van die condities definiëren. Gegrond in de lokale context maar uitreikend naar de wereld – inhoudelijk, maar ook letterlijk, door in te zetten op reizen. Omringd door mensen die betrokken zijn maar niet gebonden. En met een productioneel systeem dat naar Vlaamse normen ‘groot’ is maar in de ogen van een regisseur die voorheen in Duitstalig gebied werkte licht en beweeglijk. Rau: ‘Parallel met de vraag van NTGent werd ik gevraagd om in Zürich het Schauspielhaus te leiden. Dat huis stelt 350 mensen tewerk en het geeft elk jaar 30 miljoen euro uit aan producties voor een extreem conservatief publiek. Ik heb dat aanbod afgewezen. Voor het werk dat ik maak, en dat naar Duitse maatstaven erg conceptueel is, is NTGent veel geschikter: het geeft me de tools om te realiseren wat ik wil, terwijl het apparaat rond de voorstellingen handelbaar blijft.’

“Ik vind dat theaters zich vaak verschuilen achter een intellectueel alibi. Je maakt een Oresteia en je organiseert er een debat bij. Goed, maar niet goed genoeg. Het is onze ambitie om voorstellingen, media, politiek en sociaal activisme actief met elkaar te verbinden.”

Nog zo’n kenmerk van de vloeibare wereld vandaag is de verschuiving naar een nieuw type leiderschap. De autoritaire baas heeft in veel bedrijven al plaats geruimd voor de coach die bottom-up luistert naar zijn medewerkers. Hier en daar wordt geëxperimenteerd met meer doorgedreven vormen van horizontaliteit, richting een gedeeld leiderschap – ook in de kunstensector is die tendens voelbaar. In twee van de drie Vlaamse stadstheaters die de afgelopen jaren een wissel kenden aan de top, werd de zittende sterke man (artistiek leider of intendant) tot op grote hoogte uitgedaagd door een breder platform van makers. Maar in het Brusselse stadstheater KVS legden Thomas Bellinck en de zijnen uiteindelijk de duimen voor Michael De Cock, en ook in Gent moest een groep rond Raven Ruël in de laatste ronde wijken voor Milo Rau.

Het scenario van de ‘sterke man’ lijkt voor de raden van bestuur nog steeds onweerstaanbaar, maar is dat type leiderschap intussen niet wat gedateerd? Heene werpt tegen: ‘Voor mij is dit geen scenario-sterke man, dit is een platform. Goed, het gaat in eerste instantie maar om drie mensen, maar het is een stap in de richting van gedeeld leiderschap. Laten we overigens niet al te romantisch zijn over collectieve werkingen. Sommige organisaties raken op den duur behoorlijk vermoeid door al die horizontaliteit, omdat het vaak niet efficiënt is. Ik hoop dat wij in NTGent het beste van twee werelden hebben samengebracht: een grote betrokkenheid van onder uit én een sterke visie.’

Vanuit een pragmatisch oogpunt snijdt het efficiëntie-argument hout, maar wie symbolisch kijkt ziet een representatie van de vertrouwde hiërarchische en patriarchale structuren: niet één, maar drie blanke mannen van voorbij de veertig komen opnieuw aan het hoofd van het stadstheater. Rau zwijgt even, en zegt dan: ‘It’s true. Instinctief reproduceren de raden en de politici rond zo’n theaterhuis wat ze al kennen. Het moment dat ik werd gekozen als artistiek leider zat ik plots alleen nog rond de tafel met oudere mannen. En ik besefte: dit is waar ik nu ben, zo werkt het systeem.Toen ik coproduceerde in Duitsland was het net zo: no youngsters, no women, no blacks. We kunnen zoveel praten als we willen, maar old men are ruling the world. Net daarom wil ik er werk van maken om het hele apparatus van NTGent te verversen: beginnend aan de binnenkant, bij het ensemble, om dan uit te breiden naar de organisatie eromheen.’

Heene: ‘Het is aan ons om het huis te hervormen tot het past bij de toekomst.’ Rau: ‘Op sommige vlakken gaat dat vlot, op andere vlakken merk je dat je beter rond de muur gaat dan erdoorheen breekt. Maar weet je: voor The Congo Tribunal (2015, EC) zei elke ambtenaar minstens vijftig keer “neen” voor er eindelijk een “ja” kwam. Ik ben wat bestuurlijke stroefheid betreft dus wel wat gewend. (lacht) We zijn tegenover de raad van bestuur trouwens heel open geweest over onze ambities. Er zijn grenzen aan de compromissen die we willen sluiten, en buiten die grenzen is het ons project niet meer – dan moet iemand anders het maar doen. Ik ben niet per se geboren om artistiek leider te worden van een stadstheater.’

Hij zegt hij het zelf, zonder schroom: Milo Rau leidde nog nooit een stadstheater. Tot nu toe creëerde hij zijn eigen werk vooral binnen de zelfgeschapen context van zijn International Institute of Political Murder (IIPM), in de grootst mogelijke artistieke vrijheid. Maar wat met de knedende werking van een ‘bourgeois’ instituut, de aanwezigheid van een burgerlijk publiek? Wat zal
de inkapseling van zijn producties in een stadstheater betekenen voor de scherpte van Raus werk? Rau: ‘Ik ben niet bang voor een verlies aan kracht. Je spreekt over vrijheid, maar binnen het IIPM moet ik evengoed artistieke compromissen sluiten, omdat er bijvoorbeeld niet genoeg geld is om een set te ontwerpen zoals ik dat wil. Een groter huis biedt de middelen om de dingen te realiseren zoals je ze wilt realiseren, dat is een andere vorm van vrijheid.’

Heene: ‘Ik weet niet of je per se aan frisheid verliest door op grotere schaal te werken. Onze schouwburg is geen heilige plek. De uitdaging schuilt ook niet in het vrijwaren van het eigen artistieke werk, maar in het herdefiniëren van het stadstheater zelf, op zo’n manier dat er voorstellingen gemaakt kunnen worden in de meest optimale omstandigheden.’ Rau: ‘Je vraag refereert eigenlijk aan een oud, bohemien beeld over de kunstenaar als autonome creator, die alleen door zijn artistieke verlangens wordt verteerd. Maar ik ben een socioloog en een journalist. Dat betekent: een mediator. Ik ben de man die het frame maakt waarbinnen bepaalde dingen kunnen gebeuren. Het is niet zo dat ik popelend zit te wachten tot al het organisatorische gedoe achter de rug is, om dan eindelijk mijn langverwachte Ibsen te maken. Al deze gesprekken, de vergaderingen, de beslissingen, dit interview – dit alles is de Ibsen.’

essay
Leestijd 9 — 12 minuten

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.