Etcetera Magazine. Tijdschrift voor podiumkunsten.

The act of dying - De Polen

© De Polen

The act of dying - De Polen

Kristof van Baarle

The act of dying - De Polen

Dying is an act that doesn't stop

 

The act of dying: de slachtpartijen in Kill Bill-style hebben we zeker gezien, maar gaat deze voorstelling wel degelijk over sterven?

 

Voor een voorstelling met de titel The Act of Dying begint het allemaal luchtig. Het collectief De Polen – waarin Bosse Provoost, Kobie Chielens, Geert Belpaeme en Lieselotte De Keyzer zich verenigen – laat de openingsscène over aan de scenografie. Op het podium ligt een houten kader, aan de hoeken met touwtjes verbonden aan een systeem boven het podium, waarmee de spelers het beginnen te manipuleren. Een hoekje ligt op, dan weer een ander, en vervolgens zweeft en schommelt het kader, als een quasi-personage over scène. Tegelijk roept het associaties op met wat je ‘drempels’ zou kunnen noemen: een deur, een raam, maar ook de rand van een put. Al snel komt een speelster van achter het groene gordijn dat aan de andere kant van de scène schuint ophangt. Ze positioneert zich in het midden en start een reeks ‘sterfpartijen’. Ze doet alsof een zwaard haar doormidden splijt, ze haar oogbollen opeet of een hartaanval krijgt – en telkens wanneer ze ‘dood’ is, staat ze gewoon recht op dezelfde no-nonsense manier als waarmee ze gestorven was. We zien geen drama, noch slapstick, maar wel de ongelofelijke dunne en spannende lijn daartussen. Na deze sterke solo vervoegen twee mannen dit vrouwelijke figuurtje om samen de choreografie van grotesk sterven te herhalen en samen alsof te doen.

 

De karikaturale manier van spelen, de groteske bewegingen en gezichtsuitdrukkingen van de spelers zijn een duidelijke referentie aan tekenfilms, reeds een inspiratiebron voor Provoost en Chielens’ Moore Bacon! (2015), maar ze doen ook denken aan Kill Bill-style slachtpartijen. Als cartoonsfiguurtjes gaan ze eraan om vervolgens weer op te staan alsof er niets gebeurd is en het opnieuw te doen. Met de dood kan al eens gelachen worden – belangrijk element daarvoor is dat de figuurtjes niet lijken te beseffen wat hen overkomt. Ze ‘doen’ gewoon. Hoewel, geleidelijk aan vertraagt het tempo en verstilt de beweging. Het lachen vervaagt tot een grijns, vervolgens tot een aandachtig kijken en tot slot tot een deconstructie van ‘the act of dying’. Het vrouwelijke figuurtje manipuleert haar twee kompanen, sleept ze over het podium, tot achter het groene gordijn en dus uit het zicht. De beelden die hier gevormd worden, worden gelaagder, al blijven ze licht en speels. Zo legt de één zich onder de ander, om diens armen en handen te manipuleren in een houding die twijfelt tussen een vreemde omhelzing, een vergeefs de hand uitreiken, of een letterlijke opeenstapeling van lichamen.

 

Wanneer ze de twee mannen voor de laatste keer achter het gordijn gesleept heeft, verwordt het vrouwelijke figuurtje tot een zombie, de handen voor zich gestrekt. Het houten kader komt weer als een marionet tot leven en begint aan een hoekige, schommelende dans op de tonen van Henryk Gorecki’s derde symfonie. De trage, weemoedige muziek, ook wel de symfonie van de treurliederen genoemd – vaak verbonden met het lijden en verdriet in de Tweede Wereldoorlog en meer bepaald de Holocaust – biedt een nieuwe context voor het eerste deel van de voorstelling. Snel verlaat de laatste mens de scène en gaat het houten kader alleen verder in een subtiele solo. Naast zo’n muziek kan je immers niets meer doen en eens je ze laat starten, is het haast onmogelijk ze niet te laten uitspelen. De Polen maken dan ook de sterke keuze om dat te laten gebeuren, wat resulteert in een mooie, ontroerende scène met tijd voor contemplatie.

 

The act of dying: die hebben we zeker gezien, maar gaat deze voorstelling wel degelijk over sterven? En wat vertelt ze dan over doodgaan? Het komische eerste deel met zijn specifieke manier van spelen en de performativiteit van het houten kader suggereren dat het misschien meer een zoektocht is naar een gelijke manier van performativiteit van mensen en dingen: als de mensen wat meer dood zijn en dingen wat meer levend, worden ze op de scène inderdaad haast elkaars gelijke. Op het eerste zicht lijkt de knoop tussen de dagelijkse realiteit van het sterven, soms in een al gruwelijkere context dan een andere, en het sterven in The act of dying moeilijk te leggen.

Hoewel. In 2012 zond Joshua Oppenheimers The Act of Killing een schokgolf door de docu-kijkende wereld. Oppenheimer trok naar Indonesië om er de leiders van de doodseskaders die in 1965 bijna een miljoen zogenaamde ‘communisten’ vermoordden, te interviewen. Hij overtuigde hen om hem mee te nemen naar de plekken waar deze slachtingen zich afspeelden en de gebeurtenissen na te spelen. De onbewogen, soms lacherige manier waarop de mannen dit doen, maakt de wreedheid van de slachtingen alleen maar groter.

 

Wanneer je de voorstelling vanuit deze bril bekijkt, verandert er veel. Provoost en co kiezen ervoor om het perspectief van de dader in te ruilen voor dat van het slachtoffer. Wanneer de drie figuurtjes de scène betreden zijn ze al lang dood. Hun lichtheid krijgt vanuit dit perspectief een wrange nasmaak. Voor ons spelen ze hun dood keer op keer, als een getuigenis die maar niet verteld raakt, maar als ze ons direct zouden aanspreken, zou het wel eens zo kunnen klinken: “Kijk, dit is hoe wij stierven, telkens weer. Wij, vandaag misschien burgers in Mosul, Jemen, Palestina en Bagdad, maar ook wij, die vroeger in genocides afgeslacht werden en wij, mensen die het goed hebben en voor wie de dood een verdrongen onbekende is en een hartaanval de enige oefening op het einde is." Wanneer de treurmuziek van Gorecki het overneemt, wordt er getreurd over wat we net zagen, de afwezigheid van de mens. En dat maakt de keuze om de figuurtjes niet te laten terugkeren alleen maar sterker: ze zijn immers ‘weg’.

 

Vraag blijft of je dat wel allemaal direct meekrijgt in de voorstelling – en of dat wel nodig is. Het is evenzeer een sterkte als er de dagen na het kijken, zich een tweede voorstelling afspeelt in het hoofd.

De Polen kiezen voor een geleidelijke desintegratie en de toon verandert pas echt in de muziek, al is het dan misschien al te laat. Ook al ontroert dit tweede deel en is de overgang vanuit het eerste deel vormelijk sluitend, er zit ruis op de inhoudelijke connectie. Het groteske spel kantelt net niet om in een soort reële wreedheid die de luchtigheid kan doorprikken. Ook in The act of killing is er een moment waarop de werkelijkheid binnenkomt bij één van de daders, even breekt hij bij het re-enacten van zijn eigen onmenselijkheid. Pas dan besef je als kijker dat dit ‘echt’ is – noodzakelijk in een wereld waarin geweld gemediatiseerd is tot op het punt dat het onwerkelijk wordt. Dit is evenwel een detail. Het kijkplezier en de schoonheid van de voorstelling zijn op zich al genoeg, hoewel The act of dying mogelijks nog rijker had kunnen zijn moest de inhoudelijke bagage erachter toch op één of andere manier meer op het voorplan geraakt zijn.